<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8366</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:19:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8366</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-06-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/5587 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0002508&amp;artikel=9&amp;g=1999-06-22">Verdrag inzake de rechten van het kind 9</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1999, 235</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1999, 129</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/229 met annotatie van Jan C. M. Willems</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8366">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8366</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8366 Centrale Raad van Beroep , 22-06-1999 / 97/5587 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8366:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8366:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/5587 ABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
      <para>Vlissingen, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr A.H.J. Neels, advocaat te Vlissingen, op</para>
      <para>bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep</para>
      <para>ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Middelburg</para>
      <para>onder dagtekening 2 mei 1997 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij</para>
      <para>wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de</para>
      <para>Raad op 11 mei 1999, waar partijen - zoals bericht - niet zijn</para>
      <para>verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW)</para>
      <para>ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet</para>
      <para>herinrichting Algemene bijstandswet in werking getreden.</para>
      <para>Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de</para>
      <para>hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die</para>
      <para>luidden ten tijde als hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en</para>
      <para>omstandigheden die hij op grond van de gedingstukken en het</para>
      <para>verhandelde ter zitting als vaststaande aanneemt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, die is geboren in 1953, is gehuwd geweest. Uit het in de</para>
      <para>loop van 1988 door echtscheiding ontbonden huwelijk zijn twee</para>
      <para>kinderen geboren, respectievelijk in 1984 en in 1986. De kinderen</para>
      <para>zijn aan de moeder toegewezen. Een omgangsregeling voorziet erin dat</para>
      <para>de kinderen appellant periodiek bezoeken en dan enige dagen of</para>
      <para>(tijdens de zomervakantie) enige weken bij hem verblijven. Tot 1</para>
      <para>november 1995 woonde appellant, evenals zijn gewezen echtgenote met</para>
      <para>de kinderen, in C; ingaande die datum heeft hij zich</para>
      <para>metterwoon in de gemeente B gevestigd. Tot die datum ontving</para>
      <para>appellant bijstand naar de norm van een alleenstaande en (als</para>
      <para>bijzondere bijstand) een zogenoemde pleegoudervergoeding; zijn</para>
      <para>gewezen echtgenote ontvangt bijstand naar de norm van een</para>
      <para>één-oudergezin en ontvangt de kinderbijslag.</para>
      <para>In verband met zijn vestiging in de gemeente B heeft</para>
      <para>appellant bij gedaagde een aanvraag ingediend om verlening van</para>
      <para>bijstand en bijzondere bijstand ter voorziening in de kosten van het</para>
      <para>levensonderhoud van zijn oudste kind als het in het kader van de</para>
      <para>omgangsregeling bij hem verblijft en in de reiskosten die dit kind</para>
      <para>maakt als het appellant bezoekt.</para>
      <para>Gedaagde heeft bij besluit d.d. 15 november 1995 bepaald dat</para>
      <para>appellant met ingang van 1 november 1995 recht heeft op een</para>
      <para>uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers naar</para>
      <para>de norm van een alleenstaande; voor het overige werd de aanvraag</para>
      <para>afgewezen. Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde bij het bestreden</para>
      <para>besluit d.d. 30 juli 1996 het besluit d.d. 15 november 1995</para>
      <para>gehandhaafd. Samengevat is gedaagde op grond van de beschikbare</para>
      <para>jurisprudentie van oordeel dat de kosten van levensonderhoud en de</para>
      <para>reiskosten ten behoeve van het oudste kind van appellant ten laste</para>
      <para>komen van diens gewezen echtgenote, gezien haar positie van</para>
      <para>verzorgende ouder en het dienovereenkomstig voor haar geldende</para>
      <para>bijstandregiem, en dat appellant met het oog op zijn aandeel met</para>
      <para>zijn gewezen echtgenote een regeling dient te treffen; ten slotte</para>
      <para>heeft gedaagde in aanmerking genomen dat er, gelet op een verkregen</para>
      <para>advies van de GGD Zeeland, in de gezondheidstoestand van appellant</para>
      <para>geen grond ligt wel aan zijn aanvraag inzake bijzondere bijstand</para>
      <para>tegemoet te komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft zich bij de aangevallen uitspraak ten volle met</para>
      <para>het bestreden besluit verenigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad volgt de rechtbank hierin.</para>
      <para>Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep naar voren</para>
      <para>heeft gebracht, overweegt de Raad nog het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de eerste plaats onderschrijft de Raad de overwegingen die de</para>
      <para>rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft besteed aan het bij en</para>
      <para>krachtens de ABW bepaalde. Met name is ook de Raad van oordeel dat</para>
      <para>-mede gelet op de in het dossier opgenomen jurisprudentie - de</para>
      <para>reis- en verblijfkosten die het oudste kind van appellant in het</para>
      <para>kader van de omgangsregeling maakt, ten laste dienen te komen van de</para>
      <para>ouder tot wiens gezin het behoort, in dit geval: de moeder. Het</para>
      <para>gegeven dat zij niet bereid is de betreffende kosten te dragen, kan</para>
      <para>niet tot bijstandverlening leiden, aangezien dit een kwestie is die</para>
      <para>de gewezen echtgenoten zelf dienen op te lossen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de kant van appellant is herhaald de stelling, dat bepaalde</para>
      <para>voorschriften van het Verdrag inzake de rechten van het kind</para>
      <para>(Verdrag van 20 november 1989, Trb. 1990, 170, gerectificeerd Trb.</para>
      <para>1997, 83, voor Nederland in werking getreden op 8 maart 1995, ertoe</para>
      <para>strekken dat gedaagde de gevraagde bijzondere bijstand behoort toe</para>
      <para>te komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de aldus ingeroepen voorschriften acht de Raad, althans in</para>
      <para>beginsel, artikel 9, derde lid, van bedoeld verdrag, betreffende het</para>
      <para>recht van het kind op contact met de ouders, van belang. Gezien de</para>
      <para>wezenlijke overeenkomst die dit artikelonderdeel vertoont met (onder</para>
      <para>andere) het ook ingeroepen artikel 8 van het Europees Verdrag voor</para>
      <para>de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) inzake de</para>
      <para>eerbiediging van het privé-leven enz., kan de Raad aanvaarden dat</para>
      <para>artikel 9, derde lid, een voorschrift is dat behoort tot de in de</para>
      <para>artikelen 93 en 94 van de Grondwet bedoelde bepalingen die naar</para>
      <para>inhoud een ieder kunnen verbinden. Hierbij neemt de Raad mede in</para>
      <para>aanmerking hetgeen daaromtrent in de parlementaire behandeling van</para>
      <para>de goedkeuringswet van het Verdrag inzake de rechten van het kind</para>
      <para>(Kamerstukken II. 1992-1993, 22855 (R1451), nr. 3, p. 9) is</para>
      <para>opgemerkt.</para>
      <para>De Raad voegt hieraan toe dat, naar zijn oordeel, geen van de andere</para>
      <para>ingeroepen bepalingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind</para>
      <para>- zo zij al naar inhoud een ieder verbinden - tot het door appellant</para>
      <para>bepleite resultaat kan leiden.</para>
      <para>De Raad zal de hier aan de orde zijnde stelling van appellant</para>
      <para>beoordelen met inachtneming van het al genoemde artikel 8 van het</para>
      <para>EVRM, aangezien - zoals reeds is vastgesteld - dit artikel een</para>
      <para>wezenlijke overeenkomst vertoont met artikel 9, derde lid, van het</para>
      <para>Verdrag inzake de rechten van het kind.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het spoor van zijn uitspraak d.d. 12 maart 1996, JABW 1996/117,</para>
      <para>is de Raad hier van opvatting dat de bescherming die de zojuist</para>
      <para>genoemde artikelen bieden, niet zo ver gaat dat het</para>
      <para>bijstandverlenend orgaan op grond daarvan verplicht zou zijn de</para>
      <para>betrokkene financieel in staat te stellen om de uitoefening van het</para>
      <para>recht van het kind op contact met de ouders en van het recht op</para>
      <para>gezinsleven mogelijk te maken ten aanzien van een in een andere</para>
      <para>gemeente wonend kind.</para>
      <para>Derhalve verwerpt de Raad de voormelde stelling van appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep dat appellant - voor het eerst in hoger beroep - heeft</para>
      <para>gedaan op artikel 13, aanhef en onder 1, van het Europees Sociaal</para>
      <para>Handvest (ESH), wijst de Raad af.</para>
      <para>Hiertoe volgt de Raad zijn uitspraak d.d. 21 januari 1994, RSV 1994</para>
      <para>nr. 192. Naar zijn oordeel gelden de overwegingen welke in die</para>
      <para>uitspraak aan dat voorschrift zijn gewijd, hier onverkort. Dit</para>
      <para>betekent dat de Raad ook thans van opvatting is dat artikel 13,</para>
      <para>aanhef en onder 1, van het ESH niet behoort tot de in de artikelen</para>
      <para>93 en 94 van de Grondwet bedoelde bepalingen die naar inhoud een</para>
      <para>ieder kunnen verbinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de slotsom dat de</para>
      <para>aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te</para>
      <para>geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, beslist</para>
      <para>als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en</para>
      <para>mr G.A.J. van den Hurk en mr Ch. de Vrey als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in</para>
      <para>het openbaar op 22 juni 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para>(get.) P.C. de Wit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>2106</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>