<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8431</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-30T15:54:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8431</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-05-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/344 WAO + 97/6454 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=18&amp;g=1999-05-28">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8431">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8431</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8431 Centrale Raad van Beroep , 28-05-1999 / 97/344 WAO + 97/6454 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8431:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>In een geval waarin de uitkeringsgerechtigde is aangewezen op werk in WSW-verband brengt de zorgvuldigheid mee dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt voortgezet tot het moment waarop is beslist over (her)opneming in de personenkring van de WSW; van een betrokkene kan worden gevergd dat hij daartoe gerichte activiteiten ontwikkelt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8431:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>97/ 344 WAO</para>
      <para>97/6454 WAO</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de</para>
      <para>plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige</para>
      <para>geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten. In deze uitspraak</para>
      <para>wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze</para>
      <para>bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 april 1994 heeft gedaagde appellants</para>
      <para>uitkering ingevolge de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk</para>
      <para>werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80</para>
      <para>tot 100%, met ingang van 15 juni 1994 ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van</para>
      <para>3 december 1996 het namens appellant tegen dat besluit</para>
      <para>ingestelde beroep gegrond verklaard en dat</para>
      <para>besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank beslissingen</para>
      <para>gegeven terzake van de proceskosten en het griffierecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is mr W.G. Fischer, advocaat te</para>
      <para>Beverwijk, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden,</para>
      <para>van die uitspraak in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft</para>
      <para>gedaagde een afschrift overgelegd van zijn besluit van 22 juli</para>
      <para>1997, waarbij appellants uitkering ingevolge de WAO met ingang</para>
      <para>van 15 augustus 1994 wordt ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 26 januari 1999 heeft gedaagde enige vragen van</para>
      <para>de Raad beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op</para>
      <para>16 april 1999. Appellant is daar in persoon verschenen,</para>
      <para>bijgestaan door mr Fischer, als zijn raadsman, en S.R.</para>
      <para>Balasar, als tolk. Gedaagde heeft zich daar laten</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr E.G. van Roest, werkzaam bij Gak</para>
      <para>Nederland B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het besluit van 22 juli 1997 heeft gedaagde appellants</para>
      <para>uitkering ingevolge de WAO alsnog met ingang van</para>
      <para>15 augustus 1994 ingetrokken. Gedaagde heeft dit besluit</para>
      <para>genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Dit</para>
      <para>besluit dient aangemerkt te worden als een besluit als bedoeld</para>
      <para>in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
      <para>Aangezien gedaagde met dit besluit niet geheel aan appellants</para>
      <para>beroep tegemoet is gekomen wordt het beroep, op grond van</para>
      <para>artikel 6:19, eerste lid, van de Awb en artikel 6:24 van de</para>
      <para>Awb, mede gericht geacht tegen het besluit van 22 juli 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, samengevat,</para>
      <para>het volgende overwogen. In de eerste plaats heeft de rechtbank</para>
      <para>overwogen dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft</para>
      <para>gesteld dat appellant ten tijde in geding niet langer</para>
      <para>arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO omdat hij medisch</para>
      <para>gezien in staat moest worden geacht om zijn werk ingevolge de</para>
      <para>Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) bij DSW-Zaandam weer te</para>
      <para>verrichten. Onder verwijzing naar de in RSV 1989/220</para>
      <para>gepubliceerde uitspraak van de Raad heeft de rechtbank voorts</para>
      <para>overwogen dat in een geval als het onderhavige, waarin een</para>
      <para>uitkeringsgerechtigde is aangewezen op werkzaamheden in</para>
      <para>WSW-verband, de zorgvuldigheid eist dat de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt voortgezet tot het</para>
      <para>moment waarop over (her)opneming in de zogeheten</para>
      <para>WSW-personenkring is beslist, waarbij van de</para>
      <para>uitkeringsgerechtigde gevergd kan worden dat hij daartoe zelf</para>
      <para>doelgerichte activiteiten ontwikkelt. De rechtbank heeft</para>
      <para>verder vastgesteld dat appellant op 15 juni 1994 niet meer tot</para>
      <para>de personenkring van de WSW behoorde omdat zijn dienstverband</para>
      <para>op grond van artikel 28, eerste lid, van de WSW, was verbroken</para>
      <para>en de plaatsingscommissie van de WSW niet over zijn heropname</para>
      <para>in de personenkring had beslist. De rechtbank heeft tevens</para>
      <para>overwogen dat van appellant had mogen worden verwacht dat hij</para>
      <para>zich, na een hem vanwege gedaagde gezonden brief van 15 april</para>
      <para>1994, opnieuw bij zijn werkgever zou hebben aangemeld, hetgeen</para>
      <para>hij echter heeft nagelaten. Op grond van voorgaande</para>
      <para>overwegingen heeft de rechtbank het redelijk geacht dat</para>
      <para>gedaagde appellants uitkering ingevolge de WAO zou</para>
      <para>intrekken met ingang van het moment waarop over diens</para>
      <para>heropneming in de WSW-personenkring zou zijn beslist als hij</para>
      <para>zich tijdig zou hebben aangemeld. De rechtbank was van oordeel</para>
      <para>dat een termijn van vier maanden na verzending van de brief</para>
      <para>van 15 april 1994 in deze redelijk was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is namens appellant -kort gezegd- bezwaar</para>
      <para>gemaakt tegen de overweging van de rechtbank dat gedaagde zijn</para>
      <para>uitkering ingevolge de WAO vier maanden na de brief van 15</para>
      <para>april 1994 mocht intrekken. Appellant heeft niet langer</para>
      <para>bestreden dat hij ten tijde in geding in staat was zijn arbeid</para>
      <para>in WSW-verband te verrichten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of de</para>
      <para>aangevallen uitspraak en het door gedaagde ter uitvoering van</para>
      <para>die uitspraak genomen besluit van 22 juli 1997, in rechte</para>
      <para>stand kunnen houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan zich verenigen met de overwegingen van de</para>
      <para>rechtbank en neemt deze over.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd</para>
      <para>overweegt de Raad als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met appellant is de Raad van oordeel dat de brief van</para>
      <para>15 april 1994 geen expliciete aanwijzing bevat op grond</para>
      <para>waarvan hij zich had dienen te realiseren dat hij zich bij</para>
      <para>DSW-Zaandam had dienen te melden. Deze brief vermeldt echter</para>
      <para>wel duidelijk dat hij geschikt werd geacht voor zijn eigen</para>
      <para>werk. Uit het zich onder de gedingstukken bevindende</para>
      <para>arbeidskundige rapport van 30 maart 1994</para>
      <para>blijkt voorts dat de behandelende arbeidsdeskundige</para>
      <para>appellant al op 30 maart 1994, in het bijzijn van zijn broer,</para>
      <para>mondeling te kennen heeft gegeven dat hij in staat werd geacht</para>
      <para>om zijn eigen werk weer te verrichten en dat hem door de</para>
      <para>arbeidsdeskundige dringend advies werd gegeven contact met de</para>
      <para>werkgever op te nemen. Appellant heeft niet bestreden dat het</para>
      <para>gesprek in de in voormeld rapport weergegeven zin heeft</para>
      <para>plaatsgevonden. Gelet op de inhoud van dat gesprek is de Raad</para>
      <para>van oordeel dat appellant zich reeds op 30 maart 1994 had</para>
      <para>kunnen en moeten realiseren dat hij zich voor werkhervatting</para>
      <para>bij DSW-Zaandam had kunnen melden. De omstandigheid dat de</para>
      <para>brief van 15 april 1994 niet een volledige weergave van het</para>
      <para>gesprek van 30 maart 1994 bevat kan aan die conclusie niet</para>
      <para>afdoen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de voorhanden zijnde gegevens heeft de Raad met</para>
      <para>de rechtbank echter moeten vaststellen dat appellant zich na</para>
      <para>30 maart 1994 niet bij zijn voormalige werkgever heeft gemeld</para>
      <para>en ook anderszins geen poging heeft ondernomen om weer in de</para>
      <para>WSW-personenkring te worden opgenomen. De omstandigheid dat</para>
      <para>appellant zich, naar is gesteld, niet kon verenigen met de</para>
      <para>beëindiging van zijn dienstverband op 19 juni 1993 en in</para>
      <para>verband daarmee contact heeft opgenomen met DSW-Zaandam, kan</para>
      <para>naar het oordeel van de Raad niet aangemerkt worden als een in</para>
      <para>dit verband relevant verzoek van appellant om weer toegelaten</para>
      <para>te worden tot de personenkring van de WSW. Daarbij wijst de</para>
      <para>Raad er op dat zowel gedaagde als appellant op dat moment van</para>
      <para>mening waren dat hij niet in staat was zijn werk te</para>
      <para>verrichten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt voorts in gedaagdes opstelling ten aanzien</para>
      <para>van de hervatting van appellant in zijn werk bij DSW-Zaanstad</para>
      <para>geen aanleiding te hebben gevonden voor het oordeel appellants</para>
      <para>uitkering ingevolge de WAO, op grond van de in acht te nemen</para>
      <para>zorgvuldigheid, op een later tijdstip dan 15 augustus 1994</para>
      <para>ingetrokken diende te worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het voorgaande beantwoordt de Raad de hiervoor</para>
      <para>vermelde vraag bevestigend. Daaruit volgt dat de aangevallen</para>
      <para>uitspraak bevestigd dient te worden en dat het beroep tegen</para>
      <para>gedaagdes besluit van 22 juli 1997 ongegrond verklaard dient</para>
      <para>te worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te</para>
      <para>geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het beroep dat appellant geacht moet worden te</para>
      <para>hebben ingesteld tegen het besluit van 22 juli 1997,</para>
      <para>ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en</para>
      <para>mr W.D.M. van Diepenbeek en mr T. Hoogenboom als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van S.I. ter Riet als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 28 mei 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>                         (get.) H. van Leeuwen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>                         (get.) S.I. ter Riet.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>AB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>