<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8390</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:19:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8390</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG8562</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-07-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/5510 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=7&amp;g=1999-07-06">Algemene bijstandswet 7</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=43&amp;g=1999-07-06">Algemene bijstandswet 43</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1999, 145</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/253</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8390">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8390</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2007-08-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8390 Centrale Raad van Beroep , 06-07-1999 / 97/5510 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8390:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Immateriële schadevergoeding wegens onrechtmatige detentie leidt er toe dat geen recht (meer) bestaat op bijstand.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8390:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/5510 ABW</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para />
    <para>A te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek,</para>
      <para>gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr S.J.Th. Homan, advocaat te Zwolle, op bij een</para>
      <para>aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een</para>
      <para>door de Arrondissementsrechtbank te Zwolle op 17 april 1997 tussen partijen</para>
      <para>gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 mei 1999. Daar is</para>
      <para>appellant in persoon verschenen, bijgestaan door mr B.V. de Jong,</para>
      <para>kantoorgenote van mr Homan voornoemd, als zijn raadsvrouw, en heeft gedaagde</para>
      <para>zich doen vertegenwoordigen door L. van Beek, werkzaam bij de gemeente</para>
      <para>Oldebroek. Mr. De Jong voornoemd heeft ter zitting nog stukken overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en</para>
      <para>zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene</para>
      <para>Bijstandswet in werking getreden.</para>
      <para>Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van</para>
      <para>de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als</para>
      <para>hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming in dit geding uit van de volgende</para>
      <para>feiten en omstandigheden die hij op grond van de gedingstukken en het</para>
      <para>verhandelde ter zitting als vaststaand aanneemt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In augustus 1994 heeft appellant bij gedaagde een aanvraag ingediend om</para>
      <para>toekenning van een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze</para>
      <para>werknemers (RWW) per 17 juni 1994, zijnde de datum met ingang waarvan hij uit</para>
      <para>voorlopige hechtenis was ontslagen. Appellant had woonruimte betrokken ten</para>
      <para>huize van zijn zus en haar man te B.</para>
      <para>Gedaagde heeft bij besluit van 23 augustus 1994 aan appellant ingaande 1 juli</para>
      <para>1994 een uitkering ingevolge de RWW toegekend, berekend naar de norm voor een</para>
      <para>woningdeler van 23 jaar en ouder.</para>
      <para>Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 28 november 1994 het verzoek</para>
      <para>van appellant, strekkende tot toekenning van een vergoeding van de door hem</para>
      <para>ten gevolge van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis geleden</para>
      <para>schade, ten laste van de Staat toegewezen tot het bedrag van f 81.927,03; in</para>
      <para>dit bedrag is begrepen het bedrag van f 74.200,-- ter zake van detentie</para>
      <para>gedurende 371 dagen naar rato van f 200,-- per dag. Het bedrag van f 81.927,03</para>
      <para>is op 18 januari 1995 aan appellant betaalbaar gesteld.</para>
      <para>Gedaagde heeft de uitkering ingevolge de RWW van appellant met ingang van 1</para>
      <para>juli 1995 beëindigd wegens vertrek uit de gemeente A.</para>
      <para>Bij brief van 25 juli 1995 heeft gedaagde het volgende aan appellant meegedeeld:</para>
      <para>"Hierdoor delen wij u mede dat wij besloten hebben om naast de reguliere</para>
      <para>vrijlating op grond van artikel 8, eerste lid onder b van het Bijstandsbesluit</para>
      <para>Landelijke Normering (per 1 juli 1994 f 9.000,00) een extra</para>
      <para>vermogensvrijstelling toe te passen in verband met de door u van de Staat der</para>
      <para>Nederlanden ontvangen vergoeding wegens immateriële schade.</para>
      <para>Het bedrag van de extra vrijlating hebben wij vastgesteld op f 25.000,00. Dit</para>
      <para>is een derde van de door u ontvangen vergoeding ad f 74.200,00, afgerond naar</para>
      <para>boven op een veelvoud van f 1.000,00.</para>
      <para>Een hogere (extra) vermogensvrijlating achten wij in het kader van</para>
      <para>bijstandsverlening niet verantwoord.".</para>
      <para>Aan de voet van deze brief (hierna: beslissing I) is een bezwaarschriftclausule opgenomen.</para>
      <para>Eveneens bij brief van 25 juli 1995 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld</para>
      <para>van zijn beslissing de aan appellant over de periode van 1 juli 1994 tot 1</para>
      <para>juli 1995 verstrekte uitkering ingevolge de RWW op grond van artikel 58,</para>
      <para>tweede lid, van de ABW van hem terug te vorderen tot een bedrag van</para>
      <para>f 19.596,92 (hierna: beslissing II). Reden van deze terugvordering vormt dat</para>
      <para>appellant, gegeven de door hem van de Staat ontvangen schadevergoeding, op de</para>
      <para>dag waarop zijn uitkering inging, een vermogen had dat, naar de opvatting van</para>
      <para>gedaagde, hoger was dan het voor hem geldende vrij te laten vermogen ad</para>
      <para>f 9.000,--, verhoogd met de extra vrijlating van f 25.000,-- wegens de</para>
      <para>vergoeding van immateriële schade zijnde f 34.000,--; de overschrijding van</para>
      <para>dit vrijgestelde vermogen heeft gedaagde becijferd op het bedrag van f 44.100,73.</para>
      <para>Appellant heeft tegen de inhoud van beide brieven van 25 juli 1995 bij</para>
      <para>gedaagde bezwaar gemaakt.</para>
      <para>Bij het bestreden besluit van 8 januari 1996 heeft gedaagde het bezwaar van</para>
      <para>appellant tegen beslissing I ongegrond verklaard en diens bezwaar, gericht</para>
      <para>tegen beslissing II niet-ontvankelijk verklaard, dit omdat de kantonrechter</para>
      <para>bevoegd is in rechte van die beslissing kennis te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is bij de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat</para>
      <para>beslissing I geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb), aangezien de beslissing als zodanig geen rechtsgevolg</para>
      <para>heeft. Voorts is de rechtbank van opvatting dat bij het bestreden besluit</para>
      <para>terecht het bezwaar tegen beslissing II niet-ontvankelijk is verklaard. Het</para>
      <para>dictum van de uitspraak houdt een gegrondverklaring van het beroep in, een</para>
      <para>vernietiging van het bestreden besluit voor zover het betreft de</para>
      <para>ongegrondverklaring en de bepaling dat appellant in zoverre alsnog</para>
      <para>niet-ontvankelijk in zijn bezwaar is en dat de uitspraak in zoverre in de</para>
      <para>plaats treedt van het bestreden besluit; tevens zijn beslissingen inzake</para>
      <para>griffierecht en proceskosten gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de in de aangevallen</para>
      <para>uitspraak besloten liggende ontvankelijkheidsoordelen van de rechtbank. Hij</para>
      <para>heeft bepleit dat zowel beslissing I als beslissing II een besluit is in de</para>
      <para>zin van artikel 1:3 van de Awb en dat tegen deze besluiten bezwaar kan worden</para>
      <para>gemaakt als bedoeld in artikel 7:1 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt in de eerste plaats dat het dictum van de aangevallen</para>
      <para>uitspraak niet spoort met de motivering ervan. Gezien de motivering heeft de</para>
      <para>rechtbank kennelijk bedoeld het beroep van appellant tegen het bestreden</para>
      <para>besluit gedeeltelijk gegrond te verklaren, en wel voor zover bij dat besluit</para>
      <para>het bezwaar van appellant tegen beslissing I ongegrond is verklaard, en tevens</para>
      <para>het beroep, gericht tegen het bestreden besluit inzake beslissing II,</para>
      <para>ongegrond te verklaren. Aangezien de Raad aanneemt dat de aangevallen</para>
      <para>uitspraak op deze punten een kennelijke misslag bevat, ziet de Raad aanleiding</para>
      <para>aanwezig het dictum van de aangevallen uitspraak in de zojuist bedoelde zin</para>
      <para>aangevuld te lezen en te beoordelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Voorts overweegt de Raad als volgt.</para>
    <para />
    <para>1. Inzake beslissing I</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad leidt uit het ambtelijk rapport van 13 oktober 1995 betreffende het</para>
      <para>bezwaarschrift van appellant af dat gedaagde, in het spoor van 's Raads</para>
      <para>uitspraak van 26 juli 1994, onder andere gepubliceerd in JABW 1995/24, heeft</para>
      <para>beoogd in deze beslissing een besluit tot intrekking van het besluit tot</para>
      <para>toekenning van de uitkering aan appellant ingaande 1 juli 1994 neer te leggen</para>
      <para>en aldus een besluit aanwezig te achten dat het karakter heeft van een besluit</para>
      <para>in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Als motivering van het besluit dient dat</para>
      <para>appellant per 1 juli 1994, ten gevolge van de van de Staat ontvangen</para>
      <para>immateriële schadevergoeding een vermogen had dat het vastgestelde vrij te</para>
      <para>laten bedrag van f 34.000,-- zodanig (met het bedrag van f 44.000,73)</para>
      <para>overschreed dat hij over de periode van 1 juli 1994 tot 1 juli 1995 geen recht</para>
      <para>op bijstand heeft. Dit verklaart dat gedaagde bij het bestreden besluit het</para>
      <para>bezwaar tegen beslissing I ongegrond - en niet niet-ontvankelijk - heeft verklaard.</para>
      <para>De Raad stelt voorts vast dat aan de kant van appellant steeds ervan is</para>
      <para>uitgegaan dat gedaagde een dergelijke besluitvorming voor ogen stond. De Raad</para>
      <para>wijst in dit verband ook nog op hetgeen dienaangaande is vermeld in  ambtelijk</para>
      <para>rapport van 7 december 1995.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit licht acht de Raad het geraden beslissing I op te vatten zoals gedaagde</para>
      <para>deze heeft bedoeld. Dit betekent dat gedaagde bij het nemen van het bestreden</para>
      <para>besluit terecht in aanmerking heeft genomen dat de intrekking van het besluit</para>
      <para>tot toekenning een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Weliswaar</para>
      <para>is met het arrest van de Hoge Raad van 18 april 1997, NJ 1997/499 gemarkeerd</para>
      <para>dat in het oude - civielrechtelijke - stelsel van terugvordering een besluit</para>
      <para>als nu door gedaagde is genomen niet past en in elk geval niet aan de</para>
      <para>indiening van een verzoekschrift bij de kantonrechter vooraf behoefde te gaan</para>
      <para>maar dit laat overlet dat, nu gedaagde niettemin eenmaal een zodanige</para>
      <para>beslissing heeft genomen, in het stelsel van de Awb is voorzien in de</para>
      <para>mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen een dergelijk besluit en dat in geval</para>
      <para>van vernietiging van zo'n besluit op het bestuursorgaan de plicht blijft</para>
      <para>rusten om opnieuw op het bezwaarschrift te beslissen. De Raad kan dan ook de</para>
      <para>aangevallen uitspraak niet als juist onderschrijven in zoverre de rechtbank</para>
      <para>daarin het bestreden besluit inzake beslissing I heeft vernietigd en het</para>
      <para>bezwaar tegen die beslissing niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat die</para>
      <para>beslissing niet een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.</para>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig de zaak in zoverre terug te wijzen naar de</para>
      <para>rechtbank te Zutphen, ook al omdat de partijen hiertoe geen verzoek hebben gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de lijn van het voorgaande moet de Raad antwoord geven op de vraag of</para>
      <para>gedaagde terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellant met ingang van 1</para>
      <para>juli 1994 ten gevolge van de meergenoemde immateriële schadevergoeding een</para>
      <para>vermogen had dat, naar omvang, aan bijstandsverlening in de weg staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze vraag beantwoordt de Raad daarom al ontkennend omdat, zoals feitelijk is</para>
      <para>vastgesteld, appellant eerst op 18 januari 1995 de beschikking over het bedrag</para>
      <para>van de immateriële schadevergoeding heeft gekregen. Anders dan gedaagde kan de</para>
      <para>Raad niet inzien dat appellant, reeds omdat hij eerder om toekenning van de</para>
      <para>schadevergoeding had gevraagd, per 1 juli 1994 redelijkerwijs over de</para>
      <para>vergoeding kon beschikken in de zin als voor de toepassing van artikel 7 van</para>
      <para>de ABW van belang is. Mitsdien kan bij beoordeling achteraf van het recht op</para>
      <para>uitkering in elk geval niet eerder dan per 18 januari 1995 rekening worden</para>
      <para>gehouden met genoemd bedrag. In zoverre is het bestreden besluit betreffende</para>
      <para>de intrekkingsbeslissing zoals de Raad deze heeft uitgelegd, niet juist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens komt de Raad toe aan de vraag of het standpunt van gedaagde,</para>
      <para>inhoudende dat van de ontvangen immateriële schadevergoeding ad</para>
      <para>f 74.200,-- niet meer dan f 25.000,-- bij de vaststelling van het vermogen</para>
      <para>buiten beschouwing wordt gelaten, als juist kan worden aanvaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad zal zich bij het beantwoorden van deze vraag mede laten leiden door</para>
      <para>het bepaalde in artikel 43, tweede lid aanhef en onder j, van de Algemene</para>
      <para>bijstandswet (Abw), welk voorschrift betrekking heeft op de betekenis van</para>
      <para>immateriële schadevergoeding voor de hoogte van de bijstand. De Raad neemt</para>
      <para>hierbij in aanmerking dat, blijkens de wetsgeschiedenis, dit voorschrift is</para>
      <para>gebouwd op de jurisprudentie van met name de Kroon met betrekking tot dit</para>
      <para>onderwerp onder de ABW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 43, tweede lid aanhef en onder j, van de Abw worden niet tot</para>
      <para>de middelen van de belanghebbende gerekend: een uitkering in verband met</para>
      <para>geleden immateriële schade voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte van</para>
      <para>de uitkering, uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is kort en goed de opvatting toegedaan dat het niet aangaat dat</para>
      <para>enerzijds de overheid schadevergoeding uitkeert en anderzijde de overheid, zij</para>
      <para>het in een andere vorm, een gedeelte van deze schadevergoeding terugvordert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat, mede gelet op het bepaalde in artikel 43, tweede</para>
      <para>lid aanhef en onder j, van de Abw, deze opvatting te weinig genuanceerd is om</para>
      <para>de hier aan de orde zijnde beslissing met vrucht te kunnen aanvechten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overigens heeft de Raad geen gronden gevonden voor de zienswijze, dat gedaagde</para>
      <para>in casu niet gerechtigd zou zijn van het bedrag van f 74.200,-- niet meer dan</para>
      <para>een bedrag van f 25.000,-- bij de vaststelling van de vermogenspositie van</para>
      <para>appellant vrij te laten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande wijst uit dat bij de aangevallen uitspraak het bestreden</para>
      <para>besluit betreffende beslissing I weliswaar terecht is vernietigd maar dat de</para>
      <para>daartoe gebezigde gronden onjuist zijn. De Raad zal de aangevallen uitspraak</para>
      <para>evenwel vernietigen in zoverre zij ertoe strekt dat het bezwaar van appellant</para>
      <para>tegen beslissing I niet-ontvankelijk is en dat de uitspraak in zoverre in de</para>
      <para>plaats van het bestreden besluit treedt. Deze vernietiging geldt, gezien de</para>
      <para>omvang van het hoger beroep, niet de aangevallen uitspraak in zoverre daarbij</para>
      <para>beslissingen inzake griffierecht en proceskosten zijn gegeven. Gedaagde zal</para>
      <para>met betrekking tot het voormelde bezwaar opnieuw dienen te beslissen op het</para>
      <para>bezwaarschrift van appellant. Het staat gedaagde daarbij vrij om te volstaan</para>
      <para>met herroeping van het primaire besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Inzake beslissing II</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar 's Raads oordeel houdt de terugvorderingsbeslissing niet meer of anders</para>
      <para>in dan dat van appellant wordt teruggevorderd hetgeen volgens gedaagde binnen</para>
      <para>de grenzen van artikel 58, tweede lid, van de ABW mogelijk is. In dat kader</para>
      <para>gaat het om een andere vraag dan die bij de toepassing van artikel 7 van de</para>
      <para>ABW voorligt, namelijk gedurende welke periode middelen of aanspraken op</para>
      <para>middelen aanwezig zijn waarover nog niet kan worden beschikt.</para>
      <para>Aangezien deze terugvorderingsbeslissing bekend is gemaakt vóór 1 juli 1997,</para>
      <para>volgt de Raad de rechtbank in haar oordeel dat de kantonrechter in absolute</para>
      <para>zin bevoegd is om de terugvordering te beoordelen.</para>
      <para>In zoverre kan de Raad de aangevallen uitspraak bevestigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de</para>
      <para>Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep.</para>
      <para>Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- voor de verleende rechtsbijstand en</para>
      <para>op f 49,75 aan reiskosten, in totaal derhalve op f 1.469,75.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij appellant alsnog niet-</para>
      <para>ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar tegen beslissing I en is bepaald dat</para>
      <para>die uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde met betrekking tot het voormelde bezwaar van appellant</para>
      <para>een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een</para>
      <para>bedrag groot f 1.469,75, te betalen door de gemeente Oldebroek aan de griffier</para>
      <para>van de Raad;</para>
      <para>Gelast dat de gemeente Oldebroek aan appellant het gestorte recht ad f 160,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr G.A.J. van den Hurk</para>
      <para>en mr Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van mr P.C. de Wit als</para>
      <para>griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>                                 (get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para>                                 (get.) P.C. de Wit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>SB</para>
      <para>0207</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>