<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8667</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:19:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8667</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-01-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/2749 AWBZ, 99/2751 AWBZ, 99/2752 AWBZ</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/68 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8667">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8667</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8667 Centrale Raad van Beroep , 14-01-2000 / 99/2749 AWBZ, 99/2751 AWBZ, 99/2752 AWBZ</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8667:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8667:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>99/2752 AWBZ</para>
      <para>99/2749 AWBZ</para>
      <para>99/2751 AWBZ</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, wonende te B,</para>
      <para>C, wonende te D,</para>
      <para>E, wonende te F, appellanten,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stichting Centrale Zorgverzekeraars groep Ziekenfonds, gedaagde I,</para>
      <para>OWM OZ Zorgverzekeringen U.A., gedaagde II.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellanten, ieder ouder van een meervoudig gehandicapt kind, hebben</para>
      <para>gedaagden op grond van het bepaalde in de Regeling Ziekenfondsraad</para>
      <para>subsidiëring zorg op maat verstandelijk gehandicaptenzorg 1997 (hierna: de</para>
      <para>Regeling) verzocht om toekenning van een persoongebonden budget ten behoeve</para>
      <para>van een kleinschalige woonvorm voor deze kinderen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij op bezwaar genomen besluiten van 14 januari 1998 heeft gedaagde I ten</para>
      <para>aanzien van appellanten A en C geweigerd een hoger persoonsgebonden budget</para>
      <para>toe te kennen dan f 67.160,-- per persoon. Bij op bezwaar genomen besluit van</para>
      <para>6 maart 1998 heeft gedaagde II ten aanzien van appellant E geweigerd een</para>
      <para>hoger persoonsgebonden budget toe te kennen dan f 64.202,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij uitspraak van 12 april</para>
      <para>1999 de tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellanten heeft mr J.D. van Vlastuin, advocaat te Utrecht, op bij</para>
      <para>beroepschrift en aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden</para>
      <para>tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de Raad verzocht de</para>
      <para>aangevallen uitspraak te vernietigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagden hebben bij afzonderlijk ingezonden verweerschriften van 13</para>
      <para>september 1999 (met bijlagen) van verweer gediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van appellanten zijn bij brief van 9 november 1999 nog een</para>
      <para>aantal stukken ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 december</para>
      <para>1999, waar appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr Van</para>
      <para>Vlastuin, voornoemd, als hun raadsman, en waar gedaagden zich hebben doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr N.J.H. Dams-van der Heijden en E. Stobbelaar,</para>
      <para>werkzaam bij gedaagde I.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Ziekenfondsraad heeft op 19 december 1996 de op de Wet financiering</para>
      <para>volksverzekeringen steunende Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring zorg op</para>
      <para>maat verstandelijk gehandicapten 1997 (de Regeling) vastgesteld. De Regeling</para>
      <para>is in werking getreden per 1 januari 1997. Daarin is de toekenning en hoogte</para>
      <para>geregeld van het voor verstandelijk gehandicapten geldende zogenoemde</para>
      <para>persoonsgebonden budget, waarmee zorg op maat kan worden ingekocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellanten hebben ieder voor zich als ouder van een meervoudig gehandicapt</para>
      <para>kind om toekenning van een persoonsgebonden budget verzocht. Daarbij is het</para>
      <para>voornemen kenbaar gemaakt dit te willen gebruiken voor de stichting van een</para>
      <para>kleinschalige woonvorm voor deze kinderen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Regeling komt voor toekenning van</para>
      <para>een persoonsgebonden budget uitsluitend in aanmerking de verstandelijk</para>
      <para>gehandicapte die voldoet aan de indicatievereisten voor één van de in de</para>
      <para>bijlage 2 bij deze Regeling vermelde budgetcategorieën. In gevallen van</para>
      <para>kennelijke hardheid kan op grond van het bepaalde in het derde lid van dit</para>
      <para>artikel aan de verzekerde die wordt ingedeeld in budgetcategorie VII of VIII</para>
      <para>een hoger budget worden toegekend dan bij de respectieve budgetcategorieën behoort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagden hebben de meerderjarige kinderen van appellanten in de voor</para>
      <para>volwassen gehandicapten geldende hoogste budgetcategorie VII ingedeeld en van</para>
      <para>evenvermelde mogelijkheid tot verhoging door de toekenning van de in rubriek</para>
      <para>I genoemde bedragen gebruik gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellanten betwisten de indeling in budgetcategorie VII op zich niet. Ook</para>
      <para>richten zij hun bezwaren niet op de toepassing van de hardheidsclausule en de</para>
      <para>omstandigheid dat in de door gedaagden in dat kader gevolgde berekeningen,</para>
      <para>uitmondend in de toegekende bedragen, een correctie is toegepast van</para>
      <para>f 25.000,-- in verband met bij wijze van zorg in natura te verkrijgen</para>
      <para>dagopvang. Hun bezwaren zijn, zoals in de gedingstukken uitvoerig en met</para>
      <para>overlegging van tal van gegevens is toegelicht, wel gericht op de hoogte van</para>
      <para>de door gedaagden met toepassing van evenvermelde hardheidsclausule</para>
      <para>vastgestelde budgetten en de daarbij gevolgde rekenmethoden die ertoe zouden</para>
      <para>leiden dat budgetten zodanig laag worden vastgesteld dat aan appellanten de</para>
      <para>mogelijkheid wordt onthouden voor hun kinderen persoonlijke keuzes in de te</para>
      <para>verlenen zorg te maken. Daarbij is van de zijde van appellanten, onder</para>
      <para>verwijzing naar andere gevallen, een beroep gedaan op de toelichting van de</para>
      <para>Regeling die inhoudt dat het toe te kennen budget dient te voldoen aan</para>
      <para>optimale rechtsgelijkheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de bestreden besluiten bij de aangevallen uitspraak in</para>
      <para>stand gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep hebben appellanten, deels onder herhaling van hetgeen in</para>
      <para>eerste aanleg is aangevoerd, uitvoerig uiteengezet, dat met de toegekende</para>
      <para>budgetten realisatie van de hen voor ogen staande kleinschalige woonvorm</para>
      <para>niet, althans niet op verantwoorde wijze, kan geschieden, en dat gedaagden</para>
      <para>met de door hen gevolgde methodieken geen recht hebben gedaan aan het aan de</para>
      <para>Regeling ten grondslag liggend uitgangspunt dat "zorg op maat" moet worden verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat de mogelijkheid van toekenning van persoonsgebonden</para>
      <para>budgetten voor de zogeheten contactkantoren, waaronder gedaagden, is</para>
      <para>neergelegd in artikel 13 van de Regeling en dat deze budgetten ingevolge</para>
      <para>artikel 14, eerste lid, van de Regeling uitsluitend bestemd zijn voor de</para>
      <para>betaling van kosten van door de in aanmerking komende verzekerden ingekochte</para>
      <para>zorgonderdelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Regeling. In</para>
      <para>laatstgenoemde bepaling worden zeven zorgonderdelen onderscheiden, te weten:</para>
      <para>begeleiding, verzorging, verpleging, behandeling, (geneeskundig) onderzoek,</para>
      <para>advisering en ondersteuning, verblijf. Om voor een persoonsgebonden budget in</para>
      <para>aanmerking te komen moet de verzekerde worden geïndiceerd waarbij dezelfde</para>
      <para>indicatienormen worden gehanteerd als bij te verlenen zorg in natura. Uit</para>
      <para>deze systematiek vloeit voort dat het bedrag behorend bij de voor de</para>
      <para>verzekerde geïndiceerde budgetcategorie in beginsel maatgevend is voor de in</para>
      <para>te kopen zorg en geacht moet worden daarvoor een toereikende tegemoetkoming</para>
      <para>te zijn.</para>
      <para>Voorts is van belang dat bij de vaststelling van het bij budgetcategorie VII</para>
      <para>behorende budget van f 65.000,-- blijkens de toelichting rekening is gehouden</para>
      <para>met de omstandigheid dat het hier verzekerden betreft die aangewezen zijn op</para>
      <para>intramurale 24-uurszorg, waaraan, zo begrijpt de Raad, verblijfskosten</para>
      <para>inherent zijn, en dat bij deze budgetcategorie in zeer incidentele gevallen</para>
      <para>een hoger budget kan worden toegekend. Ten slotte ontleent de Raad aan de</para>
      <para>toelichting dat bij de vaststelling in de Regeling van de bij de</para>
      <para>budgetcategorieën behorende bedragen ervan is uitgegaan dat geen</para>
      <para>investeringen en kapitaalslasten aan de orde zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad leidt hieruit af dat de verzekerden in budgetcategorie VII met een</para>
      <para>budget van f 65.000,-- in beginsel geacht worden alle bij deze categorie</para>
      <para>passende zorgonderdelen, waaronder verblijf, te kunnen inkopen, zij het dat</para>
      <para>in zeer bijzondere gevallen - in artikel 15, derde lid, van de Regeling</para>
      <para>aangeduid als gevallen van kennelijke hardheid - het contactkantoor bevoegd</para>
      <para>is een verhoging van het budget toe te kennen. Vanuit vorenomschreven</para>
      <para>systematiek, waarbij niet de wens van de verzekerde met betrekking tot de</para>
      <para>omvang en inrichting van de zorg centraal staat, maar het budgetbedrag</para>
      <para>maatgevend daarvoor is, waarbinnen persoonlijke keuzes kunnen worden gemaakt,</para>
      <para>zal ook bij budgetcategorie VII in beginsel met toekenning van dit bedrag</para>
      <para>kunnen worden volstaan onder aftrek van, zoals in casu, de waarde van de</para>
      <para>tevens te ontvangen zorg in natura.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De omstandigheid dat in incidentele gevallen, als de onderhavige, sprake is</para>
      <para>van een kennelijke hardheid waardoor er aanleiding is het budgetbedrag te</para>
      <para>verhogen, impliceert geenszins dat afbreuk gedaan kan worden aan</para>
      <para>vorenomschreven systematiek. In het bijzonder kan de Raad er niet in meegaan</para>
      <para>dat alsdan de wens van de betrokken verzekerden ten aanzien van de omvang en</para>
      <para>de inrichting van de zorg voor de hoogte van dit bedrag alsnog maatgevend zou</para>
      <para>(behoren te) zijn of dat er geen grenzen meer zouden mogen worden gesteld aan</para>
      <para>het met toepassing van de hardheidsclausule toe te kennen bedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het licht van het zoëven overwogene staat de Raad voor de beantwoording</para>
      <para>van de vraag of, nu de bestreden besluiten de toepassing behelzen van een</para>
      <para>discretionaire bevoegdheid, gezegd moet worden dat gedaagden niet in</para>
      <para>redelijkheid tot deze besluiten hebben kunnen komen dan wel anderszins hebben</para>
      <para>gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of</para>
      <para>algemeen rechtsbeginsel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Die vraag beantwoordt de Raad in al zijn onderdelen ontkennend.</para>
      <para>Daarbij acht de Raad van belang dat de Regeling geen dwingend richtsnoer aan</para>
      <para>de contactkantoren geeft voor de bij de toepassing van de hardheidsclausule</para>
      <para>te volgen berekeningswijze, en dat de Ziekenfondsraad ook anderszins geen</para>
      <para>aanwijzingen daaromtrent heeft gegeven. Het staat gedaagden derhalve in</para>
      <para>beginsel vrij bij de toepassing van de hardheidsclausule uit te gaan van een</para>
      <para>eigen berekeningsmethode. Noch van de berekeningsmethode van gedaagde I die</para>
      <para>als uitgangspunt heeft het budget dat geldt voor de duurste patiënt in een</para>
      <para>zwakzinnigeninrichting, noch van de berekeningsmethode van gedaagde II die</para>
      <para>als uitgangspunt heeft de gemiddelde personeelskosten van een drietal</para>
      <para>inrichtingen, kan worden gezegd dat die geen steun vindt in de hiervoor</para>
      <para>omschreven systematiek van de Regeling, gebaseerd op een zekere mate van</para>
      <para>herleiding tot de kosten van zorg in natura. De omstandigheid dat bij die</para>
      <para>berekeningsmethoden een vermindering van 20% wordt toegepast is op zichzelf</para>
      <para>in lijn met het gegeven dat bij de vaststelling van de voor de</para>
      <para>budgetcategorieën VII en VIII geldende bedragen door middel van een korting</para>
      <para>van 20% er rekening mee is gehouden dat van opneming en verder verblijf in</para>
      <para>een zwakzinnigeninrichting bij toekenning van een persoonsgebonden budget</para>
      <para>geen sprake is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep dat appellanten hebben gedaan op andere gevallen waarin door</para>
      <para>andere contactkantoren met toepassing van de hardheidsclausule veel hogere</para>
      <para>bedragen zijn toegekend, vermag de Raad niet tot een ander oordeel te leiden.</para>
      <para>De Raad wijst erop dat het hier andere uitvoeringsorganen betreft die een</para>
      <para>eigen invulling kunnen geven (en hebben gegeven) aan hun discretionaire</para>
      <para>bevoegdheid. Voorts acht de Raad het in de toelichting in dit verband</para>
      <para>genoemde beginsel van optimale rechtsgelijkheid voor alle verzekerden, mede</para>
      <para>gelet op de omstandigheid dat het gaat om de beoordeling van uitzonderlijke</para>
      <para>en om die reden niet licht met elkaar te vergelijken situaties, niet zodanig</para>
      <para>dwingend dat gedaagden op grond hiervan gehouden zijn om die hogere bedragen</para>
      <para>als richtsnoer bij de toepassing van de hardheidsclausule te nemen. Ten</para>
      <para>slotte overweegt de Raad in dit verband dat hij de toelichting van de</para>
      <para>Regeling op dit punt zo verstaat dat optimale rechtsgelijkheid primair in de</para>
      <para>Regeling wordt nagestreefd door de indeling in budgetcategorieën met de</para>
      <para>daarbij behorende bedragen en dat de verhoging van die bedragen in gevallen</para>
      <para>van kennelijke hardheid daaraan geen afbreuk mag doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat gedaagde sub I bij de</para>
      <para>vaststelling van persoonsgebonden budgetten op grond van de hardheidsclausule</para>
      <para>per 1 januari 2000 niet langer voormelde korting van 20% toepast. De Raad</para>
      <para>ziet in deze voor appellanten A en C in positieve zin gewijzigde</para>
      <para>berekeningswijze, gelet op de door de Raad in acht te nemen terughoudende</para>
      <para>toetsing, geen aanleiding om de bestreden besluiten van gedaagde I die het</para>
      <para>jaar 1997 betreffen, niet in stand te laten. Die besluiten zijn immers</para>
      <para>genomen op grond van de toen bekende gegevens, waarvan de Raad hiervoor al</para>
      <para>heeft overwogen dat deze die kunnen dragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor</para>
      <para>bevestiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in</para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en mr D.J. van der Vos en</para>
      <para>mr Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr M. van 't Klooster</para>
      <para>als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para>(get.) M. van 't Klooster.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>1401</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>