<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8733</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:08:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8733</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-03-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/3896 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=11&amp;g=2000-03-21">Algemene bijstandswet 11</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=13&amp;g=2000-03-21">Algemene bijstandswet 13</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=43&amp;g=2000-03-21">Algemene bijstandswet 43</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=29&amp;g=2000-03-21">Algemene bijstandswet 29</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 157 met annotatie van R. Stijnen</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 2000, 79</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/147 met annotatie van A.E.L.T. Balkema</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8733">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8733</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-07-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8733 Centrale Raad van Beroep , 21-03-2000 / 98/3896 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8733:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afstemming hoogte bijstand voor 17-jarig pleegkind; kinderbijslag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8733:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/3896 NABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, thans wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oud-Beijerland, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft C op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger</para>
      <para>beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht op 27 maart 1998</para>
      <para>tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 8 februari 2000, waar appellant in persoon is verschenen,</para>
      <para>bijgestaan door C en mr G.A.P.J. van Well, landelijk beleidsmedewerker van de Nederlandse</para>
      <para>Vereniging voor Pleeggezinnen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door</para>
      <para>E. Schallenberg, werkzaam bij de gemeente Oud-Beijerland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, geboren in 1979, is een natuurlijk kind van D, die van het ouderlijk gezag is ontheven.</para>
      <para>Hij woonde ten tijde hier van belang als pleegkind bij C en E, die voor de kosten van de verzorging</para>
      <para>en opvoeding van appellant een pleegvergoeding ontvingen op grond van de Regeling vergoeding</para>
      <para>pleeggezinnen (Stcrt. 1989, nr. 252, zoals sedertdien gewijzigd). Bij beschikking van</para>
      <para>21 augustus 1996 heeft de kinderrechter op verzoek van de Stichting Jeugdbescherming</para>
      <para>Dordrecht de ondertoezichtstelling van appellant met ingang van 21 augustus 1996 opgeheven.</para>
      <para>Per dezelfde datum werd ook de pleegvergoeding ten behoeve van appellant beëindigd.</para>
      <para>Appellant bleef feitelijk als pleegkind bij zijn pleegouders wonen.</para>
      <para>Op 19 september 1996 heeft appellant gedaagde verzocht hem met ingang van 21</para>
      <para>augustus 1996 bijstand te verlenen voor de kosten van levensonderhoud.</para>
      <para>Gedaagde heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 24 september 1996 en</para>
      <para>het tegen dat besluit ingediende bezwaar gegrond verklaard bij besluit van 19 december 1996.</para>
      <para>Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 20 januari 1997 de gevraagde</para>
      <para>bijstand aan appellant toegekend vanaf 19 september 1996. In dat besluit is</para>
      <para>de hoogte van de bijstand vastgesteld op f 337,53, en tevens bepaald dat de</para>
      <para>kinderbijslag die zijn pleegouders ten behoeve van appellant gaan ontvangen,</para>
      <para>niet op de bijstandsuitkering in mindering wordt gebracht. Het tegen</para>
      <para>laatstgenoemd besluit ingediende bezwaar is bij het bestreden besluit van 10</para>
      <para>april 1997 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 10</para>
      <para>april 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
      <para>Naar haar oordeel is de norm waarnaar bijstand is toegekend, alleszins redelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft zich in hoger beroep tegen dit oordeel gekeerd. Blijkens de</para>
      <para>gedingstukken en het verhandelde ter zitting wenst appellant dat deze norm</para>
      <para>alsnog wordt vastgesteld op het in de bijlage bij de Regeling vergoeding</para>
      <para>pleeggezinnen genoemde basisbedrag van de pleegvergoeding voor een jeugdige</para>
      <para>van 16 tot en met 17 jaar (ten tijde hier van belang: f 854,-- per maand) en</para>
      <para>dat vanaf 1 oktober 1996 op dat bedrag de ten behoeve van appellant met</para>
      <para>ingang van het vierde kwartaal van 1996 toegekende kinderbijslag (omgerekend</para>
      <para>per maand afgerond f 182,--) in mindering wordt gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de omstandigheden waarin appellant destijds als 17-jarig pleegkind</para>
      <para>verkeerde, heeft gedaagde hem als zelfstandig subject van bijstand beschouwd</para>
      <para>en hem met toepassing van artikel 11 van de Algemene bijstandswet (Abw)</para>
      <para>algemene bijstand toegekend. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter</para>
      <para>zitting is gedaagde er bij de bepaling van de hoogte van de toe te kennen</para>
      <para>bijstand van uitgegaan dat appellant ten tijde in geding voor de toepassing</para>
      <para>van de Abw als een alleenstaande moest worden beschouwd die voor zijn kosten</para>
      <para>van levensonderhoud geen beroep kon doen op zijn natuurlijke ouders.</para>
      <para>De Raad ziet geen aanleiding om dat uitgangspunt als onjuist te bestempelen.</para>
      <para>Daarvan uitgaande kan echter niet, zoals gedaagde heeft gedaan, aansluiting</para>
      <para>worden gezocht bij het in artikel 29, eerste lid aanhef en onder a, van de</para>
      <para>Abw vermelde normbedrag voor een alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar.</para>
      <para>Blijkens de wetsgeschiedenis ligt aan dat normbedrag immers de</para>
      <para>veronderstelling ten grondslag dat de betrokken jongmeerderjarige voor de</para>
      <para>noodzakelijke bestaanskosten die het normbedrag overstijgen, wel een beroep</para>
      <para>kan doen op zijn ouders en dat, voorzover dat niet mogelijk is, aanvullend</para>
      <para>bijzondere bijstand moet worden verleend om in de noodzakelijke</para>
      <para>bestaanskosten van de jongere te voorzien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vraag blijft hoe de hoogte van de bijstand dan wel moet worden bepaald.</para>
      <para>Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Abw dient de bijstand in gevallen als het</para>
      <para>onderwerpelijke te worden afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en</para>
      <para>middelen van de betrokken persoon. In dat kader is het volgende van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De pleegouders van appellant ontvingen voor de aanvang van de</para>
      <para>bijstandsverlening een basisbedrag als vergoeding voor de kosten van</para>
      <para>appellant. Dit basisbedrag is een genormeerde onkostenvergoeding ten behoeve</para>
      <para>van de opvoeding en verzorging en varieert met de leeftijd van de jeugdige.</para>
      <para>Door de opheffing van de ondertoezichtstelling op 21 augustus 1996 is</para>
      <para>appellant, wat de hoogte van zijn noodzakelijke bestaanskosten betreft,</para>
      <para>feitelijk niet in een andere situatie komen te verkeren. Zijn verblijf en</para>
      <para>verzorging in het pleeggezin werden voortgezet. Het wegvallen van de</para>
      <para>pleegvergoeding bracht wel mee dat op andere wijze in dezelfde kosten van</para>
      <para>levensonderhoud van appellant moest worden voorzien. Dat is echter slechts</para>
      <para>gedeeltelijk mogelijk gebleken met de toekenning van het voor kinderen als</para>
      <para>appellant geldende basiskinderbijslagbedrag bedoeld in artikel 12, eerste</para>
      <para>lid, van de Algemene Kinderbijslagwet; dit laatste eerst met ingang van de</para>
      <para>eerste dag van het volgende kwartaal. Deze door de pleegouders ontvangen</para>
      <para>kinderbijslag dient op grond van artikel 43, eerste lid, van de Abw tot de</para>
      <para>middelen van appellant te worden gerekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande deelt de Raad de opvatting van appellant dat de</para>
      <para>hoogte van de toe te kennen bijstand te laag is vastgesteld. Hij acht het</para>
      <para>niet onjuist dat de hoogte van de aan hem toe te kennen bijstand per</para>
      <para>19 september 1996 in zijn geval moet worden bepaald overeenkomstig het toen</para>
      <para>geldende basisbedrag van de pleegvergoeding voor 16 tot en met 17-jarigen.</para>
      <para>Over de maanden oktober tot en met december 1996 kan dat bedrag telkens</para>
      <para>worden verlaagd met 1/3 gedeelte van de over het vierde kwartaal van 1996</para>
      <para>ontvangen kinderbijslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak en</para>
      <para>het bestreden besluit niet in stand kunnen worden gelaten. Gedaagde zal een</para>
      <para>nieuw besluit op het bezwaar dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het</para>
      <para>bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu hem van voor</para>
      <para>vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar zal nemen met</para>
      <para>inachtneming van deze uitspraak;</para>
      <para>Gelast de gemeente Oud-Beijerland aan appellant het gestorte recht van</para>
      <para>f 55,-- in beroep en f 160,-- in hoger beroep (totaal f 215,--) te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr G.A.J. van den Hurk</para>
      <para>en mr C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M.</para>
      <para>Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para>(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>1303</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>