<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8583</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:08:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8583</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-12-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/1937 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=13&amp;g=1999-12-07">Algemene bijstandswet 13</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=33&amp;g=1999-12-07">Algemene bijstandswet 33</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=36&amp;g=1999-12-07">Algemene bijstandswet 36</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=38&amp;g=1999-12-07">Algemene bijstandswet 38</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 37</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 2000, 52</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/20</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8583">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8583</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2009-01-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8583 Centrale Raad van Beroep , 07-12-1999 / 98/1937 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8583:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Toekenning verlaagde bijstandsuitkering aan persoon die recent studie heeft beëindigd; afstemming naar individuele omstandigheden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8583:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/1937 NABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>ing. A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,</para>
      <para>gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep</para>
      <para>ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch</para>
      <para>onder dagtekening 9 januari 1998 tussen partijen gewezen uitspraak,</para>
      <para>waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft voor verweer verwezen naar zijn besluit van 30 juli 1996 en</para>
      <para>de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bij brief van 16 maart 1998 heeft appellant zich nogmaals tot de Raad gewend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 oktober 1999, waar</para>
      <para>voor appellant is verschenen zijn vader C, wonende te D, terwijl gedaagde</para>
      <para>zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.M. Hendriksen, werkzaam bij de</para>
      <para>gemeente Eindhoven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden</para>
      <para>die hij als vaststaand aanneemt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant was laatstelijk student van de opleiding Industrieel Produkt</para>
      <para>Ontwerpen aan de X Hogeschool. Vanaf 1 augustus 1995 volgde appellant in</para>
      <para>het kader van zijn opleiding een stage bij Y B.V. te X (hierna: Y). Appellant</para>
      <para>ontving in verband met zijn studie tot 1 februari 1996 studiefinanciering ingevolge</para>
      <para>de Wet op de studiefinanciering (WSF). Met ingang van laatstgenoemde datum</para>
      <para>heeft appellant bij Y gedurende twee maanden werkzaamheden verricht in</para>
      <para>loondienst. Appellant is per 1 maart 1996 uitgeschreven als student van</para>
      <para>genoemde opleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 29 maart 1996 heeft appellant een aanvraag ingediend om een uitkering</para>
      <para>ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij besluit van 6 mei 1996 aan appellant met ingang van 1</para>
      <para>april 1996 een uitkering ingevolge de Abw toegekend naar de norm voor een</para>
      <para>alleenstaande van 21 jaar of ouder, verhoogd met een toeslag op de grond</para>
      <para>van artikel 33, eerste lid, van de Abw van 14% van het wettelijk</para>
      <para>minimumloon. Op die uitkering van f 1.242,32 per maand heeft gedaagde, op</para>
      <para>grond van artikel 36 van de Abw en artikel 6 van de Verordening toeslagen</para>
      <para>en verlagingen Algemene bijstandswet van de gemeente Eindhoven (hierna: de</para>
      <para>Verordening), een verlaging toegepast van f 333,91, omdat sprake was van</para>
      <para>recente beëindiging van een opleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit van 30 juli 1996 heeft gedaagde het bezwaar van</para>
      <para>appellant tegen de verlaging van genoemde uitkering afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de</para>
      <para>aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat hij als gevolg van de</para>
      <para>toegepaste verlaging onder het bestaansminimum is gekomen. Aangezien</para>
      <para>appellants uitkering per 1 mei 1996 wegens werkaanvaarding is beëindigd,</para>
      <para>wordt gevorderd dat de verlaging over de maand april 1996 achterwege wordt</para>
      <para>gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 36, eerste lid aanhef en onder a, van de Abw kunnen -</para>
      <para>voor zover hier van belang - burgemeester en wethouders de bijstandsnorm of</para>
      <para>de toeslag, bedoeld in artikel 33, lager vaststellen voor de belanghebbende</para>
      <para>die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een</para>
      <para>beroepsopleiding, indien voor het onderwijs of de beroepsopleiding</para>
      <para>aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van hoofdstuk II van de WSF.</para>
      <para>Daarbij is, zo blijkt uit de toelichting op dit artikel, overwogen dat de</para>
      <para>bijstandsuitkering veelal aanmerkelijk hoger ligt dan de bedragen voor</para>
      <para>levensonderhoud die in het kader van de studiefinanciering gelden. De</para>
      <para>betrokkene heeft tijdens de studieperiode de bestedingen afgestemd op een</para>
      <para>bepaald inkomen en zijn noodzakelijke bestaanskosten nemen niet</para>
      <para>onmiddellijk toe na de studie of opleiding, zodat hij het eerste halfjaar</para>
      <para>op dat zelfde niveau kan blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 38, eerste lid, van de Abw bepaalt dat het gemeentebestuur bij</para>
      <para>verordening vaststelt voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt</para>
      <para>verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die</para>
      <para>verhoging of verlaging plaatsvindt.</para>
      <para>Ingevolge het derde lid van artikel 38 worden in de verordening uitsluitend</para>
      <para>verhogingen of verlagingen vastgesteld als bedoeld in de artikelen 33 tot</para>
      <para>en met 37.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 6, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat de bijstandsnorm</para>
      <para>en/of de toeslag voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder lager</para>
      <para>wordt vastgesteld indien recent de deelname is beëindigd aan onderwijs of</para>
      <para>beroepsopleiding op grond waarvan aanspraak bestond op studiefinanciering</para>
      <para>op grond van hoofdstuk II van de WSF danwel op kinderbijslag.</para>
      <para>Volgens het tweede lid van artikel 6 is van een recente beëindiging sprake</para>
      <para>indien er nog geen periode van zes maanden is verstreken, te rekenen vanaf</para>
      <para>de eerste dag van de maand waarin geen aanspraak meer bestaat op de in het</para>
      <para>eerste lid bedoelde studiefinanciering of kinderbijslag onderscheidenlijk</para>
      <para>de eerste dag volgend op de maand waarin het onderwijs of de</para>
      <para>beroepsopleiding daadwerkelijk is beëindigd.</para>
      <para>Ingevolge het vierde lid van artikel 6 bedraagt de verlaging genoemd in het</para>
      <para>eerste lid het verschil tussen de van toepassing zijnde norm ingevolge</para>
      <para>artikel 30 van de Abw inclusief de mogelijke toeslag en het van toepassing</para>
      <para>zijnde bedrag voor levensonderhoud als bedoeld in artikel 48, tweede lid,</para>
      <para>van de Abw op het moment van bijstandsverlening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is met de rechtbank van oordeel dat vaststaat dat op 1 april 1996</para>
      <para>sprake was van een recente beëindiging van de deelname aan onderwijs of een</para>
      <para>beroepsopleiding als bedoeld in artikel 36 van de Abw en artikel 6 van de</para>
      <para>Verordening. Hieruit volgt dat gedaagde op grond van laatstgenoemd</para>
      <para>wettelijk voorschrift in beginsel gehouden was de uitkering van appellant</para>
      <para>lager vast te stellen overeenkomstig het vierde lid van artikel 6.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit laat echter onverlet dat gedaagde op grond van het bepaalde in artikel</para>
      <para>13, eerste lid, van de Abw de bijstand (afwijkend) dient vast te stellen</para>
      <para>als individuele omstandigheden van betrokkene daartoe aanleiding geven. De</para>
      <para>Raad wijst daarbij tevens op het vierde lid van artikel 38, waarin is</para>
      <para>vermeld dat verhoging of verlaging van de bijstandsnorm plaatsvindt</para>
      <para>onverminderd het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de Abw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat</para>
      <para>appellant vanaf augustus 1995 tot 1 februari 1996 beschikte over een</para>
      <para>inkomen van ongeveer f 2.000,-- per maand. Dat inkomen bestond uit</para>
      <para>studiefinanciering op grond van de WSF, de ouderbijdrage als bedoeld in die</para>
      <para>wet en een stagevergoeding van Y van f 500,-- per maand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat in het onderhavige geval derhalve geen sprake is van</para>
      <para>een situatie als bedoeld in de toelichting op artikel 36 van de Abw (en</para>
      <para>artikel 6 van de Verordening) waarin het inkomen van de voormalige student</para>
      <para>als gevolg van de bijstandsverlening stijgt, maar van een situatie waarin</para>
      <para>als gevolg van een zonder meer toepassen van laatstgenoemde bepaling</para>
      <para>genoemd inkomen van ongeveer f 2.000,-- per maand zou dalen naar f 908,41</para>
      <para>per maand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder die omstandigheden had het naar het oordeel van de Raad op de weg van</para>
      <para>gedaagde gelegen om in het onderhavige geval toepassing te geven aan het</para>
      <para>eerste lid van artikel 13 van de Abw. Dit betekent dat het bestreden</para>
      <para>besluit wegens strijd met deze bepaling niet in stand kan blijven, evenals</para>
      <para>de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad zal dan ook het inleidend beroep alsnog gegrond verklaren en het</para>
      <para>bestreden besluit vernietigen. Gelet op de ter beschikking staande gegevens</para>
      <para>is de Raad voorts van oordeel dat in dit geval de toepassing van artikel</para>
      <para>13, eerste lid, van de Abw tot geen andere uitkomst dient te leiden dan dat</para>
      <para>de gewraakte verlaging ongedaan wordt gemaakt. Gelet hierop ziet de Raad</para>
      <para>aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene</para>
      <para>wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat aan appellant over de maand april 1996</para>
      <para>een uitkering ingevolge de Abw wordt verleend tot een bedrag groot f 1.242,32.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde</para>
      <para>in artikel 8:75 van de Awb nu niet is gebleken van in aanmerking te nemen</para>
      <para>kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt derhalve als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep gegrond;</para>
      <para>Vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat door gedaagde aan appellant over de maand april 1996 een</para>
      <para>uitkering ingevolge de Abw wordt verleend tot een bedrag groot f 1.242,32;</para>
      <para>Bepaalt dat de gemeente Eindhoven aan appellant het gestorte recht van</para>
      <para>f 210,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr G.A.J. van den</para>
      <para>Hurk en mr Ch. de Vrey als leden, in tegenwoordigheid van mr P.C. de Wit</para>
      <para>als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 december 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para>(get.) P.C. de Wit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>112</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>