<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8507</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8507</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-09-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/8088 AW + 97/8089 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8507">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8507</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8507 Centrale Raad van Beroep , 02-09-1999 / 97/8088 AW + 97/8089 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8507:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8507:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/8088 AW + 97/8089 AW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Korpsbeheerder van de politieregio</para>
      <para>Amsterdam Amstelland als rechtsopvolger van de</para>
      <para>burgemeester van de gemeente Amsterdam, appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, gedaage.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift</para>
      <para>aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door</para>
      <para>de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 29 mei 1997</para>
      <para>onder nrs. AW 93/70/31 en AW 93/121/31 gegeven uitspraak,</para>
      <para>waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 22 juli 1999,</para>
      <para>waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door</para>
      <para>mr Th. Tanja, juridisch medewerker bij de afdeling</para>
      <para>Bestuurlijke en Juridische Ondersteuning van gedaagde.</para>
      <para>Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door</para>
      <para>mr J.S. Pen, advocaat te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb) in werking getreden en zijn de</para>
      <para>Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten: Ambtenarenwet - en</para>
      <para>de Beroepswet gewijzigd. De hieruit voortvloeiende</para>
      <para>wijziging van het procesrecht (ook) bij ambtenarenzaken</para>
      <para>brengt mee dat op een hoger beroep dat is ingesteld na 31</para>
      <para>december 1993, voor zover de Beroepswet niet anders</para>
      <para>aangeeft, hoofdstuk 8 van de Awb moet worden toegepast.</para>
      <para>De in het kader van evengenoemde wetswijzigingen gegeven</para>
      <para>regels van overgangsrecht brengen overigens mee dat ten</para>
      <para>aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen</para>
      <para>besluiten die vóór 1 januari 1994 zijn bekendgemaakt,</para>
      <para>onderscheidenlijk hoger beroep in te stellen tegen</para>
      <para>uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het recht</para>
      <para>zoals dat gold vóór dat tijdstip van toepassing blijft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een uitgebreide weergave van de voor dit geding van</para>
      <para>belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen</para>
      <para>uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde was tot in november 1992 werkzaam als</para>
      <para>begeleider, tevens plaatsvervangend commandant, in een</para>
      <para>infiltratieteam (team III) van de afdeling X.</para>
      <para>van het Bureau Y. van de Dienst Centrale Executieve</para>
      <para>en Ondersteunende Recherche (CE &amp; OR). In november 1992</para>
      <para>is aan gedaagde naar aanleiding van onderzoeken naar het</para>
      <para>functioneren van team III buitengewoon verlof verleend,</para>
      <para>hetgeen hem door de chef van de Dienst CE &amp; OR mondeling</para>
      <para>is medegedeeld. Bij brief van 23 december 1992 is namens</para>
      <para>gedaagde onder meer verzocht dit buitengewoon verlof met</para>
      <para>onmiddellijke ingang op te heffen.</para>
      <para>Bij besluit van 8 januari 1993 is namens appellants</para>
      <para>rechtsvoorganger geweigerd dit verzoek te honoreren onder</para>
      <para>verwijzing naar het lopende onderzoek (het eerste hier in</para>
      <para>geding zijnde besluit).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat het onderzoek was afgerond heeft appellant bij</para>
      <para>besluit van 8 februari 1993 gedaagde met ingang van 15</para>
      <para>februari 1993 overgeplaatst binnen de Dienst CE &amp; OR naar</para>
      <para>een nader in te vullen functie in overeenstemming met</para>
      <para>gedaagdes rang (hoofdagent) en capaciteiten (het tweede</para>
      <para>hier in geding zijnde besluit).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de namens</para>
      <para>gedaagde tegen deze twee besluiten ingestelde beroepen</para>
      <para>gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd met bepaling</para>
      <para>dat de rechtsgevolgen van het eerste besluit in stand</para>
      <para>blijven, onder bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van appellant is dit oordeel in hoger beroep</para>
      <para>gemotiveerd bestreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Buitengewoon verlof</para>
      <para>De rechtbank heeft geoordeeld dat appellants</para>
      <para>rechtsvoorganger in het onderhavige geval, gezien het</para>
      <para>systeem van de regeling van het buitengewoon verlof van</para>
      <para>korte duur, ten onrechte heeft geweigerd het verleende</para>
      <para>buitengewoon verlof te beëindigen. Nu om opheffing van</para>
      <para>dit verlof was verzocht, was niet langer sprake van een</para>
      <para>vrijwillig karakter van dat verlof. Voorts dient een</para>
      <para>dergelijk verlof van korte duur te zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan de rechtbank hierin niet volgen en overweegt</para>
      <para>daartoe als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 50, eerste lid, van het hier van</para>
      <para>toepassing zijnde Ambtenarenreglement voor de</para>
      <para>gemeentepolitie 1958 (ARGP) kan buitengewoon verlof van</para>
      <para>korte duur, al dan niet met behoud van bezoldiging,</para>
      <para>worden verleend in de gevallen waarin hij, die tot</para>
      <para>verlening van dat verlof bevoegd is, oordeelt, dat</para>
      <para>daartoe aanleiding bestaat. Het voorschrift van artikel</para>
      <para>51 van het ARGP dat de ambtenaar buitengewoon verlof</para>
      <para>dient aan te vragen, staat niet in de weg aan eenzijdige</para>
      <para>verlening van dergelijk verlof.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellants rechtsvoorganger heeft ervoor gekozen van deze</para>
      <para>laatste bevoegdheid gebruik te maken teneinde niet</para>
      <para>genoodzaakt te zijn in een te vroeg stadium van een</para>
      <para>onderzoekstraject een ordemaatregel te treffen die wel</para>
      <para>als diffamerend wordt ervaren. Toen het verzoek om</para>
      <para>opheffing van het verlof werd afgewezen, was de situatie</para>
      <para>nog dezelfde als toen het verlof werd verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad was appellant, gelet op de</para>
      <para>voormelde bepalingen van het ARGP en gezien de ontstane</para>
      <para>situatie, bevoegd tot eenzijdige verlening van</para>
      <para>buitengewoon verlof over te gaan. Ten tijde van de thans</para>
      <para>in geding zijnde afwijzing van gedaagdes verzoek om</para>
      <para>opheffing van het buitengewoon verlof was het onderzoek</para>
      <para>nog niet afgerond en was de situatie waarin tot verlening</para>
      <para>van dat verlof was overgegaan nog ongewijzigd. Nu het</para>
      <para>verlof eind november 1993 was aangevangen, kan voorts</para>
      <para>niet worden gezegd dat ten tijde van de weigering van de</para>
      <para>beëindiging van het verlof op 8 januari 1993 geen sprake</para>
      <para>meer was van korte duur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het vorenstaande treffen de grieven van appellant</para>
      <para>in hoger beroep doel en dient het beroep tegen het eerste</para>
      <para>in geding zijnde besluit alsnog ongegrond te worden</para>
      <para>verklaard. De aangevallen uitspraak komt derhalve in</para>
      <para>zoverre voor vernietiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overplaatsing</para>
      <para>Anders dan de rechtbank heeft overwogen is naar het</para>
      <para>oordeel van de Raad in het onderhavige geval geen sprake</para>
      <para>van een disciplinaire straf van verplaatsing of</para>
      <para>overplaatsing in de zin van artikel 104, eerste lid, sub</para>
      <para>f van het ARGP, maar van een "neutrale" overplaatsing. De</para>
      <para>Raad heeft overigens wel enig begrip voor dit standpunt</para>
      <para>van de rechtbank, dat blijkbaar is ingegeven door de wel</para>
      <para>zeer verwijtende formulering van het besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Weliswaar is deze vorm van overplaatsing in het ten tijde</para>
      <para>hier van belang toepasselijke ARGP niet geregeld, maar</para>
      <para>zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (CRvB 27</para>
      <para>september 1990, TAR 1990, 221) kan dit er onder de vigeur</para>
      <para>van voormeld reglement evenwel niet toe leiden dat die</para>
      <para>bevoegdheid niet zou bestaan en moet deze bevoegdheid als</para>
      <para>voorondersteld worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, bestaat een</para>
      <para>overplaatsing uit twee componenten, te weten de</para>
      <para>ontheffing uit de ene betrekking en het opdragen van een</para>
      <para>andere betrekking, in verband waarmee de motivering van</para>
      <para>een overplaatsingsbesluit van uiteenlopende aard kan</para>
      <para>zijn, al naar het accent valt op de wenselijkheid een ambtenaar</para>
      <para>uit een betrekking te ontheffen dan wel op de wenselijkheid</para>
      <para>die ambtenaar een andere betrekking te doen vervullen.</para>
      <para>Hierbij is een zekere tijdsmarge voor het vinden van een</para>
      <para>passende betrekking aanvaardbaar.</para>
      <para>In het onderhavige geval heeft het zwaartepunt van de</para>
      <para>overplaatsing gelegen in de door appellants</para>
      <para>rechtsvoorganger gevoelde noodzaak gedaagde uit zijn</para>
      <para>functie van begeleider in een infiltratieteam te</para>
      <para>ontheffen. In het in geding zijnde besluit zijn de</para>
      <para>redenen voor ontheffing als volgt geformuleerd:</para>
      <para>"Uit het onderzoek is mij gebleken dat u geen adequate</para>
      <para>boekhouding van de financiële administratie van uw team</para>
      <para>heeft bijgehouden waardoor een oncontroleerbare en een</para>
      <para>onbetrouwbare financiële huishouding is ontstaan. U was</para>
      <para>verantwoordelijk voor deze financiële administratie</para>
      <para>conform de gemaakte werkafspraken. Hoewel niet gesteld</para>
      <para>kan worden dat u zich schuldig heeft gemaakt aan</para>
      <para>malversaties, acht ik uw gedragingen een ernstige vorm</para>
      <para>van normafwijkend gedrag.</para>
      <para>Daarnaast heeft u zich als teamlid overgegeven aan een</para>
      <para>excessief gedrags- en bestedingspatroon.</para>
      <para>Tenslotte kan worden gesteld dat u uw</para>
      <para>verantwoordelijkheden en taken als begeleider van een</para>
      <para>pseudo-koper ernstig heeft verzaakt doordat u gedurende</para>
      <para>de periode dat hij actief was verlof heeft opgenomen.</para>
      <para>Daarmee heeft u de aan uw zorg toevertrouwde collega aan</para>
      <para>ongeoorloofde en ernstige risico's blootgesteld, hetgeen</para>
      <para>u zeer kwalijk is te nemen.</para>
      <para>Het geheel in ogenschouw nemend kom ik tot de conclusie</para>
      <para>dat uw hiervoor beschreven gedragingen hebben geleid tot</para>
      <para>de overweging u wegens ongeschiktheid voor de functie van</para>
      <para>politieambtenaar te ontslaan. Dat het voorgaande nog niet</para>
      <para>tot verwijdering uit de politiedienst heeft geleid, is</para>
      <para>gelegen in het feit dat ik thans van mening ben dat hier</para>
      <para>sprake is van een situatieve ongeschiktheid. Uw</para>
      <para>arbeidsverleden binnen de gemeentepolitie Amsterdam geeft</para>
      <para>mij aanleiding te veronderstellen dat u op een andere</para>
      <para>werkplek, binnen de Dienst Executieve en Ondersteunende</para>
      <para>Recherche, wel naar behoren zult kunnen functioneren.</para>
      <para>Tegelijkertijd wordt u hiermee de kans geboden uzelf</para>
      <para>opnieuw als politieambtenaar te bewijzen.</para>
      <para>Gelet op bovengenoemde aspecten acht ik het niet langer</para>
      <para>aanvaardbaar dat u werkzaamheden blijft verrichten bij</para>
      <para>Bureau Recherche Operaties. Gezien de ernst van de</para>
      <para>geconstateerde feiten draagt voortzetting van uw</para>
      <para>werkzaamheden bovendien het gevaar in zich van verdere</para>
      <para>schade aan het aanzien van de politiedienst en van</para>
      <para>verdere negatieve gevolgen voor uw eigen functievervulling.</para>
      <para>Bij de afweging van alle betrokken belangen heb ik uw</para>
      <para>persoonlijk belang nadrukkelijk tegen het bovenstaande afgezet."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot hetgeen gedaagde ten aanzien van de</para>
      <para>financiële administratie wordt verweten, overweegt de</para>
      <para>Raad dat van de door appellant geconstateerde gebreken</para>
      <para>weinig concreets in de gedingstukken is terug te vinden.</para>
      <para>De gemaakte werkafspraken dienaangaande waren blijkens</para>
      <para>een overgelegd memorandum van 1 april 1992 ook erg</para>
      <para>globaal. Gedaagde heeft voorts tot november 1992 nooit te</para>
      <para>horen gekregen dat de boekhouding niet aan de regels</para>
      <para>voldeed, zodat enige kans tot verbetering hem ook niet is</para>
      <para>geboden. Van de zijde van gedaagde is verder aangevoerd</para>
      <para>dat de door hem ingediende begrotingen volgens de daartoe</para>
      <para>voorgeschreven procedure waren goedgekeurd en dat het</para>
      <para>team met de uitgaven binnen deze begrotingen is gebleven,</para>
      <para>hetgeen namens appellant niet is weersproken.</para>
      <para>Dat door de begeleiders van het team geen bonnen van</para>
      <para>maaltijden en dergelijke werden overgelegd, is blijkbaar</para>
      <para>lange tijd geaccepteerd door de leiding en er is niet</para>
      <para>gebleken dat ten tijde hier van belang een andere</para>
      <para>opdracht was gegeven.</para>
      <para>Onder deze omstandigheden acht de Raad hetgeen gedaagde</para>
      <para>wordt verweten in dit kader onvoldoende onderbouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van het gestelde excessieve gedrags- en</para>
      <para>bestedingspatroon geldt naar het oordeel van de Raad</para>
      <para>eveneens dat hetgeen gedaagde wordt verweten niet</para>
      <para>voldoende concreet is onderbouwd, nu geen enkel</para>
      <para>vergelijkingsmateriaal (van andere teams bijvoorbeeld) is</para>
      <para>aangedragen, de uitgaven door de leiding werden</para>
      <para>goedgekeurd en, zoals hierboven reeds is overwogen, de</para>
      <para>uitgaven de goedgekeurde begrotingen niet overstegen. Dat</para>
      <para>er sprake was van excessief gedrag is al in het geheel</para>
      <para>niet onderbouwd met enig voorbeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de begeleiding van pseudo-kopers komt</para>
      <para>de Raad tot eenzelfde conclusie. Dat gedaagde door het</para>
      <para>opnemen van verlof een pseudo-koper aan ernstige risico's</para>
      <para>heeft blootgesteld is in het geheel niet aangetoond.</para>
      <para>Blijkens gedaagdes mededeling ter zitting is hij in de</para>
      <para>desbetreffende periode gedurende vier weken naar Thailand</para>
      <para>geweest en had hij toestemming van de dienstleiding voor</para>
      <para>dit verlof, hetgeen van de zijde van appellant niet is</para>
      <para>weersproken. Van ernstig tekortschieten als begeleider</para>
      <para>acht de Raad derhalve in dit kader geen sprake. Ook</para>
      <para>overigens zijn van de zijde van appellant geen</para>
      <para>overtuigende voorbeelden van dit tekortschieten genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het vorenstaande kan het overplaatsingsbesluit in</para>
      <para>rechte geen stand houden en komt de aangevallen uitspraak</para>
      <para>voor wat betreft het tweede in geding zijnde besluit voor</para>
      <para>bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht ten slotte termen aanwezig om appellant met</para>
      <para>toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot</para>
      <para>vergoeding van de proceskosten van gedaagde in hoger</para>
      <para>beroep, welke worden begroot op f 710,- voor kosten van</para>
      <para>rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij</para>
      <para>het beroep tegen het besluit van 8 januari 1993 gegrond</para>
      <para>is verklaard en dat besluit is vernietigd;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep tegen het besluit van 8</para>
      <para>januari 1993 alsnog ongegrond;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in</para>
      <para>hoger beroep tot een bedrag groot f 710,-, te betalen</para>
      <para>door de politieregio Amsterdam-Amstelland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter</para>
      <para>en mr A. Beuker-Tilstra en mr Tj. Gerbranda als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr M.M. van Maurik als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 2 september 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) H.A.A.G. Vermeulen.</para>
    <para />
    <para>(get.) M.M. van Maurik.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>16.08</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>