<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8801</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T02:19:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8801</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL1068</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL3554</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-10-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/8115 ZFW-P, 97/10642 ZFW-P</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0001506&amp;artikel=59&amp;g=1999-10-06">Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 59</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0001506&amp;artikel=60&amp;g=1999-10-06">Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 60</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002460&amp;artikel=9&amp;g=1999-10-06">Ziekenfondswet 9</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004359&amp;artikel=1&amp;g=1999-10-06">Regeling hulp in het buitenland ziekenfondsverzekering. 1</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 32</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/76</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8801">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8801</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-06-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8801 Centrale Raad van Beroep , 06-10-1999 / 97/8115 ZFW-P, 97/10642 ZFW-P</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8801:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Prejudiciële verwijzing. Naturastelsel. Toestemmingsvereiste. Medische hulpverlener. Vrij verrichten van</para>
        <para>diensten. Rechtvaardigingsgrond.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8801:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>97/8115  ZFW</para>
      <para>97/10642 ZFW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>V E R Z O E K</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om een prejudiciële</para>
      <para>beslissing als bedoeld in artikel 234 van het EG-verdrag, zoals dat verdrag sedert</para>
      <para>de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam per 1 mei 1999 luidt, in de</para>
      <para>gedingen tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>1. A, wonende te B, appellante 1,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Onderlinge Waarborgmaatschappij OZ zorgverzekeringen U.A., gevestigd te</para>
      <para>Zwijndrecht, gedaagde 1,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>2. C, wonende te D, appellante 2,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Onderlinge Waarborgmaatschappij Z.A.O. Zorgverzekeringen, gevestigd te</para>
      <para>Amsterdam, gedaagde 2.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. FEITEN EN PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>a. zaak 97/8115.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante 1 (verder te noemen: A) heeft zich tijdens een vakantie in Duitsland</para>
      <para>aldaar tot de tandarts Agatha Schorbach te Frechen gewend, die in het tijdvak van</para>
      <para>20 oktober 1994 tot en met 18 november 1994 een gebitsrehabilitatie heeft</para>
      <para>uitgevoerd bij A. Tijdens de behandelingen zijn zes kronen en een frameprothese op</para>
      <para>precisieverankering in de bovenkaak geplaatst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na terugkeer van haar vakantie heeft A zich tot gedaagde 1 (verder te noemen: OZ),</para>
      <para>gewend met het verzoek de behandelingen tot een totaalbedrag ad 7.444,59 DM, te</para>
      <para>vergoeden. OZ heeft bij brief van 12 mei 1995, op grond van een advies van de</para>
      <para>adviserend tandarts M.C. van der Horst, afwijzend op dit verzoek beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad heeft naar aanleiding van de</para>
      <para>bezwaren van A op 16 februari 1996 medegedeeld, dat OZ terecht heeft geweigerd de</para>
      <para>kosten van tandheelkundige hulp aan A te vergoeden. Daartoe is overwogen dat de</para>
      <para>ziekenfondsverzekering wordt gekenmerkt door het zogenoemde natura-karakter,</para>
      <para>hetgeen betekent dat verzekerden slechts aanspraak hebben op de hulp zelf en alleen</para>
      <para>in een enkel uitzonderingsgeval op vergoeding van kosten. Een dergelijk</para>
      <para>uitzonderingsgeval achtte de commissie in casu niet aan de orde, aangezien geen</para>
      <para>sprake was van een spoedeisende behandeling als bedoeld in artikel 22 van</para>
      <para>EEG-Verordening 1408/71 en de behandeling door een tandarts met wie OZ geen</para>
      <para>contract heeft afgesloten, voor de geneeskundige verzorging van A niet nodig was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft dat standpunt onderschreven, overwegende dat de uitvoerigheid</para>
      <para>van de verrichte behandelingen en het feit dat de behandelingen zich over een</para>
      <para>periode van enkele weken hebben uitgestrekt allerminst wijzen op spoedhulp. Voorts</para>
      <para>heeft de rechtbank overwogen, dat een beroep op artikel 22 van EEG-Verordening</para>
      <para>1408/71 niet kan slagen wegens het ontbreken van spoedeisendheid van de behandelingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is namens OZ, desgevraagd medegedeeld dat het arrest van het Hof</para>
      <para>van Justitie der Europese Gemeenschappen van 28 april 1998 in de zaak C-158/96,</para>
      <para>Kohll tegen de Union des caisses de maladie, (hierna: het arrest Kohll) niet van</para>
      <para>toepassing is op de Nederlandse situatie en dat er geen reden is aan te nemen dat</para>
      <para>de bepalingen van de Zfw vallen onder de artikelen 59 e.v. (thans 49 e.v.) van het</para>
      <para>EG-verdrag. Voor zover de toestemmingseis van artikel 9, vierde lid, van de Zfw wel</para>
      <para>een belemmering van het vrij verrichten van diensten vormt, dan bestaan daarvoor</para>
      <para>volgens OZ toereikende rechtvaardigingsgronden verband houdend met de</para>
      <para>volksgezondheid en het algemeen belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>b. zaak 97/10642.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante 2 (hierna te noemen: C) heeft haar huisarts op 5 april 1993 aan</para>
      <para>de medisch adviseur van gedaagde 2 (hierna te noemen: ZAO) verzocht haar toestemming</para>
      <para>te verlenen om voor rekening van ZAO in België een arthroscopie te laten</para>
      <para>verrichten, omdat zo´n ingreep aldaar op veel kortere termijn dan in Nederland zou</para>
      <para>kunnen geschieden. ZAO heeft bij brieven van 24 juni 1993 en 5 juli 1993 afwijzend</para>
      <para>op dit verzoek beslist, omdat deze behandeling ook in Nederland kan worden verkregen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>C had voordien, in mei 1993, al de arthroscopie en een ulnaverkorting laten</para>
      <para>verrichten door Prof. dr J. Verstreken te Deurne (België). ZAO heeft vervolgens</para>
      <para>geweigerd de kosten van deze ingrepen tot een totaal bedrag ad Bfrs 93.792,- te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad heeft naar aanleiding van de</para>
      <para>bezwaren van C op 23 september 1994 medegedeeld, dat zij de weigering van ZAO de</para>
      <para>kosten van voornoemde behandelingen aan C te vergoeden juist acht. Daartoe is</para>
      <para>overwogen dat de benodigde medische hulp in Nederland op reguliere wijze</para>
      <para>beschikbaar is en geen sprake was van spoedeisende behandelingen als bedoeld in</para>
      <para>artikel 22 van EEG-Verordening 1408/71 en de behandelingen in België voor de</para>
      <para>geneeskundige verzorging van C niet nodig waren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep van C ongegrond verklaard, overwegende dat er gelet</para>
      <para>op de klachten van C geen sprake was van een medische noodzaak zich in België te</para>
      <para>laten behandelen. In hoger beroep heeft C onder meer een beroep gedaan op het EG-recht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>a. Het Nederlandse stelsel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Nederlandse stelsel van de verplichte ziektekostenverzekering, zoals neergelegd</para>
      <para>in de Zfw, draagt het karakter van een naturaverzekering. Verzekerden hebben geen</para>
      <para>aanspraak op vergoeding van gemaakte ziektekosten, maar op verstrekkingen in</para>
      <para>natura. Krachtens het bepaalde in artikel 8 van de Zfw dragen de ziekenfondsen er</para>
      <para>zorg voor dat de aanspraken van verzekerden op verstrekkingen tot gelding kunnen</para>
      <para>komen. Bij Koninklijk Besluit van 4 januari 1966 (Stb. 1966, 3), zoals nadien</para>
      <para>gewijzigd, (nader te noemen: het Verstrekkingenbesluit) is de aanspraak op en de</para>
      <para>omvang van verstrekkingen per soort hulp nader geregeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten einde de verstrekkingen in natura aan verzekerden te kunnen bieden dienen</para>
      <para>ziekenfondsen ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Zfw, met inachtneming van</para>
      <para>het bepaalde in artikel 8, overeenkomsten te sluiten met personen en instellingen</para>
      <para>die één of meer vormen van hulp als bedoeld in het Verstrekkingenbesluit kunnen</para>
      <para>verlenen. Met betrekking tot het sluiten van bedoelde overeenkomsten en de</para>
      <para>toelating van instellingen zijn nadere regels gesteld in de Zfw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts is in artikel 9 van de Zfw bepaald, dat de verzekerde die zijn aanspraak op</para>
      <para>een verstrekking geldend wil maken zich daartoe tot een persoon of instelling moet</para>
      <para>wenden met wie of met welke het ziekenfonds tot dat doel een overeenkomst heeft</para>
      <para>gesloten, waarbij de verzekerde de keuze wordt gelaten uit bedoelde personen of</para>
      <para>instellingen. Krachtens het bepaalde in het vierde lid van dit artikel kan het</para>
      <para>ziekenfonds in afwijking van de hiervoor weergegeven bepalingen:</para>
      <para>"aan een verzekerde toestemming verlenen zich voor het geldend maken van van</para>
      <para>zijn recht op een verstrekking te wenden tot een andere persoon of</para>
      <para>instelling in Nederland, indien zulks voor zijn geneeskundige verzorging</para>
      <para>nodig is. Onze Minister kan bepalen in welke gevallen en onder welke</para>
      <para>voorwaarden aan een verzekerde ook toestemming kan worden verleend zich voor</para>
      <para>het geldend maken van zijn recht op een verstrekking te wenden tot een</para>
      <para>persoon of inrichting buiten Nederland.".</para>
      <para>Laatstgenoemde, aan de Minister gegeven, bevoegdheid is nader uitgewerkt in de</para>
      <para>Regeling hulp in het buitenland ziekenfondsverzekering van 30 juni 1988 (Stcrt.</para>
      <para>1988, nr. 123). Artikel 1 van die regeling luidt aldus:</para>
      <para>"Als gevallen, waarin een ziekenfonds aan een verzekerde toestemming kan</para>
      <para>verlenen zich voor het geldend maken van zijn recht op een verstrekking te</para>
      <para>wenden tot een persoon of inrichting buiten Nederland, worden aangewezen de</para>
      <para>gevallen waarin het ziekenfonds heeft vastgesteld dat zulks voor de</para>
      <para>geneeskundige verzorging van die verzekerde nodig is.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor verdere details over het Nederlandse stelsel van verplichte</para>
      <para>ziektekostenverzekeringen verwijst de Raad naar hetgeen de Arrondissementsrechtbank</para>
      <para>te Roermond heeft overwogen onder II.1 in haar op 28 april 1999 gedateerde</para>
      <para>vraagstelling aan het Hof van Justitie in de zaken geregistreerd onder nummer C-157/99.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>b. Toetsing naar nationaal recht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze procedures staat de Raad voor de beantwoording van de vraag of de</para>
      <para>weigeringen van OZ en ZAO de kosten van de medische behandelingen, welke A en C in</para>
      <para>respectievelijk Duitsland en België hebben laten verrichten, te vergoeden, in</para>
      <para>rechte stand kunnen houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat ten aanzien van de behandelingen van C niet in geschil is</para>
      <para>dat die alle dan wel grotendeels verstrekkingen zijn als genoemd in het</para>
      <para>Verstrekkingenbesluit, terwijl zulks van een - beperkt - deel van de behandelingen</para>
      <para>van A vaststaat. De niet in het Verstrekkingenbesluit genoemde behandelingen van</para>
      <para>A kunnen in ieder geval niet voor vergoeding in aanmerking komen. Voorts is tussen</para>
      <para>partijen niet in geschil dat appellanten de betreffende medische behandelingen</para>
      <para>buiten Nederland hebben laten verrichten terwijl zij geen toestemming daartoe</para>
      <para>hadden verkregen van gedaagden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens vaste rechtspraak van de Raad dient de verzekerde deze toestemming voor</para>
      <para>de aanvang van de behandeling aan het ziekenfonds te hebben verzocht en verkregen.</para>
      <para>Een door een ziekenfondsverzekerde zonder toestemming ondergane medische</para>
      <para>behandeling in het buitenland kan derhalve niet voor vergoeding in aanmerking</para>
      <para>komen, tenzij sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het</para>
      <para>ziekenfonds niet zonder in strijd te komen met enig rechtsbeginsel en/of enig</para>
      <para>algemeen beginsel van behoorlijk bestuur toestemming alsnog zou kunnen weigeren</para>
      <para>(RSV 1996/79). Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de Raad in beide</para>
      <para>procedures niet gebleken, nu A zich kennelijk welbewust tijdens een vakantie in</para>
      <para>Duitsland aldaar onder behandeling van een tandarts heeft gesteld, aangezien zij</para>
      <para>ontevreden was over de behandelingen door Nederlandse tandartsen, en C de</para>
      <para>beslissing op haar verzoek om toestemming niet heeft afgewacht en niet is gebleken</para>
      <para>dat zij op medische of andere gronden een beslissing op dat verzoek redelijkerwijs</para>
      <para>niet had kunnen afwachten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts merkt de Raad nog op dat ook indien appellanten tijdig een verzoek als</para>
      <para>hiervoor bedoeld hadden ingediend, dan wel het antwoord erop hadden afgewacht, niet</para>
      <para>aannemelijk is te achten dat die toestemming zou zijn verleend nu, zoals gedaagden</para>
      <para>gemotiveerd hebben aangevoerd, niet is gebleken dat hun behandelingen in het</para>
      <para>buitenland nodig waren. De behandelingen, voor zover aan te merken als</para>
      <para>verstrekking, konden immers ook in Nederland verricht worden. Voorts is ten aanzien</para>
      <para>van A niet gebleken van een medische noodzaak voor de behandelingen in Duitsland,</para>
      <para>aangezien een gebrek aan vertrouwen in Nederlandse tandartsen daartoe in het</para>
      <para>algemeen onvoldoende is, terwijl ten aanzien van de voor C in Nederland geldende</para>
      <para>wachttijd voor de arthroscopie niet kan worden gezegd dat die onaanvaardbaar lang was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>c. Toetsing aan EG-Verordening 1408/71</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts kunnen appellanten geen aanspraak maken op vergoeding van de behandelingen</para>
      <para>op grond van het bepaalde in artikel 22 van Verordening 1408/71. De Raad is</para>
      <para>namelijk met de rechtbank van oordeel dat gelet op de uitvoerigheid van de in</para>
      <para>Duitsland verrichte tandheelkundige behandelingen, die zich over een periode van</para>
      <para>enige weken hebben uitgestrekt, en gelet op het door haar gegeven motief daarvoor</para>
      <para>niet gezegd kan worden dat de toestand van A het noodzakelijk maakte dat</para>
      <para>onmiddellijk prestaties werden geleverd gedurende het verblijf op het grondgebied</para>
      <para>van een andere lidstaat als bedoeld in het eerste lid, onder a, van artikel 22 van</para>
      <para>de Verordening. Voorts heeft C, zoals hiervoor reeds overwogen, geen toestemming</para>
      <para>ontvangen om zich naar het grondgebied van een andere lidstaat te begeven ten einde</para>
      <para>aldaar een voor haar gezondheidstoestand passende behandeling te ondergaan als</para>
      <para>bedoeld in het eerste lid, onder c, van artikel 22 van de Verordening, terwijl</para>
      <para>voorts niet is gebleken dat de behandeling in Nederland niet binnen de termijn die</para>
      <para>daarvoor gewoonlijk nodig is kon worden gegeven, in welk geval die toestemming</para>
      <para>blijkens jurisprudentie van het Hof van Justitie niet mag worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>d. Toetsing aan de artikel 59 en 60 (thans 49 en 50) van het EG-Verdrag</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet zich ten slotte gesteld voor de vraag of de bestreden besluiten in</para>
      <para>strijd zijn te achten met het bepaalde in de artikelen 59 en 60 (thans: 49 en 50)</para>
      <para>van het EG-Verdrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het arrest Kohll heeft het Hof van Justitie overwogen dat de bijzondere aard van</para>
      <para>bepaalde dienstverrichtingen deze niet kan onttrekken aan het grondbeginsel van</para>
      <para>vrij verkeer. Hieruit volgt dat ook op nationale sociale zekerheidsstelsels de</para>
      <para>artikelen 59 en 60 (thans: 49 en 50) van het EG-Verdrag van toepassing kunnen zijn.</para>
      <para>Voorts heeft het Hof van Justitie in dat arrest een orthodontische behandeling</para>
      <para>aangemerkt als een dienst in de zin van artikel 60 (thans: 50) van het EG-Verdrag.</para>
      <para>De Raad neemt aan dat de medische behandelingen van A en C, te weten: een</para>
      <para>extra-murale tandheelkundige behandeling en een deels extra- en deels intra-murale</para>
      <para>orthopaedische behandeling, ook als diensten in de zin van voornoemd artikel</para>
      <para>aangemerkt moeten worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie (onder meer blijkend uit</para>
      <para>rechtsoverweging 33 van het arrest Kohll) verzet artikel 59 (thans: 49) van het</para>
      <para>EG-Verdrag zich tegen iedere nationale regeling die ertoe leidt, dat het verrichten</para>
      <para>van diensten tussen lidstaten moeilijker wordt dan het verrichten van diensten</para>
      <para>binnen één lidstaat. De hiervoor beschreven bepalingen in en krachtens de Zfw</para>
      <para>beletten op zichzelf verzekerden niet zich tot een in een andere lidstaat</para>
      <para>gevestigde dienstverlener te wenden, maar stellen dit afhankelijk van de vraag of</para>
      <para>het ziekenfonds waar de verzekerde bij is aangesloten een contract heeft gesloten</para>
      <para>met die dienstverlener, hetgeen doorgaans niet het geval is; zo neen, dan wordt de</para>
      <para>vergoeding van de in een andere lidstaat gemaakte kosten afhankelijk gesteld van</para>
      <para>een vooraf verleende toestemming.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet zich, gelet op rechtsoverweging 35 van het arrest Kohll, primair</para>
      <para>gesteld voor de vraag of deze regeling sociaal verzekerden afschrikt om zich tot</para>
      <para>medische hulpverleners in een andere lidstaat te wenden en aldus het vrije verkeer</para>
      <para>van diensten tussen medische hulpverleners en patiënten binnen de gemeenschap belemmert.</para>
      <para>De Raad stelt voorop dat de keuze van de Nederlandse overheid voor een zogenaamd</para>
      <para>naturastelsel, met daaraan gekop-peld een contractenstelsel, past binnen de ruimte</para>
      <para>die een lidstaat toekomt bij de inrichting van zijn stelsel van sociale</para>
      <para>ziektekostenverzekering. Voorts is het inherent aan een contractenstelsel dat</para>
      <para>ziekenfondsen voornamelijk met personen en instellingen werkzaam of gevestigd in</para>
      <para>de regio´s waarin het ziekenfonds is gevestigd contracten zullen sluiten. Het staat</para>
      <para>de ziekenfondsen vrij om met zorgverleners in andere lidstaten contracten te</para>
      <para>sluiten hetgeen, zij het op zeer beperkte schaal, ook wel gebeurt. Verder leidt het</para>
      <para>contractenstelsel ertoe dat een verzekerde zich slechts met toestemming van het</para>
      <para>ziekenfonds kan wenden tot een medische hulpverlener - in Nederland - met wie het</para>
      <para>ziekenfonds geen contract heeft afgesloten. Deze eis geldt op vrijwel dezelfde</para>
      <para>wijze voor buiten Nederland gevestigde hulpverleners, zodat geen sprake lijkt te</para>
      <para>zijn van een andere behandeling van buitenlandse medische hulpverleners ten</para>
      <para>opzichte van Nederlandse hulpverleners.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daar staat echter tegenover dat ziekenfondsen op grond van de hiervoor genoemde</para>
      <para>regelingen slechts wanneer zulks "voor de geneeskundige verzorging nodig is"</para>
      <para>toestemming kunnen verlenen voor medische hulp door een niet gecontracteerde</para>
      <para>Nederlandse of buitenlandse hulpverlener, hetgeen doorgaans eerst geschiedt indien</para>
      <para>door gecontracteerde zorgverleners geen of onvoldoende adequate hulp kan worden</para>
      <para>geboden. Deze uitwerking van het toestemmingsvereiste wijst derhalve op voorrang</para>
      <para>van gecontracteerde - en dus vrijwel steeds Nederlandse - medische hulpverleners</para>
      <para>boven zorgverleners in andere lidstaten. Daar komt nog bij dat de</para>
      <para>bestuursrechtelijke bevoegdheden van de Nederlandse overheid zich niet uitstrekken</para>
      <para>tot zorgaanbieders in andere landen, hetgeen een belemmering kan vormen bij het</para>
      <para>sluiten van contracten met deze zorgaanbieders.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet derhalve aanleiding ten aanzien van dit punt een vraag voor te leggen</para>
      <para>aan het Hof van Justitie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien aangenomen zou moeten worden dat het toestemmingsvereiste van artikel 9,</para>
      <para>vierde lid, van de Zfw het vrij verkeer van diensten belemmert, dan dient de Raad</para>
      <para>nog te beoordelen of voor dat vereiste toereikende rechtvaardigingsgronden bestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het arrest Kohll heeft het Hof van Justitie aangegeven dat een ernstige</para>
      <para>aantasting van het financiële evenwicht van het nationale sociale zekerheidsstelsel</para>
      <para>een dwingende reden van algemeen belang kan vormen, waardoor een belemmering van</para>
      <para>het fundamentele beginsel van het vrij verrichten van diensten gerechtvaardigd kan</para>
      <para>zijn. Zodanige rechtvaardigingsgrond kan evenzeer gevonden worden in het bepaalde</para>
      <para>in artikel 56 (thans: 46) van het EG-Verdrag, dat lidstaten toestaat de vrije</para>
      <para>dienstverrichting van artsen en ziekenhuizen te beperken, voor zover de</para>
      <para>instandhouding van een verzorgingsmogelijkheid of medische deskundigheid op het</para>
      <para>nationale grondgebied essentieel is voor de gezondheid of zelfs het overleven van</para>
      <para>de bevolking. Voor het welslagen van een beroep op deze rechtvaardigingsgrond dient</para>
      <para>wel te worden aangetoond dat de omstreden nationale regeling noodzakelijk is om een</para>
      <para>evenwichtige en voor een ieder toegankelijke verzorging door artsen en ziekenhuizen</para>
      <para>te verzekeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit verband is naar het oordeel van de Raad voor beide procedures van belang of</para>
      <para>in het voortbestaan van het Nederlandse naturastelsel, op grond waarvan ook binnen</para>
      <para>Nederland een toestemmingsvereiste wordt gesteld voor medische hulp te verrichten</para>
      <para>door een niet gecontracteerde hulpverlener, een voldoende rechtvaardiging voor deze</para>
      <para>schending is gelegen. Daarbij is van belang dat het naturastelsel enerzijds beoogt</para>
      <para>de kwaliteit van de zorg en de gelijkwaardigheid van de verstrekkingen voor</para>
      <para>verzekerden te waarborgen en anderzijds beoogt de kosten te beheersen. Gedaagden</para>
      <para>stellen in dit verband dat niet alleen het belang van de volksgezondheid maar ook</para>
      <para>het financiële evenwicht van het stelsel ernstig wordt aangetast als het</para>
      <para>toestemmingsvereiste niet gehandhaafd zou mogen worden. Voor zover geen voldoende</para>
      <para>rechtvaardiging aangenomen kan worden is de vraag aan de orde of het Nederlandse</para>
      <para>naturastelsel gehandhaafd kan worden door middel van aanvullende regelingen voor</para>
      <para>verzekerden die zich elders binnen de gemeenschap voor medische behandelingen</para>
      <para>wensen te wenden tot een zorgverlener.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts is ten aanzien van de zaak van C van belang of het feit dat de behandeling</para>
      <para>van C in ieder geval ten dele ook betrekking had op intra-murale medische</para>
      <para>behandeling een beperking van het vrij verkeer van diensten door middel van een</para>
      <para>toestemmingsvereiste rechtvaardigt en zo ja, of die rechtvaardiging dan van</para>
      <para>toepassing is op de volledige behandeling of alleen op het intra-murale deel ervan.</para>
      <para>De Raad wijst er in dit verband op dat Nederland middels de Wet Ziekenhuisvoorzieningen</para>
      <para>de planning en spreiding van medische voorzieningen reguleert met het oog op</para>
      <para>kostenbeheersing. In de Zfw wordt de vergoeding van bepaalde vormen van (intra-murale)</para>
      <para>medische zorg beperkt tot zorg die is verleend door een ziekenhuis dat op grond van</para>
      <para>laatstgenoemde wet is toegelaten, welke beperking is ingegeven door overwegingen van</para>
      <para>budget- en capaciteitsbeheersing. Het toestemmingsvereiste is volgens gedaagden voor</para>
      <para>deze voorzieningen een belangrijk instrument voor beheersing van het financiële</para>
      <para>evenwicht van het Nederlandse stelsel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenstaande beslist de Raad de navolgende vraagstelling aan het</para>
      <para>Hof van Justitie voor te leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wijze van</para>
      <para>prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 234 van het EG-verdrag antwoord te</para>
      <para>geven op de volgende vragen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Moeten de artikelen 59 en 60 (thans: 49 en 50) van het EG-verdrag aldus</para>
      <para>uitgelegd worden dat daarmee in beginsel onverenigbaar is een bepaling als artikel</para>
      <para>9, vierde lid, van de Zfw, juncto artikel 1 van de Regeling hulp in het buitenland</para>
      <para>ziekenfondsverzekering, voor zover daarin is bepaald dat een ziekenfondsverzekerde</para>
      <para>van het ziekenfonds voorafgaande toestemming nodig heeft om zich te mogen wenden</para>
      <para>tot een persoon of inrichting buiten Nederland voor het geldend maken van zijn</para>
      <para>recht op verstrekkingen?</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, vormen de hiervoor op blz.</para>
      <para>8 en 9 genoemde doelstellingen van het Nederlandse naturastelsel dan een dwingende</para>
      <para>reden van algemeen belang waardoor een belemmering van het fundamentele beginsel</para>
      <para>van het vrij verrichten van diensten gerechtvaardigd kan zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Is het voor de beantwoording van deze vragen nog van belang of de behandeling</para>
      <para>geheel of ten dele betrekking heeft op intra-murale medische zorg?</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- houdt in verband met de toepassing van artikel 234 EG-verdrag de verdere</para>
      <para>behandeling van de gedingen aan totdat het Hof van Justitie arrest zal hebben gewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven op 6 oktober 1999 door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr F.P.</para>
      <para>Zwart en mr T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr M.F. van Moorst als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) N.J. Haverkamp.</para>
    <para />
    <para>(get.) M.F. van Moorst.</para>
    <para />
    <para>IS</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>