<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8714</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T20:16:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8714</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-03-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/7381 ZFW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002520&amp;artikel=3&amp;g=2000-03-31">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002520&amp;artikel=3&amp;g=2000-03-31">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002460&amp;artikel=8&amp;g=2000-03-31">Ziekenfondswet 8</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2000, 263</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/129</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8714">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8714</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8714 Centrale Raad van Beroep , 31-03-2000 / 98/7381 ZFW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8714:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8714:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/7381 ZFW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de onderlinge waarborgmaatschappij Onderlinge Verzekeringsmaatschappij Univé</para>
      <para>Zorgverzekeraar u.a., gevestigd te Alkmaar, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met een brief van van 28 augustus 1997 heeft gedaagde geweigerd de door appellante</para>
      <para>gemaakte kosten terzake van een medische behandeling in Duitsland te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft naar aanleiding van het namens appellante tegen voormeld</para>
      <para>ingediend bezwaarschrift bij besluit van 25 maart 1998 dit standpunt gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Zutphen heeft het tegen dat besluit ingestelde</para>
      <para>beroep bij uitspraak van 17 september 1998 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante heeft mr L.E. de Geer, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand</para>
      <para>Verzekeringmaatschappij N.V., tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift met bijlagen ingediend.</para>
    <para />
    <para>Namens partijen zijn nadere stukken ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 februari</para>
      <para>2000, waar partijen (na voorafgaand schriftelijk bericht) niet zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagde met het bestreden besluit</para>
      <para>terecht en op goede gronden heeft geweigerd de kosten van de medische</para>
      <para>behandeling die appellante in Duitsland heeft ondergaan te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat appellante in</para>
      <para>juni 1997 en in juli 1997 in Nederland een operatie heeft ondergaan in</para>
      <para>verband met borstkanker. In plaats van de normale nabehandeling bij een</para>
      <para>ingreep als deze, bestaande uit postoperatieve radiotherapie, die ook door de</para>
      <para>behandelende artsen aan appellante is geadviseerd, heeft appellante gekozen</para>
      <para>voor een zogenoemde biologische behandeling bestaande uit een streng dieet en</para>
      <para>het toedienen van een aantal medicijnen. Deze behandeling wordt gegeven door</para>
      <para>Dr.med. Waltraut Fryda, te Kreuth in Duitsland. Appellante heeft ongeveer</para>
      <para>zeven weken deze behandeling met succes bij dokter Fryda in haar instituut</para>
      <para>gevolgd. Daarna moest zij thuis nog bij die behandeling voorgeschreven</para>
      <para>medicijnen gebruiken, welke vervolgbehandeling wel door gedaagde is vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van appellante heeft primair als grief naar voren gebracht dat</para>
      <para>de biologische behandeling door dokter Fryda, anders dan de rechtbank in de</para>
      <para>aangevallen uitspraak heeft overwogen, aangemerkt dient te worden als een</para>
      <para>verstrekking in de zin van de Ziekenfondswet (ZFW). Appellante heeft daarbij</para>
      <para>stukken overgelegd ter informatie over de inhoud van de behandeling en ter</para>
      <para>ondersteuning van haar standpunt dat de haar behandelend artsen in Nederland</para>
      <para>deze behandeling als een zinvol alternatief zagen en dat deze behandeling</para>
      <para>wetenschappelijk is bewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde is in het verweerschrift onder andere aangevoerd dat de</para>
      <para>behandeling van dokter Fryda geen verstrekking is in de zin van de ZFW, omdat</para>
      <para>het een behandeling is die niet gebruikelijk is in de kring der</para>
      <para>beroepsgenoten. Tevens is aangevoerd dat niet is gebleken dat deze</para>
      <para>behandeling gebruikelijk is in de kring der Duitse beroepsgenoten en dat</para>
      <para>dokter Fryda zelf aangeeft dat haar behandelingsmethode "nicht erkannt ist".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geschil spitst zich eerst toe op de vraag of de behandeling, die</para>
      <para>appellante in Duitsland heeft ondergaan, een verstrekking is die op grond van</para>
      <para>artikel 3, onder a en b, van het Verstrekkingenbesluit Ziekenfondsverzekering</para>
      <para>voor vergoeding in aanmerking komt. Daarvoor is op grond van laatstgenoemd</para>
      <para>artikel maatgevend of die behandeling kan worden aangemerkt als "in de kring</para>
      <para>van beroepsgenoten gebruikelijk".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat ten aanzien van voormeld begrip beroepsgenoten</para>
      <para>overeenkomstig vaste rechtspraak moet worden uitgegaan van de beroepsgenoten</para>
      <para>in Nederland, waarbij de Raad ervan uit gaat dat deze zich beroepshalve op de</para>
      <para>hoogte stellen van zich elders voordoende ontwikkelingen op hun vakgebied.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarvan uitgaande is de Raad op grond van de beschikbare gegevens, waaronder</para>
      <para>met name de brief d.d. 3 maart 1999 van F.J.P. Hoebers, arts-assistent</para>
      <para>radiotherapie en dr E.J.Th. Rutgers, chirurg, beiden werkzaam bij het</para>
      <para>Nederlands Kanker Instituut/Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis te Amsterdam</para>
      <para>(waar appellante in 1997 medisch is behandeld) alsmede de brief d.d. 18</para>
      <para>februari 1998 van Dr.med. W. Fryda, van oordeel dat voormelde vraag</para>
      <para>ontkennend moet worden beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit deze stukken blijkt dat voormelde artsen van het Nederlands Kanker</para>
      <para>Instituut niet afwijzend staan tegen de door appellante gewenste biologische</para>
      <para>behandeling, maar dat zij wegens het ontbreken van (wetenschappelijk) bewijs</para>
      <para>over de werking van deze behandeling, op medische gronden geen indicatie zien</para>
      <para>om deze behandeling in geval van borstkanker voor te schrijven, alsmede dat</para>
      <para>voormelde behandelend arts in Duitsland aangeeft dat haar biologische</para>
      <para>behandeling (in februari 1998) nog geen (in Duitsland) erkende therapie was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door appellante in hoger beroep als produktie 4 bij het aanvullend</para>
      <para>beroepschrift in het geding gebrachte stukken (ter ondersteuning van haar</para>
      <para>standpunt dat de biologische behandeling wel degelijk wetenschappelijk is</para>
      <para>bewezen) hebben in het licht van de overige beschikbare gegevens niet kunnen</para>
      <para>leiden tot een ander oordeel van de Raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de litigieuze behandeling niet als verstrekking ingevolge de ZFW kan</para>
      <para>worden aangemerkt en reeds om die reden niet voor vergoeding op grond van de</para>
      <para>ZFW in aanmerking komt, behoeft de namens appellante in dit geding tevens aan</para>
      <para>de orde gestelde vraag of - kort gezegd - appellante op grond van artikel 60</para>
      <para>van het EG-verdrag recht had op een verstrekking in Duitsland, geen verdere bespreking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat de aangevallen</para>
      <para>uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in</para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en mr D.J. van der Vos en</para>
      <para>mr R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr M. van 't Klooster als</para>
      <para>griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para>(get.) M. van 't Klooster.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>1703</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>