<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8491</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T08:57:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8491</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-08-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/2255 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1999-08-03">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1999, 409</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1999, 287</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8491">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8491</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-12-03T15:06:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8491 Centrale Raad van Beroep , 03-08-1999 / 98/2255 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8491:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vergoeding vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedures.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8491:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>98/2255 WW</para>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <para>
    [A. te B.], gedaagde.</para>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen</para>
    <para>van een door de Arrondissementsrechtbank te Assen onder dagtekening 18</para>
    <para>februari 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Namens gedaagde heeft mr H. Koelewijn, advocaat te Utrecht, een verweerschrift</para>
    <para>ingediend.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 juni 1999, waar</para>
    <para>appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr P.J. van Ogtrop, werkzaam</para>
    <para>bij Gak Nederland bv, terwijl gedaagde, zoals tevoren bericht, niet is verschenen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gedaagde is op 4 maart 1996 op staande voet ontslagen uit haar werk als</para>
    <para>technisch administratief medewerkster, welk ontslag zij heeft aangevochten. De</para>
    <para>arbeidsovereenkomst is uiteindelijk door de kantonrechter per 1 juli 1996 ontbonden.</para>
    <para>Bij besluit van 28 augustus 1996 is aan gedaagde met ingang van 1 juli 1996</para>
    <para>een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend.</para>
    <para>Vervolgens is bij besluit van 12 september 1996 op deze uitkering een sanctie toegepast</para>
    <para>van 20% gedurende een periode van 16 weken op grond van verwijtbare werkloosheid.</para>
    <para>Gedaagde heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend waarbij zij</para>
    <para>onder meer heeft doen verzoeken om haar in het geval van gegrondverklaring van</para>
    <para>het bezwaar een bedrag toe te kennen terzake van de kosten van rechtsbijstand.</para>
    <para>Bij besluit van 6 februari 1997 zijn de bezwaren van gedaagde gegrond</para>
    <para>verklaard. Hierbij is overwogen dat de mate van verwijtbaarheid van het</para>
    <para>ontslag niet duidelijk meer is vast te stellen en dat aan gedaagde het</para>
    <para>voordeel van de twijfel wordt gegund, hetgeen betekent dat de sanctie in het</para>
    <para>door gedaagde bestreden besluit van 12 september 1996 komt te vervallen.</para>
    <para>Gedaagde heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op het verzoek om vergoeding van de tengevolge van het besluit van 12</para>
    <para>september 1996 geleden schade bestaande uit de kosten van de in de bezwaarfase</para>
    <para>verleende rechtsbijstand, is bij primair besluit van 7 februari 1997 een</para>
    <para>beslissing genomen. Bij dit besluit is het verzoek om vergoeding van die</para>
    <para>kosten afgewezen.</para>
    <para>Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 16 april</para>
    <para>1997 ongegrond verklaard. Appellant heeft hierbij onder meer verwezen naar de</para>
    <para>uitspraken van de Raad van 24 januari 1995, JB 1995/47, 18 juni 1996,</para>
    <para>AB 1997/97 en 24 oktober 1996, TAR 1997/19.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gedaagde heeft tegen het besluit van 16 april 1997 beroep bij de rechtbank</para>
    <para>doen instellen. Naar de opvatting van gedaagde is haar verzoek om vergoeding</para>
    <para>van de kosten van rechtsbijstand ten onrechte afgewezen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat appellant</para>
    <para>ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte</para>
    <para>kosten van rechtsbijstand ten onrechte bij afzonderlijk, nieuw primair besluit</para>
    <para>een beslissing heeft genomen en niet in het kader van de beslissing op het</para>
    <para>bezwaar tegen het besluit van 12 september 1996.</para>
    <para>De rechtbank acht het in overeenstemming met de strekking van artikel 8:73 van</para>
    <para>de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat, wanneer in het kader van de</para>
    <para>bezwaarprocedure aan het bestuursorgaan een verzoek wordt gedaan om vergoeding</para>
    <para>van door het primaire besluit veroorzaakte schade, het bestuursorgaan daarop</para>
    <para>in het kader van het besluit op bezwaar een beslissing neemt. Door van het</para>
    <para>bestuursorgaan te verlangen dat naar aanleiding van door het primaire besluit</para>
    <para>veroorzaakte schade bij het besluit op bezwaar wordt beslist, kan naar het</para>
    <para>oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke versnelling van de procedure worden</para>
    <para>bereikt. Het bezwaarschrift had daarom naar de opvatting van de rechtbank</para>
    <para>dienen te worden aangemerkt als een beroepschrift tegen het besluit van 6</para>
    <para>februari 1997 dat op de voet van artikel 6:15 van de Awb naar de rechtbank had</para>
    <para>moeten worden doorgezonden. Het besluit van 16 april 1997 dient om die reden</para>
    <para>te worden vernietigd.</para>
    <para>De rechtbank heeft voorts het besluit van 6 februari 1996 gedeeltelijk</para>
    <para>vernietigd omdat dit besluit in de opvatting van de rechtbank geen adequate</para>
    <para>reactie is op hetgeen namens gedaagde in bezwaar ter zake van de vergoeding</para>
    <para>van de kosten van rechtsbijstand is aangevoerd.</para>
    <para>Vervolgens heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien, waarbij de rechtbank</para>
    <para>het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase</para>
    <para>heeft afgewezen. Tenslotte is appellant veroordeeld tot betaling van</para>
    <para>griffierecht en proceskosten van gedaagde in de beroepsprocedure.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant voert in hoger beroep aan dat de rechtbank zich ten onrechte op het</para>
    <para>standpunt heeft gesteld dat appellant gehouden is om op een in een lopende</para>
    <para>bezwaarprocedure gedaan verzoek tot betaling van kosten van rechtsbijstand in</para>
    <para>het besluit op bezwaar een beslissing te nemen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>In lijn met 's Raads uitspraak van 7 oktober 1997, JB 1997/256 wordt overwogen</para>
    <para>dat gedaagde niet verplicht was om in het besluit op bezwaar van 6 februari</para>
    <para>1997 tevens te beslissen omtrent het verzoek om vergoeding van de kosten van</para>
    <para>rechtsbijstand in de bezwaarfase. De Raad acht hierbij van belang het voorwerp</para>
    <para>van bezwaar, te weten de op de werkloosheidsuitkering van gedaagde toegepaste</para>
    <para>sanctie. Gelet op de systematiek van de Awb heeft gedaagde het daarnaast in</para>
    <para>het bezwaarschrift tegen het besluit van 12 september 1996 opgenomen verzoek</para>
    <para>om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand kunnen opvatten als een verzoek</para>
    <para>terzake een nieuw, primair besluit te nemen.</para>
    <para>Uit de opvatting van de Raad dat een bestuursorgaan niet gehouden is bij het</para>
    <para>besluit op bezwaar omtrent evenbedoeld verzoek een besluit te nemen, vloeit</para>
    <para>logischerwijze voort dat een bestuursorgaan in voorkomende gevallen om</para>
    <para>proceseconomische redenen bij het besluit op bezwaar hieromtrent een</para>
    <para>beslissing kan nemen, tegen welke beslissing dan rechtstreeks beroep op de</para>
    <para>rechtbank openstaat.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank het besluit van 16 april 1997</para>
    <para>alsmede het besluit van 6 februari 1997, voorzover hierbij niet is beslist op</para>
    <para>het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase,</para>
    <para>ten onrechte heeft vernietigd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ter beoordeling ligt, gegeven het inleidende beroep, thans nog voor of</para>
    <para>gedaagde bij het besluit van 16 april 1997 terecht het bezwaar tegen het</para>
    <para>primair besluit van 7 februari 1997, inhoudende een afwijzing van het verzoek</para>
    <para>om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand,</para>
    <para>ongegrond heeft verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij verwijst hiervoor naar</para>
    <para>hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak omtrent het verzoek van</para>
    <para>gedaagde heeft overwogen.</para>
    <para>Ook de Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval niet kan worden</para>
    <para>gesproken van bijzondere omstandigheden als bedoeld in zijn uitspraak van</para>
    <para>onder meer 27 mei 1997, AB 1997/327, op grond waarvan de kosten van</para>
    <para>rechtsbijstand in bezwaar niet voor rekening van gedaagde zouden kunnen</para>
    <para>blijven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het</para>
    <para>bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Derhalve moet als volgt worden beslist.</para>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr J.C.F. Talman als voorzitter en mr M.A. Hoogeveen en</para>
    <para>mr Th.C. van Sloten als leden in tegenwoordigheid van mr G. Leppink-Kooistra</para>
    <para>als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 1999.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>                         (get.) J.C.F. Talman.</para>
  <para />
  <para>                         (get.) G. Leppink-Kooistra.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>JdB</para>
    <para>0608</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>