<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8628</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T03:25:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8628</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-01-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/9590 WAO + 97/9591 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=18&amp;g=2000-01-21">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=44&amp;g=2000-01-21">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000/62</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/59 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8628">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8628</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8628 Centrale Raad van Beroep , 21-01-2000 / 97/9590 WAO + 97/9591 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8628:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8628:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>97/9590 WAO</para>
      <para>97/9591 AAW/WAO</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in</para>
      <para>werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen</para>
      <para>1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van</para>
      <para>de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats</para>
      <para>getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. In deze uitspraak wordt</para>
      <para>onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 december 1996 heeft gedaagde de uitbetaling van de aan appellant</para>
      <para>ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, die werden berekend</para>
      <para>naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 januari</para>
      <para>1997 volledig geschorst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 11 april 1997 heeft gedaagde besloten toepassing te geven aan</para>
      <para>artikel 44 van de WAO over de periode van 19 augustus 1996 tot en met 19 november</para>
      <para>1996. Aan dat besluit wordt het volgende ontleend:</para>
      <para>"U ontvangt een uitkering krachtens de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van 80-100% en u hebt recht op een uitkering</para>
      <para>krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), berekend naar</para>
      <para>diezelfde mate van arbeidsongeschiktheid, welke uitkering echter,</para>
      <para>omdat u tevens recht hebt op uitkering krachtens de WAO, niet wordt</para>
      <para>uitbetaald.</para>
      <para>Daarnaast bent u van 19 augustus 1996 tot en met 19 november 1996</para>
      <para>werkzaam geweest en hebt u inkomsten uit arbeid genoten.</para>
      <para>Uw inkomsten hebben wij als volgt vastgesteld:</para>
      <para>van 19 augustus 1996 tot en met 19 november 1996 f 170,56 bruto per dag.</para>
      <para>In artikel 44 van de WAO is bepaald dat de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene die inkomsten uit arbeid</para>
      <para>geniet, niet wordt herzien of ingetrokken zolang niet vaststaat dat</para>
      <para>de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden tot het verrichten</para>
      <para>van de arbeid in staat moet worden geacht.</para>
      <para>Gedurende die periode, welke maximaal drie jaar duurt, wordt de</para>
      <para>uitkering niet of niet geheel uitbetaald.</para>
      <para>'Gelet op een door onze Uitvoeringsorganisatie ingesteld onderzoek,</para>
      <para>over het resultaat waarvan u onlangs bent geïnformeerd, wordt, omdat</para>
      <para>u over de periode van 19 augustus 1996 tot en met 19 november 1996</para>
      <para>in een situatie als hiervoor bedoeld verkeert, uw uitkering over</para>
      <para>genoemde periode niet uitbetaald."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Maastricht heeft bij uitspraak van 25 augustus 1997</para>
      <para>de tegen voormelde besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is mr P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, van die uitspraak in</para>
      <para>hoger beroep gekomen. Nadien zijn namens appellant nog enige stukken in het geding</para>
      <para>gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 oktober 1999,</para>
      <para>waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr P.H.A. Brauer,</para>
      <para>voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr M.</para>
      <para>Smithuijsen, werkzaam bij SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering N.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <para>Met betrekking tot het geding geregistreerd bij de Raad onder nr. 97/9590 WAO</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagdes besluit tot schorsing van</para>
      <para>appellants uitkering ingevolge de WAO met ingang van 1 januari 1997 in rechte</para>
      <para>stand kan houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft gedaan beantwoordt de Raad</para>
      <para>die vraag bevestigend. Daarbij stelt de Raad zich achter de overwegingen van die uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is</para>
      <para>gebracht, dat ten onrechte is geschorst omdat gebleken is dat hij onveranderd niet</para>
      <para>in staat is duurzaam arbeid te verrichten, overweegt de Raad het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft reeds eerder overwogen - gewezen zij op zijn uitspraak van 4 maart</para>
      <para>1998, nr. 96/3348 - dat de beoordeling van een schorsingsbesluit als het</para>
      <para>onderhavige dient te geschieden aan de hand van de situatie ten tijde van het</para>
      <para>nemen van dat besluit en niet aan de hand van latere ontwikkelingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar deze maatstaf bezien acht de Raad het besluit op goede gronden genomen, nu</para>
      <para>bij gedaagde ten tijde van het besluit het gegronde vermoeden kon bestaan dat tot</para>
      <para>intrekking van de uitkeringen zou dienen te worden overgegaan dan wel dat die</para>
      <para>uitkeringen niet tot uitbetaling zouden komen. Gedaagde beschikte toen immers over</para>
      <para>de resultaten van een fraude-onderzoek, neergelegd in het Rapport Werknemersfraude,</para>
      <para>nr. 96/1727, d.d. 27 november 1996, waaruit naar voren komt dat appellant van</para>
      <para>medio augustus 1996 tot de datum van zijn aanhouding op 20 november 1996</para>
      <para>metselwerkzaamheden in de bouw heeft verricht en inkomsten heeft genoten, waarvan</para>
      <para>hij aan gedaagde geen mededeling had gedaan. Gedaagde kon hieruit redelijkerwijs</para>
      <para>het vermoeden putten dat appellant geen aanspraak (meer) op een</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsuitkering kon maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad tekent hierbij aan, zoals hij reeds eerder heeft overwogen, onder meer in</para>
      <para>zijn uitspraak, gepubliceerd in  RSV 1994/260, dat alhoewel niet kan worden</para>
      <para>aanvaard dat bij een eventuele schatting "zwart" verrichte werkzaamheden bij de</para>
      <para>vaststelling van de mate van arbeidsonge-schiktheid in aanmerking worden genomen,</para>
      <para>dergelijke "zwart" verrichte werkzaamheden een grond kunnen vormen om met</para>
      <para>terugwerkende kracht tot afschatting op de verdienmogelijkheden van wel in</para>
      <para>billijkheid op te dragen functies over te gaan en dat die werkzaamheden een</para>
      <para>indicatie kunnen vormen voor de verdiencapaciteit van de betrokken verzekerde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande leidt er toe dat in dit geding het hoger beroep niet kan slagen</para>
      <para>en dat de Raad voor de toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb) geen termen aanwezig acht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Met betrekking tot het geding geregistreerd bij de Raad onder nr. 97/9591 AAW/WAO</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagdes besluit tot niet uitbetaling</para>
      <para>van appellants uitkering ingevolge de WAO met toepassing van artikel 44 van die</para>
      <para>wet gedurende de periode van 19 augustus 1996 tot en met 19 november 1996 in</para>
      <para>rechte stand kan houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan dat besluit ligt gedaagdes standpunt ten grondslag dat de mate van appellants</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW en de WAO ongewijzigd 80 tot 100%</para>
      <para>bedraagt en dat gedurende de periode van 19 augustus 1996 tot en met 19 november</para>
      <para>1996 appellants arbeidsongeschiktheids-uitkering onder toepassing van artikel 44</para>
      <para>van de WAO niet wordt uitbetaald omdat appellant moet worden beschouwd als ware</para>
      <para>hij ingedeeld in de klasse minder dan 15%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft in hoger beroep niet betwist dat hij gedurende de periode van 19</para>
      <para>augustus 1996 tot en met 19 november 1996 arbeid heeft verricht. Hij heeft</para>
      <para>aangevoerd dat hij zijn werkzaamheden verrichtte gedurende drieëneenhalve dag per</para>
      <para>week, zodat de uitkering gedurende anderhalve dag per week dient te worden</para>
      <para>gevrijwaard van toepassing van artikel 44 van de WAO.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO bepaalt dat indien degene,</para>
      <para>die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomsten uit arbeid</para>
      <para>geniet, waarvan niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 18,</para>
      <para>vijfde lid, van de WAO, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering</para>
      <para>niet wordt ingetrokken, doch dat die uitkering niet wordt uitbetaald indien de</para>
      <para>inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde</para>
      <para>lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn uitspraak van 23 december 1998, gepubliceerd in USZ 1999/50 en RSV</para>
      <para>1999/83, heeft de Raad reeds gewezen op het nauwe verband tussen de in artikel 33</para>
      <para>van de AAW neergelegde kortingsregeling op basis van een zogeheten fictieve</para>
      <para>schatting enerzijds en de in artikel 5 van de AAW neergelegde regeling inzake</para>
      <para>daadwerkelijke schatting anderzijds, welke regelingen ten opzicht van elkaar een</para>
      <para>complementaire werking hebben en deel uitmaken van een en dezelfde systematiek.</para>
      <para>Daarbij is er op gewezen dat die complementaire werking is gelegen in de</para>
      <para>omstandigheid dat in geval een arbeidsongeschikte inkomsten uit arbeid geniet òf</para>
      <para>een schatting plaatsvindt op basis van artikel 5 van de AAW òf een korting -</para>
      <para>gedurende een gemaximeerde periode - indien een dergelijke schatting niet mogelijk</para>
      <para>is. De Raad voegt daaraan toe dat dit niet anders is met betrekking tot de aan</para>
      <para>artikelen 5 en 33 van de AAW overeenkomstige artikelen 18 en 44 van de WAO.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgaande van deze samenhang tussen de in artikel 44 van de WAO neergelegde</para>
      <para>kortingsregeling en artikel 18 van de WAO is de Raad van oordeel dat de schatting</para>
      <para>van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 44 van de WAO</para>
      <para>in beginsel op dezelfde wijze dient te geschieden als de vaststelling van de mate</para>
      <para>van arbeidsongeschiktheid op basis van artikel 18 van de WAO en de op het achtste</para>
      <para>lid van dat artikel gebaseerde Schattingsbesluit (Stb. 1994, 596), zoals die</para>
      <para>bepalingen luidden ten tijde in geding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft herhaaldelijk geoordeeld, onder meer in USZ 1997/88 en RSV 1997/142,</para>
      <para>dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van degene die voor het</para>
      <para>intreden van de arbeidsongeschiktheid voltijds werkzaam was wordt gevormd door het</para>
      <para>verschil tussen het vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid genoten inkomen</para>
      <para>per maand - c.q. een andere betalingsperiode - en het inkomen dat de verzekerde</para>
      <para>over eenzelfde periode nog kan verwerven. Voorts wordt ingevolge artikel 2 aanhef</para>
      <para>en onder h (oud) van het Schattingsbesluit bij het bepalen van de mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van een verzekerde uitgegaan van diens feitelijke inkomsten,</para>
      <para>wanneer dit leidt tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, dan het bepalen</para>
      <para>van de mate van arbeidsongeschiktheid aan de hand van een theoretische schatting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande leidt er toe dat voor een juiste toepassing van de</para>
      <para>kortingsregeling van artikel 44 van de WAO in het geval van appellant de schatting</para>
      <para>van de fictieve mate van zijn arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld aan de hand</para>
      <para>van een vergelijking van enerzijds het voor hem geldende maatmaninkomen per maand</para>
      <para>met anderzijds de door hem feitelijk per maand genoten inkomsten uit arbeid. Voor</para>
      <para>een berekeningswijze zoals appellant die voorstaat is derhalve geen plaats.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de in aanmerking genomen inkomsten staat voor de Raad, gelet</para>
      <para>op de hiervoor in het geding 97/9590 WAO vermelde resultaten van een</para>
      <para>fraude-onderzoek, genoegzaam vast dat appellant gedurende de periode van 19</para>
      <para>augustus 1996 tot zijn aanhouding op 20 november 1996 werkzaamheden heeft verricht</para>
      <para>in de bouw en dat hij hiermee inkomsten heeft verworven van gemiddeld f 600,-- netto</para>
      <para>per week. Tegen de achtergrond van hoger bedoelde berekeningswijze van de</para>
      <para>fictieve mate van arbeidsongeschiktheid leidt deze vaststelling van de omvang van</para>
      <para>appellants verdiensten ertoe dat de fictieve mate van zijn arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>minder dan 15% bedraagt, hetgeen betekent dat geen aanspraak (meer) bestaat op</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsuitkering. Gegeven de periode waarover appellants</para>
      <para>werkzaamheden zich hebben uitgestrekt, dient voor de toepassing van artikel 44 van</para>
      <para>de WAO die fictieve mate van arbeidsongeschiktheid te gelden van 19 augustus 1996</para>
      <para>tot en met 19 november 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft met betrekking tot het voor hem geldende maatmaninkomen nog</para>
      <para>aangevoerd dat sedert de laatste vaststelling van dat inkomen in 1987 tot de datum</para>
      <para>in geding ten onrechte uitsluitend is geïndexeerd. Uit de gedingstukken is de Raad</para>
      <para>gebleken dat de laatste beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van</para>
      <para>appellant heeft plaatsgevonden in 1991. Gelet op de voorschriften van het</para>
      <para>Schattingsbesluit dient derhalve de vaststelling van het maatmaninkomen te</para>
      <para>geschieden door middel van een actualisering van dat inkomen per 1991 en</para>
      <para>vervolgens tot de periode thans in geding door indexering op de in artikel 6 (oud)</para>
      <para>van het Schattingsbesluit voorgeschreven wijze. De Raad is echter met gedaagde van</para>
      <para>oordeel dat deze laatste wijze van vaststellen niet leidt tot een andere klasse-indeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande leidt er toe dat het hoger beroep niet kan slagen en de</para>
      <para>aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht tenslotte ook in dit geding geen termen aanwezig om toepassing te</para>
      <para>geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en mr W.D.M. van Diepenbeek</para>
      <para>en mr T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als</para>
      <para>griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) H. van Leeuwen.</para>
    <para />
    <para>(get.) C.H.T.W. van Rooijen.</para>
    <para />
    <para>AB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>