<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8367</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T22:05:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8367</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AH7997</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-06-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/1792 MAW-VV en 99/1789 MAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003482&amp;artikel=14&amp;g=1999-06-24">Algemeen militair ambtenarenreglement 14</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003482&amp;artikel=42&amp;g=1999-06-24">Algemeen militair ambtenarenreglement 42</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:72&amp;g=1999-06-24">Algemene wet bestuursrecht 8:72</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:81&amp;g=1999-06-24">Algemene wet bestuursrecht 8:81</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:86&amp;g=1999-06-24">Algemene wet bestuursrecht 8:86</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>KG 1999, 265</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8367">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8367</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2008-05-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8367 Centrale Raad van Beroep , 24-06-1999 / 99/1792 MAW-VV en 99/1789 MAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8367:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Is er sprake van een dienverplichting na het behalen van het accountantsdiploma op rijkskosten</para>
        <para> van militair? Is het verzoek om ontslag derhalve terecht afgewezen?</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8367:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>CENTRALE RAAD VAN BEROEP</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>99/1792 MAW-VV</para>
      <para>99/1789 MAW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>van</para>
    <para />
    <para>DE PRESIDENT VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht,</para>
      <para>alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in</para>
      <para>samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>A., wonende te B., verzoeker,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para />
    <para>de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. INLEIDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 15 februari 1999 heeft gedaagde afwijzend beslist op het door</para>
      <para>verzoeker gemaakte bezwaar tegen het besluit van gedaagde van 17 december 1998,</para>
      <para>waarbij de aanvraag van verzoeker om ontslag uit de dienst is afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij zijn onder de nummers 9901007 en 9901010 gegeven uitspraak van 1 maart 1999</para>
      <para>heeft de president van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage het beroep van</para>
      <para>verzoeker tegen het besluit van 15 februari 1999 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Tevens heeft hij</para>
      <para>verzocht een voorlopige voorziening te treffen die strekt tot opschorting van</para>
      <para>de werking van de aangevallen uitspraak en tot bepaling dat hij wordt behandeld</para>
      <para>als ware hem ontslag op aanvraag verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 4 juni 1999, waar namens verzoeker is</para>
      <para>verschenen mr N.I. van Os, werkzaam bij de VBM/NOV te Den Haag. Gedaagde heeft</para>
      <para>zich laten vertegenwoordigen door mr W.B. Kroon, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet (Berw) in verbinding met artikel 8:81</para>
      <para>van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de</para>
      <para>rechtbank hoger beroep is ingesteld, de President van de Raad op verzoek een</para>
      <para>voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken</para>
      <para>belangen, dat vereist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bepaalde in artikel 21 van de Berw in verbinding met artikel 8:86 van de</para>
      <para>Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de President van de</para>
      <para>Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting waarin het verzoek is</para>
      <para>behandeld nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling</para>
      <para>van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de President bestaat in het voorliggende geval, waarin van</para>
      <para>de Raad niet (mede) een beslissing wordt gevraagd over een partijen verdeeld</para>
      <para>houdend principieel verschil van inzicht omtrent de interpretatie van</para>
      <para>(wettelijke) voorschriften of daarover gewezen rechterlijke uitspraken,</para>
      <para>aanleiding artikel 8:86 van de Awb toe te passen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak, de overige gedingstukken en het</para>
      <para>verhandelde ter zitting gaat de President uit van de volgende hier van belang zijnde feiten.</para>
      <para>Verzoeker, destijds kapitein der militaire administratie, is bij beschikking</para>
      <para>van 13 maart 1995 op zijn verzoek aangewezen om met ingang van 1 september 1995</para>
      <para>op rijkskosten de studie ter verkrijging van het volledig accountantsdiploma te</para>
      <para>volgen. In april 1998 heeft hij deze studie afgerond, waarna hij in juni 1998</para>
      <para>in de functie van controleleider, in de rang van majoor, is geplaatst bij de</para>
      <para>Defensieaccountantsdienst. Hij heeft op 30 november 1998 een aanvraag ingediend</para>
      <para>om ontslag met ingang van 1 maart 1999. Bij besluit van 17 december 1998 is</para>
      <para>deze aanvraag afgewezen omdat op verzoeker, naar gedaagdes oordeel, nog een</para>
      <para>dienverplichting rust. Deze afwijzing is gehandhaafd bij het door verzoeker</para>
      <para>bestreden besluit van 15 februari 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de onder I vermelde uitspraak is het door verzoeker tegen dat besluit</para>
      <para>ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep overweegt</para>
      <para>de President het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bestreden besluit berust op de overweging dat op verzoeker nog de</para>
      <para>verplichting rust om deel uit te maken van het beroepspersoneel en dat er bij</para>
      <para>de Defensieaccountantsdienst een tekort is aan accountants. De dienverplichting</para>
      <para>vindt haar basis in het bepaalde in artikel 14 van het Algemeen militair</para>
      <para>ambtenarenreglement (AMAR), in verbinding met artikel 6 van de Regeling</para>
      <para>opleidingen militairen Koninklijke landmacht 1990 (ROMKL'90). Gedaagde heeft,</para>
      <para>uitgaande van die dienverplichting, gebruik gemaakt van de hem in artikel 42,</para>
      <para>eerste lid, aanhef en onder d, van het AMAR gegeven bevoegdheid om in een</para>
      <para>dergelijk geval een aanvraag om ontslag af te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president van de rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd waarom naar zijn</para>
      <para>oordeel het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hij heeft gewezen op</para>
      <para>de genoemde toepasselijke voorschriften alsmede op de daarop betrekking</para>
      <para>hebbende jurisprudentie van de Raad, in het bijzonder de uitspraken van 10</para>
      <para>oktober 1996, TAR 1997, 40 en van 27 november 1997, nr. 97/2456 MAW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De President stelt voorop dat hij de overwegingen van de rechtbankpresident</para>
      <para>betreffende de betekenis van de genoemde uitspraken van de Raad juist acht. Hij</para>
      <para>doelt hier in het bijzonder op de in die uitspraken vervatte overwegingen</para>
      <para>betreffende de deugdelijke wettelijke grondslag voor het maken van inbreuk -</para>
      <para>door het opleggen van een dienverplichting - op het in artikel 19, derde lid,</para>
      <para>van de Grondwet neergelegde recht van vrijheid van arbeidskeuze en betreffende</para>
      <para>de gevolgen van het niet (kunnen) effectueren van een opgelegde</para>
      <para>dienverplichting in de periode van 10 december 1992 en 10 oktober 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De President kan de rechtbankpresident echter niet volgen in diens beantwoording</para>
      <para>van de voorafgaande vraag of er inderdaad voor verzoeker een dienverplichting is gaan</para>
      <para>gelden. De aanwezigheid van een dergelijke verplichting is immers voorwaarde voor</para>
      <para>toepassing van artikel 42, eerste lid, aanhef en onder d, van het AMAR.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker stelt dat hij geen dienverplichting heeft aanvaard en niet een daarop</para>
      <para>betrekking hebbende verklaring heeft ondertekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat de verplichting niet met zoveel woorden</para>
      <para>is opgenomen in de beschikking waarbij verzoeker is aangewezen voor het volgen</para>
      <para>van de accountantsopleiding en evenmin dat verzoeker de bij die beschikking</para>
      <para>gevoegde, door hem te ondertekenen verklaring niet heeft geretourneerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De dienverplichting als hier aan de orde vloeit naar het oordeel van de</para>
      <para>President niet zonder meer voort uit de aanwijzing voor het volgen van een</para>
      <para>opleiding. In artikel 14 van het AMAR is bepaald dat die verplichting aan een</para>
      <para>dergelijke aanwijzing kan worden verbonden. In het eerste lid van artikel 6 van</para>
      <para>de ROMKL'90 is vervolgens bepaald dat een dienverplichting als bedoeld in</para>
      <para>artikel 14, tweede lid, van het AMAR wordt opgelegd en in het tweede lid van</para>
      <para>artikel 6 van de ROMKL'90 is bepaald dat de aangewezen militair zich dient te</para>
      <para>verplichten deel uit te blijven maken van het beroepspersoneel. In artikel 4</para>
      <para>van de ROMKL'90 is voorgeschreven dat de voorafgaande schriftelijke instemming</para>
      <para>van betrokkene met deze verplichting is vereist. Dit strookt met de aard en het</para>
      <para>ingrijpend karakter van de dienverplichting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan in de door de president van de rechtbank aangehaalde uitspraak van</para>
      <para>de Raad van 17 november 1997 is in het onderhavige geval in het aanwijzingsbesluit</para>
      <para>niet ondubbelzinnig tot uitdrukking gebracht dat aan verzoeker een dienverplichting is opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De President is, anders dan de president van de rechtbank, van oordeel dat de</para>
      <para>verklaring, waarvan in het dossier een voorbeeld aanwezig is, niet enkel strekt</para>
      <para>tot het verklaren op de hoogte te zijn van de voorschriften - dit is slechts</para>
      <para>een klein onderdeel van de verklaring -, maar voorts en vooral strekt tot het</para>
      <para>op zich nemen door de betrokkene van de dienverplichting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu aan verzoeker niet met zoveel woorden een dienverplichting is opgelegd en nu</para>
      <para>verzoeker niet een daartoe strekkende schriftelijke verklaring heeft ondertekend, is op</para>
      <para>verzoeker geen dienverplichting komen te rusten, zodat aan gedaagde niet de bevoegdheid</para>
      <para>toekwam de aanvraag van verzoeker om hem ontslag te verlenen, af te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen niet in stand blijven.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Gegeven de situatie dat verzoeker tot op heden deel is blijven uitmaken van het</para>
      <para>beroepspersoneel en dat gedaagde bij het nemen van een nieuwe beslissing op</para>
      <para>bezwaar slechts kan komen tot het alsnog verlenen van het gevraagde ontslag,</para>
      <para>maar zulks feitelijk niet mogelijk is met terugwerkende kracht, ziet de</para>
      <para>President aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb</para>
      <para>zelf in de zaak te voorzien. Bij deze uitspraak zal verzoeker op zijn verzoek</para>
      <para>eervol ontslag worden verleend met ingang van 1 juli 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak en er gelet op hetgeen hiervoor is</para>
      <para>overwogen, geen grond is om enigerlei voorlopige voorziening te treffen, wordt</para>
      <para>het verzoek afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De President acht voorts termen aanwezig om gedaagde met toepassing artikel</para>
      <para>8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding aan verzoeker van een bedrag</para>
      <para>groot f 1.420,-- aan kosten van verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt derhalve als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De President van de Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het beroep van verzoeker tegen het besluit van gedaagde van 15</para>
      <para>februari 1999 alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en</para>
      <para>verleent in verband daarmee aan verzoeker op diens aanvraag eervol ontslag met</para>
      <para>ingang van 1 juli 1999;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag groot f</para>
      <para>1.420,--, te betalen door de Staat der Nederlanden;</para>
      <para>Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan verzoeker het door hem betaalde</para>
      <para>griffierecht van f 680,-- vergoedt;</para>
      <para>Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als President in tegenwoordigheid van</para>
      <para>D. Boers als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) H.A.A.G. Vermeulen.</para>
    <para />
    <para>(get.) D. Boers.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>2306</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>