<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8568</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:08:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8568</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-11-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/2190 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=7&amp;g=1999-11-30">Algemene bijstandswet 7</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=17&amp;g=1999-11-30">Algemene bijstandswet 17</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=114&amp;g=1999-11-30">Algemene bijstandswet 114</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=9&amp;g=1999-11-30">Algemene bijstandswet 9</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=9&amp;g=1999-11-30">Algemene bijstandswet 9</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 2000, 35</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/19 met annotatie van Mr. A.E.L.T. Balkema</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8568">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8568</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8568 Centrale Raad van Beroep , 30-11-1999 / 98/2190 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8568:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8568:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/2190 NABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger</para>
      <para>beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder</para>
      <para>dagtekening 27 januari 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij</para>
      <para>wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president van de Raad heeft bij uitspraak van 18 mei 1998 met toepassing van</para>
      <para>het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de werking</para>
      <para>van de aangevallen uitspraak geschorst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr A.M.J. van der Sman, advocaat te Amsterdam, een</para>
      <para>verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 oktober 1999, waar voor appellant</para>
      <para>is verschenen mr J.T.M. de Haan-Bergisch, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, en</para>
      <para>waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr van der Sman voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde, geboren in 1970, volgde vanaf 1 september 1990 een dagopleiding</para>
      <para>culturele antropologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam (hierna: de VU) en</para>
      <para>ontving in verband hiermee tot 1 september 1996 studiefinanciering ingevolge de</para>
      <para>Wet op de studiefinanciering (WSF).</para>
      <para>Gedaagde kwam hiervoor na laatstvermelde datum niet langer in aanmerking en</para>
      <para>heeft zich voor het studiejaar 1996/1997, dat loopt van september 1996 tot en</para>
      <para>met augustus 1997, bij de VU laten inschrijven als extraneus.</para>
      <para>Op 29 augustus 1996 diende gedaagde bij verzoeker een aanvraag in welke er</para>
      <para>kennelijk toe strekte om haar in aansluiting op de datum tot wanneer zij</para>
      <para>studiefinanciering krachtens de WSF ontving, in aanmerking te brengen voor een</para>
      <para>uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw).</para>
      <para>Ter gelegenheid van deze aanvraag gaf gedaagde te kennen de afgelopen 6 maanden</para>
      <para>niet te hebben gesolliciteerd wegens de verzorging van haar dochter C., die in 1996 was geboren.</para>
      <para>Gedaagde verklaarde voorts, dat haar studieactiviteiten zich beperkten tot de afronding</para>
      <para>van haar scriptie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft de evengenoemde aanvraag afgewezen bij besluit van 7 oktober 1996.</para>
      <para>Verzoeker heeft hiertoe overwogen dat gedaagde onderwijs of een beroepsopleiding</para>
      <para>volgde als bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de Studiefinanciering en</para>
      <para>ingevolge het bepaalde in artikel 9, tweede lid aanhef en onder b, van de Abw</para>
      <para>geen recht had op bijstand.</para>
      <para>Zeer dringende redenen tot bijstandsverlening als bedoeld in artikel 11 van de</para>
      <para>Abw werden niet aanwezig geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat gedaagde tegen dit besluit bezwaar had gemaakt, is dit gehandhaafd bij</para>
      <para>besluit op bezwaar van 10 januari 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door gedaagde tegen het</para>
      <para>besluit van verzoeker van 10 januari 1997 ingestelde beroep gegrond verklaard,</para>
      <para>dit besluit vernietigd, en bepaald dat verzoeker binnen acht weken na</para>
      <para>dagtekening van deze uitspraak een nieuw besluit diende te nemen.</para>
      <para>De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat het bepaalde in artikel 9,</para>
      <para>tweede lid, aanhef, en onder b, van de Abw ten aanzien van gedaagde toepassing</para>
      <para>mist aangezien onderwijs als bedoeld in hoofdstuk II van de WSF voltijdse</para>
      <para>opleidingen betreft, waar in het geval van een extraneus geen sprake van is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het aanvullend beroepschrift is betoogd dat artikel 9, tweede lid aanhef en</para>
      <para>onder b, van de Abw door de rechtbank te eng is uitgelegd.</para>
      <para>Blijkens het verhandelde ter zitting handhaaft appellant dit standpunt niet</para>
      <para>langer gelet op de uitspraak die de Raad heeft gewezen op 25 mei 1999, onder</para>
      <para>meer gepubliceerd in RSV 1999/233 en JABW 1999/113. De gemachtigde van appellant</para>
      <para>heeft terecht onderkend dat deze bepaling in het geval van gedaagde geen basis</para>
      <para>kon vormen voor een afwijzing van gedaagdes aanvraag van 29 augustus 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat laatste geldt in het voorliggende geval ook ten aanzien van artikel 9,</para>
      <para>tweede lid aanhef en onder c, van de Abw, omdat op grond van de gedingstukken</para>
      <para>niet als vaststaand kan worden aangenomen dat gedaagde ten tijde als hier van</para>
      <para>belang een persoon was als bedoeld in dat artikelonderdeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien gedaagde ten tijde van haar aanvraag niet meer daadwerkelijk een</para>
      <para>beroep op de WSF kon doen waar het de kosten van levensonderhoud betreft vanaf 1</para>
      <para>september 1996, kon die wet in de onderhavige situatie niet meer als een</para>
      <para>voorliggende voorziening worden aangemerkt. Het beroep dat appellant in het</para>
      <para>aanvullend beroepschrift onder verwijzing naar de WSF heeft gedaan op artikel 17</para>
      <para>van de Abw, is ter zitting dan ook niet langer gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hetgeen overigens namens appellant is aangevoerd, heeft de Raad evenmin een</para>
      <para>grond kunnen vinden die in het geval van gedaagde afwijzing van haar aanvraag om</para>
      <para>algemene bijstand per 1 september 1996 zou kunnen rechtvaardigen.</para>
      <para>Anders dan namens appellant is betoogd, heeft de Raad uit het bij en krachtens</para>
      <para>de Abw bepaalde en ook uit de wetsgeschiedenis van de Abw niet kunnen afleiden</para>
      <para>dat de destijds door de Kroon geformuleerde algemene regel dat de kosten van</para>
      <para>studie en levensonderhoud, voortvloeiend uit het volgen van onderwijs</para>
      <para>aangevangen boven de leerplichtige leeftijd, niet tot de noodzakelijke</para>
      <para>bestaanskosten behoren, in het kader van de Abw voor gevallen als het</para>
      <para>onderhavige gelding heeft behouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verwijzing naar de jurisprudentie, vermeld in de Memorie van Toelichting op</para>
      <para>artikel 114 van de Abw, treft evenmin doel. Deze onder de werking van de</para>
      <para>Algemene Bijstandswet gevormde jurisprudentie - waarvan de kernoverweging is dat</para>
      <para>in geval van inschrijving als extraneus als vervolg op een beëindigde</para>
      <para>inschrijving als dagstudent er in beginsel van mag worden uitgegaan dat de</para>
      <para>betrokkene een zwaarder gewicht aan zijn studie dan aan het verrichten van</para>
      <para>arbeid in dienstbetrekking toekent - is immers uitsluitend van belang voor de</para>
      <para>beoordeling van de vraag of een extraneus al dan niet behoort tot de</para>
      <para>personenkring als omschreven in artikel 1 van de - in een geval als het</para>
      <para>onderhavige tot 1 januari 1996 gevigeerd hebbende - Rijksgroepsregeling werkloze</para>
      <para>werknemers. Die vraag is in dit geding niet aan de orde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande komt de Raad evenals de rechtbank tot de conclusie dat</para>
      <para>de aangevoerde gronden het bestreden besluit niet kunnen dragen, zodat dit</para>
      <para>besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand kan</para>
      <para>blijven. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb</para>
      <para>appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Die</para>
      <para>kosten worden begroot op f 1.420,-- wegens verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een</para>
      <para>bedrag groot f 1.420,--, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier</para>
      <para>van de Raad;</para>
      <para>Bepaalt dat van de gemeente Amsterdam een recht van f 675,-- wordt geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr J.M.A. van der</para>
      <para>Kolk-Severijns en mr K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr I. de</para>
      <para>Hartog als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 november 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) G.A.J. van den Hurk.</para>
    <para />
    <para>(get.) I. de Hartog.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>2211</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>