<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8676</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8676</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-02-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/1517 WUV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002844&amp;artikel=20&amp;g=2000-02-17">Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 20</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8676">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8676</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-06-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8676 Centrale Raad van Beroep , 17-02-2000 / 98/1517 WUV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8676:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verhuis- en herinrichtingskosten; medische noodzaak; eenmaligheid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8676:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>E N K E L V O U D I G E  K A M E R</para>
    <para />
    <para />
    <para>98/1517 WUV</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A te B, eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder dagtekening 14 januari 1998, kenmerk A 62747/BZ 35516/98/9, heeft</para>
      <para>verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet</para>
      <para>uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als gemachtigde van eiser heeft mr A.H. Punt-Koopmans, advocaat te Leeuwarden,</para>
      <para>tegen dat besluit bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is</para>
      <para>aangegeven waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting op 6 januari 2000. Aldaar is eiser</para>
      <para>verschenen bij mr Punt-Koopmans voornoemd als zijn gemachtigde, terwijl</para>
      <para>verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr A.M. Krol, werkzaam bij de</para>
      <para>Pensioen- en Uitkeringsraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers</para>
      <para>1940-1945, verder te noemen: de Wet. Op grond van invaliderende psychische</para>
      <para>klachten is hem ingevolge de Wet met ingang van 1 januari 1982 een periodieke</para>
      <para>uitkering toegekend. Tevens is hij voor enige bijzondere voorzieningen ingevolge</para>
      <para>de Wet in aanmerking gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beslissing van 15 januari 1990 heeft de voormalige Uitkeringsraad aan eiser</para>
      <para>een gemaximeerde vergoeding toegekend voor de kosten verbonden aan diens</para>
      <para>repatriëring uit het in Duitsland gelegen Siegsdorf naar Nederland, waar eiser</para>
      <para>zich metterwoon vestigde in C.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een in februari 1993 ingediend verzoek van eiser om toekenning van een</para>
      <para>vergoeding van de verhuis- en herinrichtingskosten in verband met een verhuizing</para>
      <para>van C naar D heeft verweerster afgewezen bij besluit van 22 november 1993, zoals</para>
      <para>na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 juni 1994. Daarbij achtte verweerster</para>
      <para>uit de ingewonnen medische informatie niet gebleken van een voor deze</para>
      <para>verhuizing, op grond van de met de vervolging samenhangende ziekten of gebreken</para>
      <para>van eiser, strikte medische indicatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In mei 1997 heeft eiser zich opnieuw tot verweerster gewend met het verzoek om</para>
      <para>vergoeding van de kosten verbonden aan een voorgenomen verhuizing, thans van D</para>
      <para>naar B. Onder overlegging van een verklaring van zijn toenmalige huisarts W.F.</para>
      <para>Feijen te Julianadorp, heeft eiser aangegeven dat hij dreigt te vereenzamen door</para>
      <para>het gebrek aan sociale contacten in zijn woonplaats. In het deze aanvullende</para>
      <para>aanvraag begeleidende sociaal rapport heeft eiser daaraan toegevoegd dat zijn</para>
      <para>psychische klachten verergeren door het militair vertoon in zijn woonomgeving.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerster heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 22 augustus 1997, zoals</para>
      <para>na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat de</para>
      <para>verhuizing naar B niet strikt medisch geïndiceerd is. Daarbij is voorts</para>
      <para>overwogen dat de gevraagde voorziening op beleidsmatige gronden moet worden</para>
      <para>afgewezen, nu eiser al eerder een vergoeding voor verhuis- en</para>
      <para>herinrichtingskosten had ontvangen en zich in zijn geval geen zodanige</para>
      <para>omstandigheden voordoen, dat niettemin een vergoeding moet worden toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook in beroep is van de kant van eiser ingebracht dat hem weliswaar in het</para>
      <para>verleden in verband met zijn repatriëring van Duitsland naar Nederland een</para>
      <para>voorziening ingevolge de Wet is toegekend, maar dat deze voorziening niet gelijk</para>
      <para>staat aan een vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten. Voorts is</para>
      <para>gewezen op een reeds in de fase van bezwaar ingezonden verklaring van de</para>
      <para>huisarts Feijen voornoemd, waaruit naar de opvatting van eiser blijkt dat voor</para>
      <para>de verhuizing naar B een medische noodzaak bestaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad die de vraag heeft te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte</para>
      <para>kan standhouden, overweegt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vaststaat dat eiser in 1990 een vergoeding heeft ontvangen voor de kosten welke</para>
      <para>verband hielden met zijn repatriëring van Duitsland naar Nederland. Anders dan</para>
      <para>van de kant van eiser is bepleit, kan de Raad niet inzien dat de omstandigheden</para>
      <para>die destijds tot eisers repatriëring hebben geleid zodanig verschillen van die</para>
      <para>welke in het algemeen aan een medisch noodzakelijke verhuizing ten grondslag</para>
      <para>liggen, dat de aan eiser toegekende voorziening niet gelijk staat aan een</para>
      <para>vergoeding van de kosten van verhuizing en herinrichting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoewel de Raad, met name gelet op de aard van de onderhavige voorziening, oog</para>
      <para>heeft voor het uitgangspunt van verweerster dat een vergoeding van de kosten</para>
      <para>verbonden aan een medisch noodzakelijk geachte verhuizing in beginsel eenmalig</para>
      <para>wordt verstrekt, waarbij de gedachte is dat sprake is van een adequate</para>
      <para>verhuizing, wijst de Raad erop dat waar het gaat om de toepassing van artikel 20</para>
      <para>van de Wet, welk voorschrift ziet op een volledige vergoeding van extra, medisch</para>
      <para>noodzakelijk geachte, kosten, aan verweerster geen beleidsvrijheid toekomt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat de omstandigheid dat aan een vervolgde, aan wie eerder op grond</para>
      <para>van artikel 20 van de Wet een vergoeding van verhuis- en herinrichtingskosten is</para>
      <para>toegekend, en die zich op strikte medische gronden nadien opnieuw gesteld ziet</para>
      <para>voor een verhuizing, niet zonder meer kan worden voorgehouden dat de daaraan</para>
      <para>verbonden kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat al eerder een</para>
      <para>dergelijke voorziening is verstrekt. Voor zover de toepassing die verweerster</para>
      <para>met betrekking tot deze voorziening voor ogen staat, voldoende ruimte laat voor</para>
      <para>uitzonderingsgevallen in vorenbedoelde zin, acht de Raad een en ander</para>
      <para>verenigbaar met het bepaalde in artikel 20 van de Wet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat nu betreft het geval van eiser, heeft de Raad in de beschikbare medische</para>
      <para>gegevens onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat voor</para>
      <para>de verhuizing van D naar B een strikte medische noodzaak bestond. Ook de Raad</para>
      <para>heeft aan de verklaringen van eisers voormalige huisarts niet een zodanige, voor</para>
      <para>de toepassing van artikel 20 van de Wet vereiste, strikte medische indicatie</para>
      <para>voor de verhuizing kunnen ontlenen. Verweerster heeft de gevraagde vergoeding</para>
      <para>dan ook op goede gronden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenstaande beantwoordt de Raad de hoger geformuleerde vraag</para>
      <para>bevestigend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan</para>
      <para>het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een</para>
      <para>vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van mr A.W.E. de Rooij</para>
      <para>als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>                   (get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para>                   (get.) A.W.E. de Rooij.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>10.01</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>