<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8679</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8679</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-03-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/4445 AOW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002221&amp;artikel=3&amp;g=2000-03-01">Algemene Ouderdomswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002221&amp;artikel=6&amp;g=2000-03-01">Algemene Ouderdomswet 6</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8679">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8679</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8679 Centrale Raad van Beroep , 01-03-2000 / 98/4445 AOW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8679:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8679:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/4445 AOW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 9 januari 1996 heeft gedaagde aan appellant</para>
      <para>met ingang van 1 november 1995 een ouderdomspensioen ingevolge</para>
      <para>de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend, ter hoogte van 78%</para>
      <para>van het volledige pensioen voor een gehuwde met een partner</para>
      <para>jonger dan 65 jaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het thans bestreden besluit van 21 november 1996 is het</para>
      <para>bezwaar tegen het besluit van 9 januari 1996 ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak</para>
      <para>van 4 mei 1998 het beroep tegen het bestreden besluit</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is J.P. van Woerkom, algemeen secretaris van</para>
      <para>Union Iberica, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde</para>
      <para>gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2</para>
      <para>februari 2000, alwaar appellant in persoon is verschenen en</para>
      <para>waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr G.E.</para>
      <para>Eind, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is geboren in 1930 op Kaapverdië. Tot 1980 had hij</para>
      <para>de Portugese nationaliteit, daarna de Kaapverdische en thans</para>
      <para>heeft hij de Nederlandse nationaliteit. Hij is zeevarende</para>
      <para>geweest, sedert mei 1979 staat hij ingeschreven in het</para>
      <para>bevolkingsregister in Nederland en op</para>
      <para>3 oktober 1980 is hij getrouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een korting van 22% op het AOW-pensioen</para>
      <para>toegepast omdat appellant niet verzekerd wordt geacht voor de</para>
      <para>AOW van 1 januari 1957 tot 1 juni 1968 en van</para>
      <para>9 september 1970 tot en met 11 maart 1971. Aan deze korting</para>
      <para>ligt onder meer ten grondslag dat appellant, als buitenlandse</para>
      <para>zeevarende die heeft gewoond aan boord van een schip met een</para>
      <para>thuishaven in Nederland, in de periode tot 1 juni 1968</para>
      <para>uitgesloten was van de verzekering voor de AOW. Ten aanzien</para>
      <para>van de periode van 9 september 1970 tot en met</para>
      <para>11 maart 1971 heeft appellant niet gevaren en was hij evenmin</para>
      <para>in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever, aldus</para>
      <para>gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechtbank heeft dit standpunt onderschreven.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant kan zich niet met de toegepaste korting verenigen en</para>
      <para>heeft daartoe aangevoerd dat er tussen 1957 en 1968 premie</para>
      <para>voor de AOW op zijn loon is ingehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzekerd ingevolge de AOW is, blijkens artikel 6, eerste lid,</para>
      <para>van de AOW, degene die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft</para>
      <para>bereikt, en ingezetene is, of geen ingezetene is, maar ter</para>
      <para>zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan</para>
      <para>de loonbelasting is onderworpen. Ingevolge het tweede lid van</para>
      <para>artikel 6 AOW, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, kan</para>
      <para>bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in afwijking</para>
      <para>van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden</para>
      <para>gegeven aan de kring der verzekerden.</para>
      <para>Ingezetene is degene die, naar de omstandigheden beoordeeld,</para>
      <para>in Nederland woont.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het tweede lid van artikel 3 van de AOW is onder meer</para>
      <para>bepaald dat schepen welke hun thuishaven in Nederland hebben,</para>
      <para>ten opzichte van de bemanning als deel van Nederland worden</para>
      <para>beschouwd.</para>
      <para>Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad der Nederlanden en</para>
      <para>de Raad dient deze bepaling aldus te worden uitgelegd, dat</para>
      <para>alleen zeevarenden ten aanzien van wie, beoordeeld naar de</para>
      <para>omstandigheden, geen woonplaats aan de vaste wal is aan te</para>
      <para>wijzen, aan boord van het schip wonen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op zijn aanvraag om een AOW-pensioen</para>
      <para>aangegeven dat hij tot 1980, het jaar waarin hij is getrouwd,</para>
      <para>woonde aan boord van de schepen waarop hij werkte. Nu er ten</para>
      <para>aanzien van appellant niet is gebleken van omstandigheden aan</para>
      <para>de hand waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat hij tot</para>
      <para>1980 aan de vaste wal woonde, moet worden geoordeeld dat hij</para>
      <para>woonde aan boord van de schepen waarop hij werkzaam was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten tijde van belang waren de navolgende, op het tweede lid</para>
      <para>van artikel 6 van de AOW berustende, Besluiten van kracht: het</para>
      <para>Besluit van 20 december 1956, Stb. 624 (Besluit 624), het</para>
      <para>Besluit van 10 juli 1959, Stb. 230 (Besluit 230), het Besluit</para>
      <para>van 17 januari 1963, Stb. 24 (Besluit 24) en het Besluit van</para>
      <para>18 oktober 1968, Stb. 575 (Besluit 575). Ingevolge artikel 2,</para>
      <para>sub j, van Besluit 624, artikel 2, sub k, van Besluit 230,</para>
      <para>artikel 2, sub k, van Besluit 24 en artikel 2, sub m, van</para>
      <para>Besluit 575, wordt niet als verzekerde in de zin van onder</para>
      <para>meer de AOW aangemerkt de vreemdeling, die deel uitmaakt van</para>
      <para>de bemanning van een zeevaartuig, dat binnen het Rijk zijn</para>
      <para>thuishaven heeft, mits hij woont aan boord van dat vaartuig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien voor appellant geen woonplaats aan de vaste wal was</para>
      <para>aan te wijzen, woonde hij aan boord van de schepen waarop hij</para>
      <para>werkte. Dit betrof vanaf 1959 schepen die in Nederland hun</para>
      <para>thuishaven hadden. Aangezien appellant destijds nog niet de</para>
      <para>Nederlandse nationaliteit had, hebben voornoemde bepalingen</para>
      <para>tot gevolg dat hij tot 1 juni 1968 niet verzekerd was voor de</para>
      <para>AOW. Dat dit toentertijd strijdig zou zijn geweest met enige</para>
      <para>internationaal-rechtelijke bepaling, is de Raad niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingaande 1 juni 1968 is in werking getreden het Verdrag inzake</para>
      <para>sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de</para>
      <para>Republiek Portugal, Trb. 1966, 294. Ingevolge het bepaalde in</para>
      <para>artikel 6, tweede lid, van dat Verdrag is vanaf dat moment de</para>
      <para>Nederlandse wetgeving van toepassing op leden van de bemanning</para>
      <para>van een zeeschip, mits het zeeschip in Nederland is</para>
      <para>ingeschreven. Dat betekent dat appellant in ieder geval vanaf</para>
      <para>1 juni 1968, zolang hij deel uitmaakte van de bemanning van in</para>
      <para>Nederland ingeschreven zeeschepen, verzekerd was voor de AOW.</para>
      <para>Met betrekking tot de periode van 9 september 1970 tot en met</para>
      <para>11 maart 1971 is de Raad niet gebleken dat appellant in dienst</para>
      <para>was van een Nederlandse rederij of aangemonsterd was aan boord</para>
      <para>van een in Nederland ingeschreven zeeschip. Nu voorts niet is</para>
      <para>gebleken dat appellant in deze periode in Nederland woonde of</para>
      <para>werkte, is de Raad van oordeel dat gedaagde voor deze periode</para>
      <para>terecht een korting heeft toegepast op het AOW-pensioen van</para>
      <para>appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tot slot overweegt de Raad nog dat niet is gebleken dat er</para>
      <para>vóór 1 juni 1968 premies voor de AOW zijn ingehouden op het</para>
      <para>salaris van appellant, waarbij de Raad opmerkt dat, zo dat wel</para>
      <para>het geval zou zijn geweest, dit nog niet betekent dat</para>
      <para>appellant dan verzekerd zou zijn geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande heeft tot gevolg dat de aangevallen uitspraak</para>
      <para>dient te worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het</para>
      <para>bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht</para>
      <para>inzake een vergoeding van proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt dan ook als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
      <para>Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en</para>
      <para>mr F.P. Zwart en mr T.L. de Vries als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) N.J. Haverkamp.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.J.B. van der Putten.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>IS</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>