<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8439</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-13T14:37:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8439</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-08-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/3221 AW, 97/3222 AW, 97/3223 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#schadevergoedingsuitspraak">Schadevergoedingsuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1999-08-19">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8439">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8439</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8439 Centrale Raad van Beroep , 19-08-1999 / 97/3221 AW, 97/3222 AW, 97/3223 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8439:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Terugkeer in functie en schadevergoeding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8439:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/3221 AW, 97/3222 AW en 97/3223 AW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Minister van Justitie, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger</para>
      <para>beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam onder</para>
      <para>de nrs. AW 95/3777-G5, AW 96/4901-FW en AW 96/236-G5 op 7 maart 1997 gegeven</para>
      <para>uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn enkele door de Raad</para>
      <para>gestelde vragen beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn behandeld ter zitting van 27 mei 1999, alwaar appellant in</para>
      <para>persoon is vrschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr</para>
      <para>A.G. Castermans, advocaat te Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij zijn uitspraak van 23 maart 1995, AW 1993/885 t/m 891 heeft de Raad,</para>
      <para>voorzover in het thans voorliggende geding van belang, de door de rechtbank</para>
      <para>uitgesproken vernietiging van een besluit van gedaagde van 12 januari 1993,</para>
      <para>houdende ontheffing van appellant uit diens functie van plaatsvervangend</para>
      <para>kabinetschef en tijdelijke plaatsing in de functie van juridisch medewerker</para>
      <para>bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven, bevestigd, doch de door de rechtbank</para>
      <para>uitgesproken gedektverklaring van de nietigheid van dat besluit vernietigd.</para>
      <para>Na evengenoemde uitspraak heeft appellant bij brief van 18 april 1995 aan</para>
      <para>gedaagde onder meer verzocht om zijn terugkeer op het Parket van de</para>
      <para>Procureur-Generaal bij het Hof te 's-Gravenhage (hierna: het Parket) te</para>
      <para>bewerkstelligen. Gedaagde heeft bij besluit van 2 mei 1995 onder meer dit</para>
      <para>verzoek afgewezen. Appellant heeft tegen het uitblijven van een beslissing op</para>
      <para>het door hem tegen voormeld besluit gemaakt bezwaar beroep ingesteld.</para>
      <para>Evenvermeld bezwaar is bij gedaagdes besluit van 21 oktober 1996</para>
      <para>niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para>Ook tegen dat besluit heeft appellant beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 22 december 1995 heeft gedaagde opnieuw  beslist op het door</para>
      <para>appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 22 juni 1994 tot definitieve</para>
      <para>plaatsing bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak is op het beroep van appellant tegen het</para>
      <para>uitblijven van een beslissing van gedaagde om op het bezwaar tegen voormeld</para>
      <para>besluit van 2 mei 1995 te beslissen en het door de rechtbank bij dat beroep</para>
      <para>met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuurswet</para>
      <para>(Awb) betrokken besluit van 21 oktober 1996, beslist als volgt:</para>
      <para>AW 95/3777-G5: verklaart het beroep (...) ongegrond;</para>
      <para>AW 96/4901-FW: verklaart het beroep gegrond (...), vernietigt het besluit van</para>
      <para>21 oktober 1996 (...) doch bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats</para>
      <para>treedt van dit besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat eisers bezwaar tegen</para>
      <para>het besluit van 2 mei 1995 in zoverre ongegrond wordt verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep van appellant tegen het besluit van 22 december 1995 is bij de</para>
      <para>aangevallen uitspraak (AW 96/236-G5) ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep tegen de onderdelen AW 95/3777-G5 en AW 96/4901-FW van de</para>
      <para>aangevallen uitspraak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van appellants hoger beroep tegen de hiervoor weergegeven</para>
      <para>onderdelen van de aangevallen uitspraak met de nummers AW 95/3777-G5 en AW</para>
      <para>96/4901-FW overweegt de Raad het navolgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten tijde van gedaagdes besluit van 2 mei 1995 gold voor appellant in verband</para>
      <para>met zijn definitieve overplaatsing naar de functie van juridisch medewerker</para>
      <para>bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven de toenmalige Directeur Gerechtelijke</para>
      <para>Ondersteuning (hierna: de DGO) als het tot aanstellen bevoegde gezag.</para>
      <para>Aangezien de DGO mede als bevoegd gezag gold ten aanzien van functies tot en</para>
      <para>met schaal 12 op het Parket, kan de Raad tot geen andere conclusie komen dan</para>
      <para>dat uitsluitend deze DGO bevoegd was om een beslissing te nemen op het</para>
      <para>verzoek van appellant om zijn terugkeer naar het Parket te bewerkstelligen.</para>
      <para>Aangezien aan gedaagde aldus generlei bevoegdheid dienaangaande toekwam, had</para>
      <para>gedaagde het aan hem gerichte verzoek dan ook dienen door te zenden naar de DGO.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De omstandigheid dat gedaagde het besluit van 2 mei 1995 had genomen brengt</para>
      <para>mee dat gedaagde wel bevoegd was om op het bezwaar van appellant tegen dit</para>
      <para>besluit te beslissen. De enig juiste beslissing op het bezwaar zou evenwel</para>
      <para>geweest zijn om het bezwaar gegrond te verklaren, het besluit van 2 mei 1995</para>
      <para>te vernietigen en het verzoek van appellant alsnog aan de DGO toe te zenden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande brengt mee dat het besluit van 21 oktober 1996, onder</para>
      <para>gegrondverklaring van het daartegen ingestelde beroep, voor vernietiging in</para>
      <para>aanmerking komt. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van</para>
      <para>de Awb tevens het bezwaar tegen het besluit van 2 mei 1995 gegrond verklaren</para>
      <para>en het besluit van 2 mei 1995 vernietigen. De Raad voegt hieraan toe dat hij</para>
      <para>gedaagde geen opdracht zal geven om appellants verzoek van 18 april 1995 aan</para>
      <para>de DGO door te zenden, aangezien de DGO bij besluit van 27 december 1995</para>
      <para>reeds over appellants positie bij het Parket heeft beslist.</para>
      <para>Omdat de Raad met de rechtbank van oordeel is dat appellants beroep naar</para>
      <para>aanleiding van het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van</para>
      <para>2 mei 1995 ontvankelijk is te achten en aangezien voorts appellant door zijn</para>
      <para>verzoek om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb</para>
      <para>nog belang heeft bij een gegrondverklaring van het beroep tegen dit fictieve</para>
      <para>bsluit, zal de Raad ook dat beroep gegrond verklaren en dit fictieve besluit vernietigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Aan dit verzoek</para>
      <para>ligt ten grondslag dat appellant immateriële schade heeft geleden doordat hij</para>
      <para>ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om terug te keren naar het</para>
      <para>Parket en doordat gedaagde de beslistermijn voor het nemen van een besluit op</para>
      <para>het bezwaar aanzienlijk heeft overschreden. De Raad begrijpt appellants</para>
      <para>verzoek aldus dat verzocht wordt om vergoeding van immateriële schade op de</para>
      <para>voet van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, bestaande uit als</para>
      <para>aantasting van appellants persoon aan te merken geestelijk letsel en</para>
      <para>aantasting van appellants eer en goede naam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat in casu slechts die immateriële schade aan de orde</para>
      <para>kan komen waarvan genoegzaam aannemelijk is dat die schade in zodanig verband</para>
      <para>staat met de onrechtmatig bevonden weigering om appellant te laten terugkeren</para>
      <para>naar het Parket en de fictieve weigering om op het bezwaar tegen het besluit</para>
      <para>van 2 mei 1995 te beslissen dat zij gedaagde, mede gezien de aard van de</para>
      <para>aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van die besluiten kan worden</para>
      <para>toegerekend. Dit betekent dat moet worden voorbij gegaan aan appellants</para>
      <para>vordering voorzover die betrekking heeft op immateriële schade voortvloeiend</para>
      <para>uit de omstandigheid dat appellant al vele jaren in onzekerheid en in</para>
      <para>spanning verkeert, dat hij ernstige en onnodige teleurstellingen heeft moeten</para>
      <para>ondervinden en dat gedaagde geen serieuze pogingen heeft ondernomen om tot</para>
      <para>een oplossing van de problemen te komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen, dat tengevolge van de</para>
      <para>thans in geding zijnde besluiten sprake is geweest van als aantasting van</para>
      <para>appellants persoon aan te merken geestelijk letsel waaraan hij aanspraak op</para>
      <para>vergoeding van immateriële schade kan ontlenen.</para>
      <para>Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 1995,</para>
      <para>gepubliceerd in NJ 1997, 366 tekent de Raad hierbij aan dat daarvoor</para>
      <para>onvoldoende is dat - zoals in het onderhavige geval - sprake is van meer of</para>
      <para>minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een</para>
      <para>onrechtmatig besluit of een daarmee gelijk te stellen onrechtmatige handeling</para>
      <para>van een bestuursorgaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 27 november 1997, nr. 96/5976 AW, heeft de Raad de</para>
      <para>schadevergoeding ten bedrage van f 10.000,-, waartoe de rechtbank gedaagde</para>
      <para>had veroordeeld wegens schending van appellants eer en goede naam tengevolge</para>
      <para>van de definitieve plaatsing van appellant vanaf 1 juli 1994 bij het</para>
      <para>Schadefonds Geweldsmisdrijven in stand gelaten. Appellant heeft niet</para>
      <para>aannemelijk gemaakt dat de thans in geding zijnde weigering hem te laten</para>
      <para>terugkeren naar het Parket opnieuw tot zodanige schending heeft geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de Raad is voorts niet gebleken dat de aanzienlijke vertraging die bij</para>
      <para>gedaagde is opgetreden in het nemen van een besluit op appellants bezwaar</para>
      <para>tegen het besluit van 2 mei 1995 heeft geleid tot een schending van</para>
      <para>appellants eer en goede naam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad moet derhalve concluderen dat hij geen voor vergoeding in aanmerking</para>
      <para>komende immateriële schade aanwezig ziet, zodat appellants verzoek om</para>
      <para>toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb niet voor</para>
      <para>toewijzing in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het hoger beroep tegen onderdeel AW 96/236-G5</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen</para>
      <para>uitspraak onder nr AW 96/236-G5 overweegt de Raad dat hij de conclusie van de</para>
      <para>rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd geheel kan</para>
      <para>onderschrijven. Dit deel van de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging</para>
      <para>in aanmerking. Gelet op dit oordeel van de Raad behoeft het verzoek van</para>
      <para>appellant om toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Awb geen bespreking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht tenslotte termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel</para>
      <para>8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding in de kosten van appellant,</para>
      <para>welke worden begroot op f 36,-- wegens de reiskosten in hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad beslist als volgt:</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak onder de nrs AW 95/3777-G5 en 96/4901-FW,</para>
      <para>voor zover aangevallen;</para>
      <para>Verklaart het beroep tegen het fictieve besluit en het besluit van 21 oktober</para>
      <para>1996 alsnog gegrond en vernietigt deze besluiten;</para>
      <para>Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 2 mei 1995 alsnog gegrond en</para>
      <para>vernietigt het besluit van 2 mei 1995;</para>
      <para>Wijst het verzoek om schadevergoeding af;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak onder nr 96/236-G5;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van f</para>
      <para>36,--, te betalen door de Staat der Nederlanden;</para>
      <para>Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het griffierecht van in</para>
      <para>totaal f 515,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr A. Beuker-Tilstra</para>
      <para>en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden in tegenwoordigheid van mr M.M. van</para>
      <para>Maurik als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) W. van den Brink.</para>
    <para />
    <para>(get.) M.M. van Maurik.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>10.08</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>