<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8528</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T19:55:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8528</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-09-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/299 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0001031&amp;artikel=18&amp;g=1999-09-10">Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers, Straatsburg, 24-11-1977 18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001840&amp;artikel=93&amp;g=1999-09-10">Grondwet 93</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001840&amp;artikel=94&amp;g=1999-09-10">Grondwet 94</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=18&amp;g=1999-09-10">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1999/267</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8528">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8528</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-08T08:12:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8528 Centrale Raad van Beroep , 10-09-1999 / 98/299 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8528:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>De omstandigheid dat betrokkene niet over een verblijfstitel beschikt wordt ten onrechte in het kader van art. 2 onder e van het Schattingsbesluit geplaatst, nu de in dit artikel bedoelde kenmerken op andere aspecten betrekking hebben dan die waarop betrokkene doelt. Zo betrokkene als gevolg van andersoortige regelgeving dan betreffende het sociaal verzekeringsrecht, te weten verblijfsrechtelijke bepalingen, niet in staat is arbeid te verkrijgen, is dit niet toe te schrijven aan de bij betrokkene bestaande beperkingen uit ziekte of gebreken. Die omstandigheid moet derhalve voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene buiten beschouwing worden gelaten.</para>
        <para>Nog daargelaten of deze bepaling moet worden beschouwd als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in art. 93 en 94 Grondwet, kan het beroep op art. 18 lid 2 van het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers niet slagen, omdat uit die bepaling niet voortvloeit dat op het betreffende uitvoeringsorgaan de verplichting rust de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de betrokkene ongewijzigd voort te zetten ook al heeft de betrokken verzekerde op grond van de AAW en de WAO daarop geen aanspraak.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8528:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>98/299 AAW/WAO</para>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <para>
    [appellant] wonende te [woonplaats], appellant,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
    <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
    <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de</para>
    <para>plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige</para>
    <para>geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe</para>
    <para>Industriële Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder</para>
    <para>gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze</para>
    <para>bedrijfsvereniging.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 17 juli 1996 heeft gedaagde de aan appellant</para>
    <para>krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de</para>
    <para>Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende</para>
    <para>uitkeringen, die werden berekend naar een mate van</para>
    <para>arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1</para>
    <para>januari 1997 herzien en nader vastgesteld naar een mate van</para>
    <para>arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft bij uitspraak van</para>
    <para>3 december 1997 het tegen dat besluit ingestelde beroep</para>
    <para>ongegrond verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant is bij gemachtigde mr M.J.A. Leijen, advocaat te</para>
    <para>Alkmaar, van die uitspraak in hoger beroep gekomen. In een</para>
    <para>aanvullend beroepschrift, met bijlagen, zijn de gronden van</para>
    <para>het hoger beroep uiteengezet.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op</para>
    <para>25 juni 1999, waar voor appellant is verschenen</para>
    <para>mr Leijen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen</para>
    <para>door mr J.B. van der Horst, werkzaam bij Gak Nederland B.V.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Onder verwijzing naar rubriek 3 van de aangevallen uitspraak</para>
    <para>voor een uitvoeriger weergave van de in dit geding van belang</para>
    <para>zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de Raad</para>
    <para>dienaangaande met het volgende.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant, die de Turkse nationaliteit heeft, was laatstelijk</para>
    <para>werkzaam als productiemedewerker bij een cokesfabriek. Dit</para>
    <para>werk heeft hij op 30 augustus 1983 definitief gestaakt wegens</para>
    <para>pijnklachten aan de rechter elleboog. Nadat appellant over de</para>
    <para>maximumperiode een uitkering ingevolge de Ziektewet was</para>
    <para>verstrekt, heeft gedaagde hem met ingang van 30 augustus 1984</para>
    <para>in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de AAW en</para>
    <para>de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van</para>
    <para>80 tot 100%. Op 30 januari 1986 heeft appellant van gedaagde</para>
    <para>toestemming gekregen zich met behoud van zijn</para>
    <para>arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in Turkije te vestigen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ter uitvoering van de Wet terugdringing beroep op de</para>
    <para>arbeidsongeschiktheidsregelingen is de mate van appellants</para>
    <para>arbeidsongeschiktheid opnieuw beoordeeld. Daartoe is appellant</para>
    <para>door de Sosyal Sigortalar Kurumu (SSK) in Turkije medisch</para>
    <para>onderzocht. De bevindingen van de SSK zijn aan gedaagde ter</para>
    <para>kennis gebracht via de daartoe bestemde formulieren. Nadien is</para>
    <para>appellant door gedaagde opgeroepen om in Nederland medisch te</para>
    <para>worden onderzocht. Hier is gedaagde op verzoek van de,</para>
    <para>gedaagde adviserende, verzekerings-geneeskundige, J.</para>
    <para>Biersteker, onderzocht door de neuroloog-verzekeringsarts dr</para>
    <para>E.F. Schreuder en de chirurg-ongevalsverzekeringsarts J.D.K.</para>
    <para>Munting. Vervolgens heeft de genoemde</para>
    <para>verzekeringsgeneeskundige appellant onderzocht en is, mede</para>
    <para>gelet op de rapporten van E.F. Schreuder en J.D.K. Munting,</para>
    <para>tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt is voor</para>
    <para>rechterarmsparend werk.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Genoemde verzekeringsgeneeskundige heeft vervolgens de</para>
    <para>belastbaarheid van appellant vastgesteld, welke belastbaarheid</para>
    <para>is verwoord op 1 mei 1996. Een, gedaagde adviserende,</para>
    <para>arbeidsdeskundige is in zijn rapport van</para>
    <para>14 mei 1996 tot de conclusie gekomen dat het verlies aan</para>
    <para>verdienvermogen van appellant 43,57% bedraagt. Na een daartoe</para>
    <para>strekkend advies van gedaagdes administratie heeft gedaagde</para>
    <para>het bestreden besluit genomen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dat besluit</para>
    <para>in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Naar aanleiding van appellants bezwaren van medische aard</para>
    <para>tegen het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat</para>
    <para>beschikbare medische gegevens onvoldoende aanleiding geven tot</para>
    <para>het oordeel dat de medische beperkingen van appellant in het</para>
    <para>voormelde verzekeringsgeneeskundig onderzoek onjuist waren</para>
    <para>vastgesteld. Ook overigens kon het bestreden besluit de</para>
    <para>toetsing van de rechtbank doorstaan.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad onderschrijft de aangevallen uitspraak op de gronden</para>
    <para>waarop de rechtbank haar beslissing heeft doen steunen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In hoger beroep voert appellant dezelfde bezwaren van medische</para>
    <para>aard aan die hij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht.</para>
    <para>Ook in het onderhavige stadium van de gedingvoering heeft</para>
    <para>appellant die bezwaren niet met enig niet reeds bekend medisch</para>
    <para>gegeven onderbouwd. Mede gelet hierop kan de Raad appellant</para>
    <para>dan ook niet volgen in diens stelling dat het bestreden</para>
    <para>besluit op een ontoereikende medische grondslag berust.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Naar aanleiding van hetgeen namens appellant overigens in</para>
    <para>hoger beroep tegen het bestreden besluit en de aangevallen</para>
    <para>uitspraak is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant betoogt dat het bestreden besluit in strijd is te</para>
    <para>achten met artikel 2, onder e, van het Schattingsbesluit (Sb),</para>
    <para>zoals die bepaling ten tijde hier van belang luidde. Hij heeft</para>
    <para>daartoe aangevoerd dat hij niet over een verblijfstitel</para>
    <para>beschikt en dat het een werkgever derhalve niet is toegestaan</para>
    <para>appellant in dienst te nemen. Op grond hiervan is appellant de</para>
    <para>mening toegedaan dat hij zodanige kenmerken heeft dat van een</para>
    <para>werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd hem in een</para>
    <para>bepaalde arbeid te werk te stellen en dat de Nederlandse</para>
    <para>arbeidsmarkt derhalve niet voor hem toegankelijk is zodat de</para>
    <para>onderhavige schatting ten aanzien van hem ten onrechte een</para>
    <para>uitsluitend theoretisch karakter heeft.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad overweegt dat de gestelde omstandigheid dat appellant</para>
    <para>niet over een verblijfstitel beschikt ten onrechte door hem in</para>
    <para>het kader van artikel 2, onder e, van het Sb is geplaatst, nu</para>
    <para>de in dit artikel bedoelde kenmerken op andere aspecten</para>
    <para>betrekking hebben dan die waarop appellant hier doelt. Voorts</para>
    <para>is de Raad -en in de lijn van zijn uitspraak van 28 juni 1989,</para>
    <para>RSV 1990/57- van oordeel dat, zo appellant als gevolg van</para>
    <para>andersoortige regelgeving dan betreffende het sociaal</para>
    <para>verzekeringsrecht, te weten verblijfsrechtelijke bepalingen,</para>
    <para>niet in staat is arbeid te verkrijgen, dit niet toe is te</para>
    <para>schrijven aan de bij appellant bestaande beperkingen uit</para>
    <para>ziekte of gebreken. Die omstandigheid moet derhalve voor de</para>
    <para>vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van</para>
    <para>appellant buiten beschouwing worden gelaten.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Voorts heeft appellant aangevoerd dat het bestreden besluit in</para>
    <para>strijd is te achten met artikel 18, tweede lid, van het</para>
    <para>Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende</para>
    <para>werknemers, op grond van welke bepaling de verdragssluitende</para>
    <para>partijen onder meer alles in het werk dienen te stellen om</para>
    <para>migrerende werknemers te verzekeren van het behoud van de in</para>
    <para>opbouw zijnde en de verkregen rechten met betrekking tot</para>
    <para>sociale zekerheid. Appellant stelt zich op het standpunt dat</para>
    <para>deze bepaling aan herziening van appellants</para>
    <para>arbeidsongeschiktheid naar een lagere klasse in de weg staat</para>
    <para>omdat hij, vanwege het ontbreken van een verblijfstitel geen</para>
    <para>van de voorgehouden functies kan gaan vervullen. Zo de mate</para>
    <para>van zijn arbeidsongeschiktheid wel naar een lagere klasse zou</para>
    <para>mogen herzien, dient appellant naar zijn oordeel hier te lande</para>
    <para>te worden toegelaten, teneinde te kunnen hervatten in</para>
    <para>functies, soortgelijk aan die welke hem zijn voorgehouden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad overweegt met betrekking tot appellants opvatting dat</para>
    <para>de genoemde verdragsbepaling aan herziening tot een lager</para>
    <para>arbeidsongeschiktheidspercentage in de weg staat dat, nog</para>
    <para>daargelaten of deze bepaling moet worden beschouwd als een een</para>
    <para>ieder verbindende bepaling als bedoeld in de artikelen 93 en</para>
    <para>94 van de Grondwet, appellants beroep op de genoemde</para>
    <para>verdragsbepaling niet kan slagen, reeds omdat uit die bepaling</para>
    <para>niet voortvloeit dat op het betreffende uitvoeringsorgaan de</para>
    <para>verplichting rust de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de</para>
    <para>betrokkene ongewijzigd voort te zetten ook al heeft de</para>
    <para>betrokken verzekerde op grond van de betreffende bepalingen in</para>
    <para>de AAW en de WAO daarop geen aanspraak. Appellants argument</para>
    <para>dat, indien de betreffende verdragsbepaling niet in de weg</para>
    <para>staat aan herziening van de arbeidsongeschiktheid in de</para>
    <para>bedoelde zin, appellant dan hier te lande moet worden</para>
    <para>toegelaten, kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden</para>
    <para>besluit, aangezien het hier door appellant aan de orde</para>
    <para>gestelde aspect, dat geen onderwerp van het bestreden besluit</para>
    <para>uitmaakt, noch daarvan behoort uit te maken, buiten de omvang</para>
    <para>van het onderhavige geding valt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gezien het voorgaande slagen appellants grieven in hoger</para>
    <para>beroep niet. De aangevallen uitspraak zal derhalve worden</para>
    <para>bevestigd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
    <para>het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet</para>
    <para>bestuursrecht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en</para>
    <para>mr W.D.M. van Diepenbeek en mr T. Hoogenboom als leden, in</para>
    <para>tegenwoordigheid van mr B. Fijnheer als griffier en</para>
    <para>uitgesproken in het openbaar op 10 september 1999.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>(get.) H. van Leeuwen.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>(get.) B. Fijnheer.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>AB</para>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>