<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8734</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T20:28:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8734</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL1126</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AN6376</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-03-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/6743 WVG + 99/1296 WVG</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=2&amp;g=2000-03-31">Wet voorzieningen gehandicapten 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=3&amp;g=2000-03-31">Wet voorzieningen gehandicapten 3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2000, 276</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 148</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/128</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8734">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8734</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8734 Centrale Raad van Beroep , 31-03-2000 / 98/6743 WVG + 99/1296 WVG</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8734:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8734:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>98/6743 WVG</para>
      <para>99/1296 WVG</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 20 januari 1997 is appellant namens gedaagde in kennis gesteld</para>
      <para>van het besluit waarbij hem op grond van de op de Wet voorzieningen</para>
      <para>gehandicapten (WVG) steunende Verordening voorzieningen gehandicapten van de</para>
      <para>gemeente Almere (de Verordening) met ingang van 1 april 1997 een</para>
      <para>vervoerskostenvergoeding van f 1.200,-- is toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 18</para>
      <para>juni 1997 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 31 juli 1998 het</para>
      <para>tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr J.B. van der Pauw, werkzaam bij de Stichting</para>
      <para>Eerstelijnsvoorzieningen Almere, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld</para>
      <para>en de Raad op bij het beroepschrift aangevoerde gronden verzocht het inleidend</para>
      <para>beroep alsnog gegrond te verklaren en een maximale autokostenvergoeding van f</para>
      <para>1.600,-- toe te kennen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is bij schrijven van 1 februari 1999 (met bijlagen) van verweer gediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 6 februari 1998 is appellant namens gedaagde in kennis gesteld</para>
      <para>van het besluit waarbij hem op grond van de Verordening met ingang van 1 april</para>
      <para>1998 een vervoerskostenvergoeding van f 900,-- is toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het tegen dit besluit door appellant gedane bezwaar is bij besluit van 28 juli</para>
      <para>1998 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 28 januari 1999</para>
      <para>het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr Van der Pauw, voornoemd, tegen deze uitspraak</para>
      <para>eveneens hoger beroep ingesteld en de Raad op bij het beroepschrift</para>
      <para>aangevoerde gronden verzocht het inleidend beroep alsnog gegrond te verklaren</para>
      <para>en een maximale autokostenvergoeding van f 1.600,-- toe te kennen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft bij schrijven van 17 mei 1999 (met bijlagen) van verweer gediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij een tweetal brieven van 7 februari 2000 (met bijlagen) heeft gedaagde in</para>
      <para>de gedingen nog enige inlichtingen verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 februari</para>
      <para>2000, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr Van der Pauw,</para>
      <para>voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door</para>
      <para>mr W.W. Meijer, werkzaam bij de gemeente Almere.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is zeer slechthorend en kan slechts geringe afstanden lopen. Omdat</para>
      <para>hij ten tijde hier in geding geen gebruik kon maken van het in de gemeente</para>
      <para>Almere functionerende collectief vervoer is appellant in aanmerking gebracht</para>
      <para>voor een financiële tegemoetkoming in zijn vervoerskosten per eigen auto, tot</para>
      <para>1 april 1997 een bedrag van f 1.600,-- op jaarbasis bedragend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 3.1 aanhef en onder c, van de Verordening is bepaald dat de door</para>
      <para>gedaagde te verstrekken vervoersvoorziening kan bestaan uit een financiële</para>
      <para>tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een auto, welke tegemoetkoming</para>
      <para>vanaf 1 januari 1997 f 640,-- bedraagt. Voorts is bepaald dat deze</para>
      <para>tegemoetkoming voor die gehandicapten die vóór en lopende tot 1 januari 1997</para>
      <para>reeds een financiële tegemoetkoming op grond van de Verordening ontvingen, in</para>
      <para>drie jaar tijd wordt afgebouwd van f 1.600,-- naar f 640,--. In het eerste</para>
      <para>jaar bedraagt deze verlaging f 400,--, in het tweede jaar f 300,-- en in het</para>
      <para>derde en laatste jaar f 260,--. Deze regeling heeft ten doel een gehandicapte,</para>
      <para>die in het bezit is van een eigen auto na voormelde overgangsperiode gelijk te</para>
      <para>stellen, voor wat betreft reiskilometers, met een gehandicapte die gebruik</para>
      <para>maakt van het in de gemeente Almere fungerende collectief vervoer. Bij de</para>
      <para>totstandkoming is de regelgever, naar uit de gedingstukken en het verhandelde</para>
      <para>ter zitting is gebleken, er van uitgegaan dat een gehandicapte die van het in</para>
      <para>de Verordening geregelde collectief vervoer gebruik maakt met het voor hem</para>
      <para>geldende budget van maximaal f 1.600,-- per jaar gemiddeld circa 1000</para>
      <para>kilometer per jaar kan reizen. Een gehandicapte die van de auto gebruik maakt,</para>
      <para>heeft bij een kilometervergoeding van f 0,64 een tegemoetkoming van f 640,-- nodig</para>
      <para>om een gelijk aantal kilometers te kunnen reizen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant behoort tot de categorie van gehandicapten waarvoor voormelde</para>
      <para>overgangsregeling is getroffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft, onder toepassing van deze overgangsregeling, bij besluit in</para>
      <para>primo van 20 januari 1997 met ingang van 1 april 1997 de</para>
      <para>vervoerskostenvergoeding van appellant tot f 1.200,-- verlaagd en bij besluit</para>
      <para>in primo van 6 februari 1998 tot f 900,--, welke besluiten bij de bestreden</para>
      <para>besluiten op bezwaar van 18 juni 1997 en 28 juli 1998 zijn gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de bestreden besluiten bij de aangevallen uitspraken in</para>
      <para>stand gelaten en als haar oordeel gegeven dat het beleid van gedaagde, als</para>
      <para>neergelegd in voormelde regelgeving, binnen de grenzen van een redelijke</para>
      <para>beleidsbepaling blijft en de rechterlijke toetsing kan doorstaan, nu dit erop</para>
      <para>is gericht om de ongelijke situatie, die naar de mening van gedaagde was</para>
      <para>ontstaan tussen de groep gehandicapten die gebruik maakt van het collectief</para>
      <para>vervoer en de groep gehandicapten die een financiële tegemoetkoming ontvangt</para>
      <para>voor het gebruik van een eigen auto, op te heffen, zodat beide groepen in</para>
      <para>staat worden gesteld een gelijk aantal kilometers af te leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de parlementaire</para>
      <para>behandeling van de WVG, aangevoerd dat de aantallen van 1875 respectievelijk</para>
      <para>1406 met de toegekende vergoedingen van f 1.200,-- en f 900,-- te verrijden</para>
      <para>kilometers beduidend achterblijven bij hetgeen tijdens die behandeling voor</para>
      <para>ogen heeft gestaan, te weten een halvering van de onder de vigeur van de</para>
      <para>Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekende financiële tegemoetkoming</para>
      <para>tot een bedrag van f 1.625,--, waarmee circa 2500 kilometer op jaarbasis</para>
      <para>gereden kan worden. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de</para>
      <para>vervoersmogelijkheden van degenen die op grond van de Verordening een budget</para>
      <para>van f 1.600,-- ontvangen ten behoeve van het collectief vervoer van de</para>
      <para>gemeente Almere, afhankelijk van de te kiezen vervoersbestemmingen, variëren</para>
      <para>van 995 tot 2985 kilometer per jaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft in hoger beroep erop gewezen dat onder de vigeur van de AAW</para>
      <para>vervoerskostenvergoedingen uitsluitend onder de zogeheten inkomensgrens werden</para>
      <para>verstrekt, een grens waaronder men werd verondersteld geen auto te kunnen</para>
      <para>aanschaffen, onderhouden of de kosten van het gebruik te kunnen dragen. Deze</para>
      <para>vervoerskostenvergoedingen waren afgestemd op het vervoer per - commerciële -</para>
      <para>taxi tegen het daarvoor geldende tarief. Ongelijkheid ontstond omdat de</para>
      <para>vervoerskostenvergoedingen ook mochten worden aangewend voor het vervoer per</para>
      <para>eigen auto of vervoer per auto door derden, waardoor veel meer kilometers</para>
      <para>konden worden verreden dan per taxi. Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat uit</para>
      <para>de uitspraak van de Raad van 20 februari 1998 (USZ 1998/100, hierna te noemen:</para>
      <para>USZ 1998) kan worden afgeleid dat het in die zaak genoemde met het collectief</para>
      <para>vervoer in Almere af te leggen aantal kilometers (ongeveer 1000) voldoende is</para>
      <para>om te kunnen spreken van een verantwoorde voorziening. Gedaagde acht het niet</para>
      <para>in de rede liggen om te veronderstellen dat voor gehandicapten die een</para>
      <para>financiële tegemoetkoming in het gebruik van de auto ontvangen sprake zou</para>
      <para>moeten zijn van een groter aantal te verrijden kilometers om te kunnen spreken</para>
      <para>van een verantwoorde voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat daarvan uit dat</para>
      <para>gehandicapten die in aanmerking zijn gebracht voor het in de gemeente Almere</para>
      <para>fungerende systeem van collectief vervoer met het in artikel 3.1 onder a, sub</para>
      <para>1, van de Verordening opgenomen budget van f 1.600,-- per jaar, desgewenst</para>
      <para>tussen de 995 en 2985 kilometer kunnen reizen, afhankelijk van de - per</para>
      <para>individuele gehandicapte verschillende - vervoersbestemmingen. Tevens is</para>
      <para>tussen partijen niet in geschil dat voor f 1.600,-- in feite - zo is uit</para>
      <para>evaluatie gebleken - gemiddeld circa 1000 kilometer per jaar met het</para>
      <para>collectief vervoer wordt afgelegd, met dien verstande dat beide partijen het</para>
      <para>er kennelijk over eens zijn dat als rekening wordt gehouden met de</para>
      <para>bezettingsgraad van het collectief vervoer 1100 tot 1200 kilometer gemiddeld</para>
      <para>per jaar wordt afgelegd. Of dit laatste werkelijk het geval is kan de Raad in</para>
      <para>het midden laten. De Raad is van oordeel dat, ook als ervan zou moeten worden</para>
      <para>uitgegaan dat gehandicapten met het collectief vervoer gemiddeld 1000</para>
      <para>kilometer per jaar afleggen, daarin geen toereikende grondslag is te vinden om</para>
      <para>uit een oogpunt van de gelijktrekking van het aantal te verrijden kilometers</para>
      <para>van degenen die op vervoer per individuele (eigen) auto zijn aangewezen, aan</para>
      <para>deze laatste categorie gehandicapten een financiële tegemoetkoming van</para>
      <para>f 640,-- te verstrekken, waarmee, naar onomstreden is, niet meer dan circa dit</para>
      <para>aantal van 1000 kilometer kan worden verreden. Voor dit oordeel heeft de Raad</para>
      <para>doorslaggevende betekenis toegekend aan de omstandigheid dat degenen die van</para>
      <para>het collectief vervoer gebruik maken de gelegenheid hebben om, evenals het</para>
      <para>geval was in USZ 1998, met het individuele budget van f 1.600,-- per jaar al</para>
      <para>naar gelang de te kiezen bestemmingen, een aanmerkelijk groter aantal</para>
      <para>kilometers te reizen dan het feitelijk verreden aantal van gemiddeld 1000,</para>
      <para>terwijl de gehandicapten die aangewezen zijn op individueel vervoer per eigen</para>
      <para>auto zich categorisch beperkt zien tot maximaal ongeveer 1000 met de</para>
      <para>toegekende financiële tegemoetkoming te verrijden kilometers. De door gedaagde</para>
      <para>beoogde gelijktrekking van te verreizen kilometrages wordt met de toekenning</para>
      <para>aan laatstgenoemde categorie van een op 1000 kilometers toegespitst bedrag van</para>
      <para>f 640,--  derhalve niet bereikt. Naar aanleiding en ter aanvulling van het</para>
      <para>overwogene in USZ 1998 merkt de Raad in dit verband nog op dat hij het</para>
      <para>onderhavige collectief vervoerssysteem mede daarom als een niet inadequate</para>
      <para>vervoersvoorziening in de zin van artikel 3 van de WVG aanmerkt omdat daarbij</para>
      <para>wordt voorzien in de mogelijkheid om desgewenst in of in de naaste omgeving</para>
      <para>van de gemeente meer kilometers af te leggen dan voormeld aantal van 1000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet hierop ziet de Raad ook de bestreden besluiten die in het kader van een</para>
      <para>beoogde geleidelijke gelijktrekking een gefaseerde verlaging inhouden naar het</para>
      <para>uiteindelijk te bereiken bedrag van f 640,-- geen standhouden. Die gelijktrekking ontbeert,</para>
      <para>naar in hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten, een deugdelijke grondslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd en met</para>
      <para>het oog op de verdere besluitvorming door gedaagde overweegt de Raad nog als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan appellant acht de Raad in de wetsgeschiedenis geen belemmering</para>
      <para>aanwezig om een lager aantal individueel met de auto te verrijden kilometers</para>
      <para>dan 2500 als een verantwoorde voorziening aan te merken als bedoeld in artikel</para>
      <para>3 van de WVG. De Raad wijst erop dat een dergelijke ondergrens niet in de WVG</para>
      <para>is opgenomen en dat, zoals hij herhaaldelijk in zijn jurisprudentie ook als</para>
      <para>uitgangspunt heeft aanvaard, de wetgever de gemeentebesturen kennelijk bewust</para>
      <para>ruimte heeft gelaten om naar eigen beleidsinzicht aan de opdracht gestalte te</para>
      <para>geven om verantwoorde voorzieningen aan te bieden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande leidt er toe dat de bestreden besluiten alsmede de aangevallen</para>
      <para>uitspraken, waarbij deze besluiten in stand zijn gelaten, voor vernietiging in</para>
      <para>aanmerking komen. Gedaagde zal op de bezwaren van appellant tegen de besluiten</para>
      <para>in primo opnieuw dienen te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft verzocht gedaagde te veroordelen in de schade aan de kant van</para>
      <para>appellant ex artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het hiervoor overwogene blijkt dat de bestreden besluiten worden</para>
      <para>vernietigd en dat gedaagde op de bezwaren van appellant tegen de besluiten in</para>
      <para>primo opnieuw dient te beslissen.</para>
      <para>Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke</para>
      <para>schade, die overigens door appellant niet nader is toegelicht, uit te spreken</para>
      <para>omdat nog niet vaststaat hoe de nadere besluiten zullen gaan luiden.</para>
      <para>Gedaagde zal bij het nemen van nadere besluiten tevens aandacht moeten</para>
      <para>besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb</para>
      <para>gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen</para>
      <para>24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het</para>
      <para>door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte</para>
      <para>griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraken, alsmede de bestreden besluiten;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde nader besluiten zal nemen met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 430,-- vergoedt,</para>
      <para>te betalen door de gemeente Almere.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en mr D.J. van der Vos en</para>
      <para>mr R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr M. van 't Klooster als</para>
      <para>griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para>(get.) M. van 't Klooster.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>1703</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>