<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8731</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T16:54:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8731</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-03-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/4463 Anw</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007795&amp;artikel=4&amp;g=2000-03-01">Algemene nabestaandenwet 4</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001840&amp;artikel=93&amp;g=2000-03-01">Grondwet 93</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001840&amp;artikel=94&amp;g=2000-03-01">Grondwet 94</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 173</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/106</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8731">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8731</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2000-12-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8731 Centrale Raad van Beroep , 01-03-2000 / 98/4463 Anw</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8731:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8731:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/4463 Anw</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 10 september 1997 heeft gedaagde, na bezwaar,</para>
      <para>gehandhaafd zijn besluit van 23 mei 1997, waarbij hij heeft</para>
      <para>geweigerd appellante een uitkering ingevolge de Algemene</para>
      <para>nabestaandenwet (Anw) toe te kennen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij uitspraak van</para>
      <para>8 mei 1998 het beroep tegen het besluit van</para>
      <para>10 september 1997 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de gronden, aangevoerd bij aanvullend beroepschrift van 8</para>
      <para>oktober 1998, is namens appellante gevorderd de uitspraak van de</para>
      <para>rechtbank te vernietigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bij memorie van 6 november 1998 heeft gedaagde verweer gevoerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van</para>
      <para>2 februari 2000. Appellante is daar in persoon verschenen,</para>
      <para>bijgestaan door haar raadsman mr A.H.J. Neels, advocaat te</para>
      <para>Vlissingen. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde</para>
      <para>mr P.C.A. Buskens, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens haar opgave is appellante gehuwd geweest met</para>
      <para>C, geboren in 1957 en overleden in 1997. Het huwelijk was in 1993</para>
      <para>geëindigd door echtscheiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de aanvraag om nabestaandenuitkering terzake van het</para>
      <para>overlijden van C heeft gedaagde, althans ten aanzien van</para>
      <para>appellante zelf, afwijzend beslist. Daarbij is overwogen dat zij</para>
      <para>met de overledene geen gezamenlijke huishouding voerde en deze</para>
      <para>niet verplicht was aan haar alimentatie te betalen.</para>
      <para>Appellante vecht deze weigering aan.</para>
      <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Artikel 4 van de Anw luidt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt in</para>
      <para>afwijking van artikel 3 onder nabestaande mede verstaan de</para>
      <para>gewezen echtgenoot van een overleden verzekerde, indien:</para>
      <para>a. het huwelijk anders dan door de dood is ontbonden; en</para>
      <para>b. de overleden verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan het</para>
      <para>overlijden verplicht is krachtens rechterlijke uitspraak of</para>
      <para>overeenkomst, vastgelegd in een notariële akte of een akte mede</para>
      <para>ondertekend door een advocaat, levensonderhoud te verschaffen aan</para>
      <para>de gewezen echtgenoot op grond van Boek 1 van het Burgerlijk</para>
      <para>Wetboek; en</para>
      <para>c. de gewezen echtgenoot overeenkomstig de bepalingen in deze wet</para>
      <para>recht op nabestaandenuitkering zou hebben gehad, indien het</para>
      <para>overlijden plaats zou hebben gehad op de dag van ontbinding van</para>
      <para>het huwelijk anders dan door de dood.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vast staat dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden om op</para>
      <para>grond van deze bepaling als nabestaande te worden aangemerkt,</para>
      <para>omdat C jegens haar niet alimentatieplichtig was. Dit wordt van</para>
      <para>de zijde van appellante niet bestreden.</para>
      <para>In hoger beroep is namens appellante aangevoerd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Van de zijde van appellante is destijds gesteld dat, zo zij zou</para>
      <para>hebben geweten wat de gevolgen van de echtscheiding in het kader</para>
      <para>van de ANW zouden zijn geweest, zij scheiding van tafel en bed</para>
      <para>zou hebben gevorderd.</para>
      <para>Voor een uiteenzetting ter zake wordt verwezen naar de gronden</para>
      <para>voor het bezwaar dat destijds is ingediend bij de SVB bij brief</para>
      <para>van 15 juli 1997 die als prod. 1 wordt bijgevoegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de motivering van de mening van appellante dat de</para>
      <para>Nederlandse rechter wel degelijk, ondanks artikel 120 van de</para>
      <para>Grondwet, formele wetgeving kan toetsen aan die Grondwet wordt</para>
      <para>verwezen naar de hierbij als prod. 2 overgelegde pleitnotities</para>
      <para>die namens de gemachtigde van appellante zijn voorgedragen</para>
      <para>door diens kantoorgenoot, mr M.C.M.E. Schijvenaars.</para>
      <para>Uit die uiteenzetting volgt dat het EVRM,</para>
      <para>gezien in verband met de Universele Verklaring van de Rechten van</para>
      <para>de Mens, de mogelijkheid biedt tot grondwettelijke toetsing van</para>
      <para>een wet in formele zin.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de producties waarnaar in bovenaangehaald beroepschrift is</para>
      <para>verwezen is, samengevat, het volgende betoogd:</para>
      <para>- de Anw ontbeert een behoorlijke overgangsregeling voor gevallen</para>
      <para>als het onderhavige en moet daarom deels als onrechtmatige</para>
      <para>regelgeving worden beschouwd;</para>
      <para>- ook wetten in formele zin moeten voldoen aan in het</para>
      <para>internationaal rechtsbewustzijn levende beginselen van</para>
      <para>evenredigheid, gebrek aan willekeur en gelijkheid; verwezen is</para>
      <para>in dat verband naar o.m. de Universele Verklaring van de rechten</para>
      <para>van de mens.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat hij bij zijn beoordeling van de</para>
      <para>rechtmatigheid van gedaagdes besluit geen rekening houdt met</para>
      <para>hypothetische situaties. Dat appellante mogelijk een ander,</para>
      <para>positief, besluit zou hebben ontvangen als zij in 1993 van tafel</para>
      <para>en bed was gescheiden, kan daarom in dit geding geen gewicht in</para>
      <para>de schaal leggen.</para>
      <para>Voorzover namens appellante bedoeld is te betogen dat de</para>
      <para>Universele Verklaring van de rechten van de mens, middels de</para>
      <para>verwijzing daarnaar in het Europees Verdrag inzake de rechten van</para>
      <para>de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), toetsing van de wet</para>
      <para>in formele zin aan de Grondwet mogelijk maakt, wijst de Raad erop</para>
      <para>dat die Universele Verklaring niet kan worden aangemerkt als een</para>
      <para>verdrag in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet,</para>
      <para>zodat zij niet het toetsingsverbod van artikel 120 van de</para>
      <para>Grondwet vermag te doorbreken (vgl. CRvB  d.d. 9 juni 1995,</para>
      <para>reg.nr AAW/WAO 1994/636). In aansluiting daarop overweegt de Raad</para>
      <para>van oordeel te zijn dat hij evenmin de wet mag toetsen aan</para>
      <para>beginselen van behoorlijke regelgeving (vgl. HR 14 april 1989,</para>
      <para>AB 1989, 207, Harmonisatiewetarrest).</para>
      <para>Ook overigens heeft de Raad in het betoog namens appellante geen</para>
      <para>grondslag gevonden voor een toetsing van het bepaalde in artikel</para>
      <para>4 van de Anw aan enige daarmee strijdige rechtsnorm.</para>
      <para>Wel merkt de Raad nog op, dat de alimentatieverplichting van de</para>
      <para>ex-echtgenoot in artikel 4 Anw de uitdrukking is van het meer</para>
      <para>algemene aan de Anw ten grondslag liggende beginsel dat slechts</para>
      <para>een rechtsgrond voor nabestaanden-uitkering aanwezig is in geval</para>
      <para>de nabestaande daadwerkelijk financieel afhankelijk was van de</para>
      <para>overledene. In zoverre kan aan die voorwaarde een objectief</para>
      <para>gerechtvaardigd karakter niet worden ontzegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad concludeert tot bevestiging van de aangevallen uitspraak.</para>
      <para>Er zijn geen termen voor een veroordeling in de proceskosten op</para>
      <para>de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en</para>
      <para>mr F.P. Zwart en mr T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid</para>
      <para>van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het</para>
      <para>openbaar op 1 maart 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) N.J. Haverkamp.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.J.B. van der Putten.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>IS</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>