<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8700</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T05:01:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8700</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-03-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/3719 ALGEM</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:4&amp;g=2000-03-03">Algemene wet bestuursrecht 3:4</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=12&amp;g=2000-03-03">Coördinatiewet Sociale Verzekering 12</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=12&amp;g=2000-03-03">Coördinatiewet Sociale Verzekering 12</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=12&amp;g=2000-03-03">Coördinatiewet Sociale Verzekering 12</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2000, 162 met annotatie van H.E. Bröring</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/114 met annotatie van Mr. A. Moesker</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8700">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8700</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8700 Centrale Raad van Beroep , 03-03-2000 / 98/3719 ALGEM</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8700:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8700:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/3719 ALGEM</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. mr A (hierna: A)</para>
      <para>2. mr B (hierna: B), voorheen vennoten van de maatschap "A en B</para>
      <para>Advocaten" te C, gedaagden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de</para>
      <para>plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige</para>
      <para>geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel</para>
      <para>en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder appellant</para>
      <para>tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 maart 1997 heeft appellant ongegrond</para>
      <para>verklaard de bezwaren van gedaagden tegen het besluit van 6</para>
      <para>oktober 1994, waarbij het niet tijdig inzenden van de</para>
      <para>jaaropgave over 1993 is geregistreerd als een derde verzuim en</para>
      <para>waarbij in verband hiermede een boete is opgelegd van f</para>
      <para>20.195,--, zijnde 100% van het ambtshalve vastgestelde bedrag</para>
      <para>aan verschuldigde premies over 1993.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij</para>
      <para>uitspraak van 18 maart 1998 het door gedaagden ingestelde</para>
      <para>beroep tegen dit besluit gegrond verklaard, dit besluit</para>
      <para>vernietigd, bepaald dat de boete f 1.000,-- bedraagt,</para>
      <para>appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde ten</para>
      <para>bedrage van f 1.420,-- en bepaald dat appellant het door</para>
      <para>gedaagden betaalde griffierecht vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van</para>
      <para>18 november 1998 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de</para>
      <para>Raad in hoger beroep gekomen. Daarbij is de Raad verzocht de</para>
      <para>uitspraak, waarvan beroep, te vernietigen en het besluit van 4</para>
      <para>maart 1997 te bevestigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 29 december 1999 heeft B, thans advocaat te</para>
      <para>'s-Gravenhage, de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te</para>
      <para>bevestigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20</para>
      <para>januari 2000, waar voor appellant is verschenen</para>
      <para>mr P.G. Koch, werkzaam bij Gak Nederland B.V, en waar gedaagden</para>
      <para>niet zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A en B waren tot 1998 de vennoten van de maatschap "A en B</para>
      <para>Advocaten" te C. In 1994 heeft appellant wederom moeten</para>
      <para>constateren dat de maatschap had verzuimd de jaaropgave</para>
      <para>-ditmaal over 1993- in te dienen. Appellant heeft ambtshalve</para>
      <para>het door gedaagden verschuldigde bedrag aan premies vastgesteld</para>
      <para>op f 20.195,--. Voorts heeft gedaagde bij besluit van 6 oktober</para>
      <para>1994 het verzuim als derde verzuim geregistreerd en met</para>
      <para>inachtneming van het besluit Administratieve Boeten</para>
      <para>Coördinatiewet (hierna: ABC-Besluit) en zijn op dit besluit</para>
      <para>gebaseerde beleid een boete als bedoeld in artikel 12 van de</para>
      <para>Coördinatiewet Sociale Verzekering (CwSV) opgelegd van 100% van</para>
      <para>het ambtshalve vastgestelde bedrag aan verschuldigde premies</para>
      <para>over 1993. Nadien is alsnog van de zijde van gedaagden opgave</para>
      <para>gedaan over 1993, welke opgave heeft geleid tot een</para>
      <para>correctienota van 19 september 1995. Het totaal verschuldigde</para>
      <para>bedrag aan premies is bij die nota vastgesteld op f 31.694,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit van 4 maart 1997 heeft appellant zijn</para>
      <para>besluit van 6 oktober 1994 gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding moet de vraag worden beantwoord of het bestreden</para>
      <para>besluit voor wat betreft de daarbij gehandhaafde boete in</para>
      <para>rechte stand kan houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft deze vraag bij de aangevallen</para>
      <para>uitspraak ontkennend beantwoord. Bij deze uitspraak, waarin</para>
      <para>gedaagden zijn aangeduid als eisers en appellant als</para>
      <para>verweerder, heeft de rechtbank onder meer het volgende</para>
      <para>overwogen:</para>
      <para>"Aangaande de door eisers betrokken stelling dat de opgelegde</para>
      <para>boete ter hoogte van f 20.195,-- niet in redelijke verhouding</para>
      <para>staat tot de ernst en verwijtbaarheid van het verzuim,</para>
      <para>overweegt de rechtbank overeenkomstig de terzake constante</para>
      <para>jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie</para>
      <para>bijvoorbeeld zijn uitspraak van 11 maart 1992, gepubliceerd in</para>
      <para>RSV 1992/258, en die van 23 januari 1997, RSV 1997/108), dat op</para>
      <para>verhogingen als de onderhavige het evenredigheidsbeginsel dient</para>
      <para>te worden toegepast. Conform die jurisprudentie dient per</para>
      <para>geval, gelet op alle feiten en omstandigheden, binnen de</para>
      <para>grenzen van het ABC-Besluit gefixeerde percentages, telkens</para>
      <para>nader getoetst te worden of de op te leggen verhoging in</para>
      <para>absolute zin niet tot een onevenredige sanctie leidt.</para>
      <para>De rechtbank leidt uit deze rechtspraak onder andere af, dat de</para>
      <para>CRvB bij het bepalen van de ernst van het gepleegde verzuim</para>
      <para>laat meewegen of het uitvoeringsorgaan als gevolg van dat</para>
      <para>verzuim premienadeel heeft ondervonden.</para>
      <para>Het is de rechtbank gebleken, dat verweerder ingevolge artikel</para>
      <para>12, eerste lid, van de CwSV op</para>
      <para>29 september 1994 de verschuldigde premie ambtshalve heeft</para>
      <para>vastgesteld en dat hij de hoogte van die ambtshalve</para>
      <para>vastgestelde premie heeft gebaseerd op het bedrag van de</para>
      <para>voorschotnota, welk bedrag door eisers inmiddels al volledig</para>
      <para>was voldaan.</para>
      <para>Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank gegeven, dat</para>
      <para>verweerder niet is benadeeld, althans niet ten tijde van de</para>
      <para>ambtshalve premievaststelling.</para>
      <para>In het licht van vorenvermelde rechtspraak van de CRvB kan de</para>
      <para>rechtbank derhalve tot geen andere conclusie komen, dan dat</para>
      <para>verweerder met het met onverkorte toepassing van het</para>
      <para>ABC-Besluit en de daarop gebaseerde beleidsregels opleggen van</para>
      <para>een boete van 100% van de ambtshalve vastgestelde premie van</para>
      <para>f 20.195,--, in strijd is gekomen met het</para>
      <para>evenredigheidsbeginsel.</para>
      <para>De rechtbank acht voor een verzuim als hier aan de orde,</para>
      <para>waarbij van benadeling van verweerder op het moment van de</para>
      <para>ambtshalve premievaststelling geen sprake was, een boete van f</para>
      <para>1.000,-- in overeenstemming met de evenredigheid. Dat bedrag</para>
      <para>biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende compensatie</para>
      <para>voor de ten laste van verweerder gebleven kosten verband</para>
      <para>houdend met de administratieve afwikkeling van de</para>
      <para>verzuimprocedure."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant kan zich hierin niet vinden. Van zijn kant is</para>
      <para>allereerst aangevoerd dat in de van toepassing zijnde</para>
      <para>regelgeving ligt besloten het uitgangspunt dat de hoogte van de</para>
      <para>boete dient te worden afgestemd op de omvang van het bedrag dat</para>
      <para>met het gepleegde verzuim is gemoeid en dat hiermede bij de</para>
      <para>aangevallen uitspraak en in feite ook bij 's Raads uitspraak</para>
      <para>van 23 januari 1997 geen, althans onvoldoende rekening is</para>
      <para>gehouden. Daarbij heeft appellant gesteld dat ook in het</para>
      <para>commune strafrecht het kan voorkomen dat een qua aard ernstig</para>
      <para>maar qua omvang gering delict minder zwaar wordt bestraft dan</para>
      <para>een minder ernstig maar omvangrijker delict. Voorts is</para>
      <para>appellant van mening dat slechts beperkte betekenis dient te</para>
      <para>worden toegekend aan de vraag of er ten gevolge van de te late</para>
      <para>indiening van de jaaropgave premienadeel is geleden. Daarbij is</para>
      <para>erop gewezen dat in gevallen als het onderwerpelijke veelal de</para>
      <para>ambtshalve vaststelling van de verschuldigde premies geschiedt</para>
      <para>aan de hand van de voorschotnota's en zich dus in zoverre geen</para>
      <para>premienadeel zal voordoen. Een boete van f 1.000,-- als door de</para>
      <para>rechtbank is bepaald acht appellant ook overigens in geen</para>
      <para>verhouding staan tot het gepleegde verzuim. Naar zijn mening</para>
      <para>kan van inscherping van de norm dat de jaaropgaven tijdig</para>
      <para>moeten worden ingediend nog nauwelijks sprake zijn, wanneer een</para>
      <para>werkgever tot de conclusie kan komen dat hij voor niet meer dan</para>
      <para>f 1.000,-- per keer zelfs geheel van het indienen van</para>
      <para>jaaropgaven kan afzien. Ook al moet worden aangenomen dat een</para>
      <para>boete van f 20.195,-- te hoog is, zulks neemt naar de mening</para>
      <para>van appellant niet weg dat een boete van f 1.000,-- te laag is.</para>
      <para>Daarbij is er ter zitting van de Raad op gewezen dat, gelet op</para>
      <para>zijn Besluit toepassing administratieve boeten Coördinatiewet</para>
      <para>Sociale Verzekering van 24 juni 1998, Stcrt 1998, 123, thans</para>
      <para>een boete zou zijn opgelegd van f 3.169,--, zijnde 10% van de</para>
      <para>over 1993 verschuldigde premies, zoals vermeld in de</para>
      <para>correctienota van 19 september 1995.</para>
      <para>Ter zitting is er van de zijde van appellant ook nog op gewezen</para>
      <para>dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte een</para>
      <para>proceskostenveroordeling heeft uitgesproken, omdat A die in</para>
      <para>eerste aanleg de maatschap vertegenwoordigde niet kan worden</para>
      <para>aangemerkt als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand</para>
      <para>verleent aan de maatschap.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij haar in rubriek I vermelde brief van 29 december 1999 heeft</para>
      <para>B de persoonlijke en zakelijke omstandigheden uiteengezet,</para>
      <para>waaronder zij en A werkzaam waren. Daarbij is er onder meer op</para>
      <para>gewezen dat laatstgenoemde binnen de maatschap de administratie</para>
      <para>verzorgde. Een boete van meer dan f 1.000,-- acht B in strijd</para>
      <para>met de evenredigheid, waarbij zij erop heeft gewezen dat, gelet</para>
      <para>op de situatie waarin A thans verkeert, zij uiteindelijk de</para>
      <para>boete zal moeten betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt dienaangaande het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij zijn uitspraak van 11 maart 1992, RSV 1992/258, heeft de</para>
      <para>Raad overwogen dat, niettegenstaande het gegeven dat zowel</para>
      <para>artikel 12, tweede lid, van de CwSV als het op het derde lid</para>
      <para>van die bepaling berustende ABC-Besluit de vast te stellen</para>
      <para>verhogingen in percentuele zin voor de daar genoemde</para>
      <para>categorieën fixeren, de sanctie van een verhoging op grond van</para>
      <para>artikel 12 van de CwSV als onontkoombare eis van behoorlijk</para>
      <para>bestuur in evenredigheid met de ernst en verwijtbaarheid van</para>
      <para>het gesanctioneerde handelen dient te worden vastgesteld, zodat</para>
      <para>per geval, gelet op alle van belang zijnde feiten en</para>
      <para>omstandigheden, binnen de - grenzen van de - in de regelgeving</para>
      <para>gefixeerde (maximale) percentages telkens nader getoetst dient</para>
      <para>te worden of de verhoging in absolute zin niet tot een</para>
      <para>onevenredige sanctie leidt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij zijn uitspraak van 23 januari 1997, RSV 1997/108 en USZ</para>
      <para>1997/58, heeft de Raad met betrekking tot een geval als het</para>
      <para>onderwerpelijke, waarin een boete van 100% van de ambtshalve</para>
      <para>vastgestelde premie was opgelegd conform de in dat geval</para>
      <para>gehanteerde beleidsregels, geoordeeld dat deze beleidsregels</para>
      <para>niet onverkort konden worden toegepast. Deze beleidsregels</para>
      <para>laten de mogelijkheid open dat een werkgever die drie keer een</para>
      <para>verzuim pleegt door niet tijdig de jaaropgavekaarten in te</para>
      <para>zenden, en waarbij het om een hoge loonsom gaat, voor een</para>
      <para>dergelijke reeks verzuimen een zeer hoge bestuurlijke boete</para>
      <para>opgelegd wordt, zelfs indien door de verzuimen het</para>
      <para>uitvoeringsorgaan niet wordt benadeeld, omdat de ambtshalve</para>
      <para>vastgestelde premie door middel van voorschotnota's al volledig</para>
      <para>was betaald. Deze beleidsregels laten verder de mogelijkheid</para>
      <para>open dat aan een dergelijke werkgever een hogere boete wordt</para>
      <para>opgelegd dan aan een werkgever die bij de jaaropgavekaarten wel</para>
      <para>een deel van de loonsom verantwoordt, maar een deel van de</para>
      <para>loonsom opzettelijk verzwijgt, daar in zo'n geval zelfs bij</para>
      <para>recidive alleen maximaal een boete ter hoogte van de ontgane</para>
      <para>(voorschot)premie wordt opgelegd. Vervolgens heeft de Raad</para>
      <para>geoordeeld dat een boete van</para>
      <para>f 1.000,--, in het bijzonder vanwege het ontbreken van</para>
      <para>benadeling, in overeenstemming is met de evenredigheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen de Raad in zijn uitspraak van 23 januari 1997 heeft</para>
      <para>overwogen omtrent een boete als aan gedaagden opgelegd, dient</para>
      <para>in het licht van zijn uitspraak van 11 maart 1992 te worden</para>
      <para>verstaan, in het bijzonder in het licht van de daarin</para>
      <para>neergelegde maatstaf dat een sanctie in overeenstemming dient</para>
      <para>te zijn met de ernst en de verwijtbaarheid van het</para>
      <para>gesanctioneerde handelen of nalaten. Naar het oordeel van de</para>
      <para>Raad dient deze maatstaf nog onverkort te gelden. In het licht</para>
      <para>hiervan heeft appellant de Raad er niet van kunnen overtuigen</para>
      <para>dat het ten derde male niet tijdig verstrekken van de</para>
      <para>jaaropgave dermate ernstig en verwijtbaar is dat zulks moet</para>
      <para>leiden tot een boete als gehandhaafd bij het bestreden besluit.</para>
      <para>De Raad blijft van oordeel dat met name de ernst van zodanige</para>
      <para>gedraging bij gebreke van bijkomende verzwarende omstandigheden</para>
      <para>een boete van 100% van het ambtshalve vastgestelde bedrag aan</para>
      <para>premies in zijn algemeenheid en ook in het geval van gedaagden</para>
      <para>niet rechtvaardigt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat ook de Raad de in dit geding te</para>
      <para>beantwoorden vraag ontkennend beantwoordt. In zoverre slaagt</para>
      <para>het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor</para>
      <para>bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de hoogte van de boete, zoals bepaald door</para>
      <para>de rechtbank, overweegt de Raad het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met appellant is de Raad van mening dat, anders dan hij in zijn</para>
      <para>uitspraak van 23 januari 1997 heeft overwogen, voor het</para>
      <para>antwoord op de vraag welke boete nog wel in overeenstemming kan</para>
      <para>worden geacht met de evenredigheid, niet van wezenlijke</para>
      <para>betekenis is of er sprake is van premienadeel. Het niet tijdig</para>
      <para>indienen van de jaaropgave beschouwt de Raad thans als een op</para>
      <para>zichzelf staand verzuim. In dit geval, waarin sprake is van een</para>
      <para>derde verzuim, acht ook de Raad een sanctie van f 1.000,-- te</para>
      <para>laag gelet op de met het tijdig indienen van een jaaropgave te</para>
      <para>dienen belangen. Mede gelet op appellants huidige</para>
      <para>beleidsregels, in het bijzonder artikel 12, vierde lid, van</para>
      <para>voormeld Besluit toepassing administratieve boeten</para>
      <para>Coördinatiewet Sociale Verzekering acht de Raad een boete van f</para>
      <para>3.169,-- onder de gegeven omstandigheden niet onevenredig. In</para>
      <para>hetgeen door B is aangevoerd, in het bijzonder met betrekking</para>
      <para>tot de interne werkverdeling binnen de maatschap en de</para>
      <para>persoonlijke omstandigheden die een rol speelden en spelen,</para>
      <para>ziet de Raad geen grond voor een andersluidend oordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor wat</para>
      <para>betreft de hoogte van de boete niet in stand kan blijven. De</para>
      <para>Raad zal doen wat de rechtbank naar zijn oordeel had behoren te</para>
      <para>doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is voorts van oordeel dat, nu A niet kan worden</para>
      <para>beschouwd als een derde die rechtsbijstand heeft verleend, de</para>
      <para>rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte toepassing</para>
      <para>heeft gegeven aan artikel 8:75 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb). Ook in zoverre komt de aangevallen</para>
      <para>uitspraak voor vernietiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het voorgaande is tevens gegeven dat ook in hoger beroep</para>
      <para>geen termen aanwezig zijn om toepassing te geven aan het</para>
      <para>bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt tot slot vast dat van appellant een recht van f</para>
      <para>675,-- dient te worden geheven.</para>
      <para>III. BESLISSING</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij is</para>
      <para>bepaald dat de boete f 1.000,-- bedraagt en voorzover</para>
      <para>daarbij appellant is veroordeeld in de proceskosten van</para>
      <para>gedaagde;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Bepaalt dat de hoogte van de boete f 3.169,-- bedraagt;</para>
      <para>Verstaat dat van appellant een recht van f 675,- wordt geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr R.C. Schoemaker als voorzitter en mr G.</para>
      <para>van der Wiel en mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in</para>
      <para>het openbaar op 2 maart 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) R.C. Schoemaker.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) R.E. Lysen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>2302</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>