<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8397</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-17T10:04:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8397</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-05-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/10648 AKW, 98/2123 AKW, 98/3176 AKW, 98/8566 AKW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002368&amp;artikel=7&amp;g=1999-05-26">Algemene Kinderbijslagwet 7</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002368&amp;artikel=10&amp;g=1999-05-26">Algemene Kinderbijslagwet 10</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:88&amp;g=1999-05-26">Algemene wet bestuursrecht 8:88</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002170&amp;artikel=18&amp;g=1999-05-26">Beroepswet 18</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8397">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8397</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-17T10:03:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8397 Centrale Raad van Beroep , 26-05-1999 / 97/10648 AKW, 98/2123 AKW, 98/3176 AKW, 98/8566 AKW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8397:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geen hoger beroep mogelijk tegen uitspraak 8:88 Awb; zijn Vliegreiskosten onder te brengen in de onderhoudsbijdragen AKW? Geen hoger beroep mogelijk tegen uitspraak 8:88 Awb; zijn Vliegreiskosten onder te brengen in de onderhoudsbijdragen AKW? Er is geen hoger beroep mogelijk tegen een uitspraak ex art 8:88 Awb, gelet op art 18 Beroepswet. De CRvB verklaart zich derhalve onbevoegd. Het bezwaar tegen het nadere besluit hangende hoger beroep is door de SVB als bezwaarschrift behandeld. De SVB was hiertoe niet bevoegd. De Raad vernietigt dit besluit op bezwaar. Wat betreft de vraag of app. heeft voldaan aan de onderhoudseis oordeelt de Raad dat van de telefoonkosten naar Suriname (waar het kind destijds tijdelijk verbleef) onvoldoende vaststaat dat ze betrekking hebben op gesprekken met of betreffende het kind. Wat betreft de reiskosten van en naar Suriname stelt de Raad dat de SVB onvoldoende heeft gemotiveerd waarom die alleen kunnen worden toegerekend aan het kwartaal waarin de reis is gemaakt, aangezien op voorhand bekend was dat het verblijf ongeveer een jaar zou duren, zodat ook bekend was dat de kosten tweemaal gemaakt zouden moeten worden. De Raad oordeelt dat er ruimte moet zijn kosten van deze aard, die bovendien de minimaal vereiste onderhoudsbijdrage voor een kwartaal verre overstijgen, onder omstandigheden niet uitsluitend toe te rekenen aan het kwartaal waarin ze zijn gemaakt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8397:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>97/10648 AKW</para>
    <para>98/2123  AKW</para>
    <para>98/3176  AKW</para>
    <para>98/8566  AKW</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in de gedingen tussen:</para>
  <para />
  <para>A, wonende te B, appellant,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <para>de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.</para>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant is in hoger beroep gekomen van twee uitspraken van</para>
    <para>de president van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem,</para>
    <para>gedateerd 23 september 1997 en 4 februari 1998.</para>
    <para>Bij de uitspraak van 23 september 1997 is, voorzoveel hier van</para>
    <para>belang, appellants beroep tegen gedaagdes besluit van 29 juli</para>
    <para>1997, houdende handhaving -na bezwaar- van de weigering om</para>
    <para>appellant over het eerste tot en met het derde kwartaal van</para>
    <para>1995 kinderbijslag toe te kennen ten behoeve van zijn dochter</para>
    <para>C, ongegrond verklaard.</para>
    <para>Bij de uitspraak van 4 februari 1998 is, voorzoveel hier van</para>
    <para>belang, appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek</para>
    <para>om herziening van de uitspraak van de rechtbank d.d. 9 april</para>
    <para>1997, waarbij zijn beroep tegen gedaagdes besluit houdende</para>
    <para>weigering van kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1994</para>
    <para>ongegrond is verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De gronden van het hoger beroep tegen de uitspraak van</para>
    <para>23 september 1997 zijn aangevoerd bij brief d.d. 26 januari</para>
    <para>1998 van mr A.C.R. Molenaar, advocaat te Amsterdam, die ook,</para>
    <para>bij brief van 12 maart 1998, gronden heeft aangevoerd in het</para>
    <para>hoger beroep tegen de uitspraak van 4 februari 1998.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gedaagde heeft verweer gevoerd bij schrijven van 14 april</para>
    <para>1998, respectievelijk 7 oktober 1998.</para>
    <para>Bij het verweerschrift van 14 april 1998 was gevoegd een</para>
    <para>afschrift van een nader tot appellant gericht besluit d.d. 3</para>
    <para>februari 1998, waarbij hem alsnog kinderbijslag ten behoeve</para>
    <para>van C is toegekend over het derde kwartaal van 1995 en wederom</para>
    <para>kinderbijslag over het eerste en tweede kwartaal van dat jaar</para>
    <para>is geweigerd.</para>
    <para>Aan partijen is meegedeeld dat de Raad in het aanhangige</para>
    <para>geding tegen de uitspraak van de rechtbank d.d.</para>
    <para>23 september 1997 tevens een oordeel zal geven over gedaagdes</para>
    <para>nadere besluit van 3 februari 1998.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Blijkens nader ingezonden stukken heeft gedaagde een door</para>
    <para>appellant ingediend bezwaar tegen het besluit van</para>
    <para>3 februari 1998 in behandeling genomen en daarop</para>
    <para>-negatief- beslist bij besluit van 9 september 1998. Namens</para>
    <para>appellant is verzocht dit besluit eveneens te betrekken in het</para>
    <para>aanhangige hoger beroep, waarna vanwege de Raad aan partijen</para>
    <para>is meegedeeld dat zulks zal geschieden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op</para>
    <para>14 april 1999. Appellant is daar in persoon verschenen,</para>
    <para>bijgestaan door mr C. Hofmans, advocaat te Wormerveer, als</para>
    <para>zijn raadsman. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde</para>
    <para>J.E. de Graaff, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad zal eerst een oordeel geven over het hoger beroep,</para>
    <para>gericht tegen de uitspraak van de rechtbank d.d. 4 februari</para>
    <para>1998.</para>
    <para>Dit hoger beroep betreft de niet-ontvankelijkverklaring door</para>
    <para>de rechtbank van het door appellant ingediende verzoek om</para>
    <para>herziening van de uitspraak van de rechtbank d.d.</para>
    <para>9 april 1997.</para>
    <para>Tegen een uitspraak ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet</para>
    <para>bestuursrecht (Awb) staat, gelet op artikel 18 van de</para>
    <para>Beroepswet, geen hoger beroep open bij deze Raad, mede in</para>
    <para>aanmerking genomen dat de aangevallen uitspraak niet tevens</para>
    <para>inhoudt een uitspraak ten gronde, volgend op de toewijzing van</para>
    <para>een verzoek om herziening; de Raad verwijst hierbij naar zijn</para>
    <para>uitspraak, gepubliceerd in RSV 1998/299.</para>
    <para>De Raad zal zich derhalve in deze onbevoegd verklaren.</para>
    <para>Voorzover namens appellant is betoogd dat hij geacht moet</para>
    <para>worden tijdig in hoger beroep te zijn gekomen van de uitspraak</para>
    <para>van de rechtbank van 9 april 1997, namelijk bij</para>
    <para>schrijven van zijn gemachtigde van 29 april 1997, gericht aan</para>
    <para>gedaagde, op wie de verplichting zou hebben gerust dit</para>
    <para>schrijven als beroepschrift aan de Raad door te zenden, merkt</para>
    <para>de Raad op dat in het onderhavige geding niet aan de orde is</para>
    <para>een -pretens- hoger beroep tegen de uitspraak van</para>
    <para>9 april 1997, maar een verzoek om herziening van die</para>
    <para>uitspraak, ingediend bij aldus geformuleerd verzoekschrift</para>
    <para>d.d. 4 oktober 1997, gericht aan de rechtbank.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In het geding dat betrekking heeft op de uitspraak van de</para>
    <para>rechtbank d.d. 23 september 1997 is allereerst aan de orde het</para>
    <para>besluit van 29 juli 1997, waarbij gedaagde toepassing heeft</para>
    <para>gegeven aan artikel 14, derde lid, van de AKW, en wordt het</para>
    <para>beroep geacht mede te zijn gericht tegen gedaagdes nadere</para>
    <para>besluit van 3 februari 1998.</para>
    <para>Dit besluit is in de plaats getreden van het besluit van</para>
    <para>29 juli 1997, waarmee dat hoger beroep zonder voorwerp is</para>
    <para>geraakt. Aangezien van enig resterend belang bij het hoger</para>
    <para>beroep niet is gebleken, zal de Raad appellant daarin</para>
    <para>niet-ontvankelijk verklaren.</para>
    <para>Ten aanzien van het, hangende hoger beroep genomen, besluit</para>
    <para>van 3 februari 1998 overweegt de Raad voorts, dat dit een</para>
    <para>besluit is als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb en derhalve</para>
    <para>ingevolge artikel 6:19 van die wet overeenkomstig vaste</para>
    <para>rechtspraak van de Raad in de onderhavige procedure aan zijn</para>
    <para>oordeel is onderworpen. Gedaagde was derhalve niet bevoegd het</para>
    <para>bezwaar, gericht tegen het besluit van</para>
    <para>3 februari 1998, in behandeling te nemen en daarop te</para>
    <para>beslissen zoals hij heeft gedaan bij besluit van</para>
    <para>9 september 1998. De Raad zal daarom dit laatste besluit</para>
    <para>vernietigen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Resteert het beroep, gericht tegen gedaagdes nadere besluit</para>
    <para>van 3 februari 1998, waarbij aan appellant alsnog</para>
    <para>kinderbijslag is toegekend over het derde kwartaal van 1995 en</para>
    <para>kinderbijslag is geweigerd over het eerste en tweede kwartaal</para>
    <para>van dat jaar, thans op de grond dat appellant niet op</para>
    <para>eenvoudig controleerbare wijze heeft aangetoond in belangrijke</para>
    <para>mate, dat wil zeggen voor een bedrag van tenminste f 56,- per</para>
    <para>week, te hebben bijgedragen in het onderhoud van C.</para>
    <para>Het geschil tussen partijen betreft dit laatstgenoemde</para>
    <para>onderdeel van het besluit.</para>
    <para>De Raad overweegt daaromtrent het volgende.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellants dochter C heeft om gezondheidsredenen sedert 20</para>
    <para>juli 1994 ruim een jaar in Suriname bij haar moeder</para>
    <para>(appellants ex-echtgenote) en haar grootmoeder verbleven.</para>
    <para>Terzake van zijn onderhoudsbijdrage gedurende die periode</para>
    <para>heeft appellant gesteld</para>
    <para>- dat hij C bij haar vertrek f 3.000,- heeft meegegeven voor</para>
    <para>haar onderhoudskosten;</para>
    <para>- dat hij in november 1994 via een tussenpersoon aan C moeder</para>
    <para>een bedrag van f 6.000,- heeft doen toekomen, bestemd voor het</para>
    <para>onderhoud van C;</para>
    <para>- dat de kosten in verband met het regelmatige telefonische</para>
    <para>contact met C als onderhoudsbijdragen moeten worden</para>
    <para>aangemerkt; en</para>
    <para>- dat de kosten van C vliegreizen van Nederland naar Suriname</para>
    <para>v.v. ad f 2.515,15, respectievelijk f 2.238,-, eveneens als</para>
    <para>onderhoudsbijdragen zijn te beschouwen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ten aanzien van de eerste twee posten overweegt de Raad, in</para>
    <para>navolging van gedaagde en de rechtbank, dat er onvoldoende</para>
    <para>bewijs is dat de genoemde bedragen door appellant aan de</para>
    <para>verzorger(s) van C zijn betaald. Van de telefoonkosten staat</para>
    <para>slechts vast dat zij betrekking hebben op gesprekken met</para>
    <para>Suriname, waarmee deze onvoldoende identificeerbaar zijn om</para>
    <para>aan te nemen dat zij betrekking hebben op gesprekken met of</para>
    <para>betreffende C.</para>
    <para>Wat betreft de reiskosten heeft gedaagde zijn standpunt als</para>
    <para>volgt uiteengezet:</para>
    <para>"Recht op kinderbijslag kan bestaan indien aan de gestelde</para>
    <para>voorwaarden wordt voldaan. De onderhoudsbijdrage wordt</para>
    <para>toegerekend aan het kwartaal waarin het is betaald. Alleen als</para>
    <para>er een vast systeem van betalingen bestaat waaruit kan worden</para>
    <para>afgeleid dat een deel van de bijdrage bestemd is voor een</para>
    <para>ander kwartaal kan hiervan worden afgeweken. Ticketkosten voor</para>
    <para>een kind dat in het buitenland woont en bij de ouders in</para>
    <para>Nederland op vakantie komt, kunnen aan het hele jaar worden</para>
    <para>toegerekend. Ticketkosten bij vestiging in Nederland worden</para>
    <para>echter toegerekend aan het kwartaal waarin het kind naar</para>
    <para>Nederland komt.</para>
    <para>Naar de mening van de SVB is er geen sprake van een vast</para>
    <para>systeem van betalingen waardoor de onderhoudsbijdrage niet kan</para>
    <para>worden toegerekend aan het</para>
    <para>4e kwartaal 1994 tot en met het 3e kwartaal 1995. De</para>
    <para>ticketkosten van juli 1994 en augustus 1995, en de contant</para>
    <para>geleverde bijdragen in juni 1994 en november</para>
    <para>1994, kunnen derhalve niet als onderhoudsbijdrage voor C over</para>
    <para>het 1e en 2e kwartaal 1994 (lees: 1995) worden aangemerkt.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde hiermee</para>
    <para>onvoldoende gemotiveerd waarom de reiskosten van C slechts</para>
    <para>kunnen worden toegerekend aan het kwartaal waarin de</para>
    <para>betreffende uitgaven zijn gedaan. De Raad wijst erop dat in</para>
    <para>het onderhavige geval tevoren vaststond dat het verblijf van C</para>
    <para>in Suriname een tijdelijk karakter -van</para>
    <para>omstreeks een jaar- zou hebben, zoals appellant op</para>
    <para>26 oktober 1994 aan gedaagde heeft meegedeeld, zodat ook reeds</para>
    <para>op voorhand kon worden vastgesteld dat binnen een tijdvak van</para>
    <para>(uiteindelijk) vijf kwartalen tweemaal de kosten van een</para>
    <para>vliegreis zouden moeten worden gemaakt, welke kosten, naar</para>
    <para>niet wordt betwist, voor rekening van appellant zijn gekomen.</para>
    <para>Zoals ook in de wetsuitvoering door gedaagde wordt aanvaard,</para>
    <para>moet er ruimte zijn kosten van deze aard, die bovendien de</para>
    <para>minimaal vereiste onderhoudsbijdrage voor een kwartaal verre</para>
    <para>overstijgen, onder omstandigheden niet uitsluitend toe te</para>
    <para>rekenen aan het kwartaal waarin zij zijn gemaakt. Gedaagde</para>
    <para>heeft onvoldoende argumenten aangedragen voor zijn standpunt</para>
    <para>dat die ruimte in het onderhavige geval niet aanwezig zou</para>
    <para>zijn. Het besluit dient derhalve wegens strijd met artikel</para>
    <para>3:46 van de Awb te worden vernietigd en gedaagde zal opnieuw</para>
    <para>een besluit moeten nemen over appellants recht op</para>
    <para>kinderbijslag over het eerste en tweede kwartaal van 1995.</para>
    <para>Voorts is er aanleiding gedaagde in de kosten te veroordelen</para>
    <para>als in rubriek III van deze uitspraak aangegeven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Beslist wordt als volgt.</para>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Recht doende:</para>
    <para>Verklaart zich onbevoegd terzake van het hoger beroep, gericht</para>
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank d.d. 4 februari 1998;</para>
    <para>Verklaart appellant niet-ontvankelijk in diens hoger beroep,</para>
    <para>gericht tegen de uitspraak van de rechtbank d.d.</para>
    <para>23 september 1997;</para>
    <para>Vernietigt gedaagdes beslissing op bezwaar d.d. 9 september</para>
    <para>1998;</para>
    <para>Verklaart het beroep, gericht tegen gedaagdes besluit van</para>
    <para>3 februari 1998 gegrond, vernietigt dat besluit voorzover het</para>
    <para>betrekking heeft op appellants recht op kinderbijslag over het</para>
    <para>eerste en tweede kwartaal van 1995 en bepaalt dat gedaagde te</para>
    <para>dien aanzien een nadere beslissing zal nemen;</para>
    <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in</para>
    <para>verband met het beroep en het hoger beroep betreffende</para>
    <para>gedaagdes besluit van 29 juli 1997 en in verband met het</para>
    <para>beroep tegen het besluit van 3 februari 1998, welke kosten</para>
    <para>worden begroot op f 1.420,- aan kosten van rechtsbijstand in</para>
    <para>de procedure voor deze Raad;</para>
    <para>Bepaalt dat gedaagde de door appellant betaalde griffierechten</para>
    <para>f 50,- (in eerste aanleg) en f 160,- (in hoger beroep) aan hem</para>
    <para>vergoedt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en</para>
    <para>mr F.P. Zwart en mr T.L. de Vries als leden, in</para>
    <para>tegenwoordigheid van mr M.F. van Moorst als griffier en</para>
    <para>uitgesproken in het openbaar op 26 mei 1999.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>(get. N.J. Haverkamp.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>(get.) M.F. van Moorst.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>IS</para>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>