<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8340</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T05:01:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8340</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-06-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/2376 AOW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002221&amp;artikel=1&amp;g=1999-06-16">Algemene Ouderdomswet 1</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1999, 423 met annotatie van F.J.L. Pennings</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/232</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8340">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8340</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-05-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8340 Centrale Raad van Beroep , 16-06-1999 / 98/2376 AOW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8340:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Betrokkene is hertrouwd, maar blijft gelet op de feiten en omstandigheden duurzaam gescheiden leven, en behoudt recht op AOW voor een ongehuwde.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8340:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/2376 AOW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>de Sociale Verzekeringsbank, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft bij besluit van 26 februari 1997 ongegrond</para>
      <para>verklaard het bezwaar tegen zijn besluit van 20 november 1996,</para>
      <para>houdende de herziening van het aan gedaagde toegekende</para>
      <para>ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW)</para>
      <para>ingaande 1 november 1996 naar het pensioen voor een gehuwde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van</para>
      <para>2 maart 1998 het tegen het besluit van 26 februari 1997</para>
      <para>ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd met</para>
      <para>bepaling dat appellant het griffierecht dient te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij</para>
      <para>aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden. Voorts heeft</para>
      <para>appellant bij brief van 15 december 1998 nog enige stukken in het</para>
      <para>geding gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van</para>
      <para>de Raad, gehouden op 19 mei 1999, waar partijen niet zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde, geboren in 1924, is in 1953 gehuwd met C, geboren</para>
      <para>in 1916, welk huwelijk in 1976 door echtscheiding is ontbonden.</para>
      <para>Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag heeft</para>
      <para>appellant ingaande 1 februari 1989 een ouderdomspensioen</para>
      <para>ingevolge de AOW voor een ongehuwde aan gedaagde toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 10 oktober 1996 heeft gedaagde medegedeeld dat zij</para>
      <para>in 1996 hertrouwd is met C, doch dat zij beiden op hun eigen</para>
      <para>adres blijven wonen. Appellant heeft vervolgens een onderzoek</para>
      <para>ingesteld naar de feitelijke situatie. In het naar aanleiding van</para>
      <para>dat onderzoek opgestelde rapport wordt onder meer het volgende</para>
      <para>opgemerkt:</para>
      <para>"A was aan het woord, zij verklaarde dat zij met haar ex-man op</para>
      <para>aanraden van haar notaris hertrouwd met de heer C, zodat als de</para>
      <para>heer C komt te overlijden, zij direct over de erfenis kan</para>
      <para>beschikken en de successierechten over de erfenis kan omzeilen.</para>
      <para>Zij wil en zal nooit gaan samenwonen met de heer C, omdat</para>
      <para>samenleven met hem niet mogelijk is. Zij verklaarde wel elke dag</para>
      <para>rond 16.00 uur naar de heer C te gaan om voor hem te koken. De</para>
      <para>heer C is namelijk niet erg mobiel meer. Zij vertrekt elke dag</para>
      <para>weer om 18.00 uur. Zij wil zo min mogelijk contact met de heer</para>
      <para>C. Zij verklaarde nooit te slapen in het huis van de heer C, de</para>
      <para>heer C slaapt beneden op een éénpersoonsbed. Verder hebben zij</para>
      <para>geen verder contact met elkaar.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 november 1996 heeft appellant vervolgens het</para>
      <para>aan gedaagde toegekende ouderdomspensioen ingaande</para>
      <para>1 november 1996 herzien naar het pensioen voor een gehuwde, welk</para>
      <para>besluit na bezwaar is gehandhaafd, nadat omtrent een nieuw</para>
      <para>onderzoek ten huize van C onder meer het volgende was</para>
      <para>gerapporteerd:</para>
      <para>"Een paar jaar geleden werd op initiatief van mevrouw</para>
      <para>A het contact hersteld. Het eerste contact was telefonisch en</para>
      <para>begon met de vraag "Hoe gaat het ermee?" Uiteindelijk resulteerde</para>
      <para>dit in het opmaken van een testament, waarin werd vastgelegd dat</para>
      <para>na het overlijden van de man het huis aan de vrouw zal toekomen.</para>
      <para>De heer C vindt dit terecht omdat de vrouw in het verleden er</para>
      <para>evengoed voor gewerkt heeft. Voorwaarde is dat de vrouw kookt</para>
      <para>voor de man.</para>
      <para>....</para>
      <para>Gemiddeld komt de vrouw 3x per week. C gaat nooit naar de vrouw.</para>
      <para>Het eten wordt door de man gekocht in een soort "SRV-wagen". De</para>
      <para>vrouw maakt van verse produkten porties klaar voor meerdere</para>
      <para>dagen. Ook trekt de man zelf wel eens een pot/blikje open. De man</para>
      <para>beslist overigens zelf wat hij eet. De vrouw eet nimmer mee. Zij</para>
      <para>blijft anderhalf a twee uur per keer (gelegen tussen 16.00 en</para>
      <para>18.00 uur). De vrouw ontvangt geen enkele vergoeding. Verder</para>
      <para>verricht zij geen huishoudelijke werkzaamheden o.i.d. überhaupt</para>
      <para>heeft men verder niets met elkaar te maken. Men heeft geen en/of</para>
      <para>rekening, machtigingen, leningen, verzekeringen op</para>
      <para>elkaars leven afgesloten en is er geen medeverzekering v.w.b. de</para>
      <para>ziektekosten. Er zijn geen gemeenschappelijke bezittingen. Men</para>
      <para>onderneemt samen nimmer iets (vakanties, bezoek aan derden</para>
      <para>o.i.d.).</para>
      <para>....</para>
      <para>De man beschouwt de vrouw als moeilijk en lastig en zal er nimmer</para>
      <para>sprake zijn van hereniging van de samenwoning.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep van gedaagde gegrond verklaard,</para>
      <para>overwegende dat zij niet vermag in te zien dat de enkele</para>
      <para>omstandigheid dat gedaagde de maaltijden voor haar echtgenoot</para>
      <para>bereidt en daarom bijna dagelijks contact met hem heeft, betekent</para>
      <para>dat geen sprake is van het ieder afzonderlijk leiden van een</para>
      <para>eigen leven. Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep betwist,</para>
      <para>aanvoerende dat de contacten tussen gedaagde en C zodanig zijn</para>
      <para>dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven, aangezien</para>
      <para>gedaagde een zorgplicht op zich heeft genomen die verder gaat dan</para>
      <para>gebruikelijke buren- of vriendenhulp.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat blijkens vaste rechtspraak sprake is van</para>
      <para>duurzaam gescheiden leven indien ten aanzien van een gehuwde man</para>
      <para>en vrouw de toestand is ontstaan, dat, na de door beiden of één</para>
      <para>hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder</para>
      <para>afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de</para>
      <para>ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één</para>
      <para>hunner, als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de</para>
      <para>feitelijke omstandigheden van het geval. (HR 10 februari 1960,</para>
      <para>BNB 1960/77 en RSV 1960/67).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze jurisprudentie ziet op gevallen waarin een einde is gekomen</para>
      <para>aan een samenleving van echtgenoten, terwijl in dit geding de</para>
      <para>vraag aan de orde is of vanaf de datum waarop gedaagde en C zijn</para>
      <para>hertrouwd reeds gesproken kan worden van duurzaam gescheiden</para>
      <para>leven. De Raad is van oordeel dat in het algemeen aangenomen kan</para>
      <para>worden dat na het sluiten van een huwelijk de betrokken</para>
      <para>huwelijkspartners de intentie hebben een echtelijke samenleving,</para>
      <para>al dan niet op termijn, aan te gaan, doch acht het niet</para>
      <para>uitgesloten dat onder omstandigheden reeds vanaf de</para>
      <para>huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden</para>
      <para>gesproken, zij het dat zulks ondubbelzinnig dient te blijken uit</para>
      <para>de feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is, evenals de rechtbank, op grond van de uit de</para>
      <para>gedingstukken blijkende feiten en omstandigheden van oordeel dat</para>
      <para>een dergelijke bijzondere situatie zich in casu ten tijde hier</para>
      <para>van belang voordeed, nu gedaagde en C voor</para>
      <para>9 oktober 1996 al lang gescheiden leefden en in die situatie na</para>
      <para>hun huwelijk niet of nauwelijks wijziging is gekomen, terwijl een</para>
      <para>wijziging ook niet door hen werd beoogd. Uit de hiervoor</para>
      <para>weergegeven verklaringen van gedaagde en C blijkt namelijk dat</para>
      <para>hun beider intentie voor en kort na het huwelijk niet gericht was</para>
      <para>op herstel van de samenleving op enige termijn, doch op een</para>
      <para>zakelijke regeling ten aanzien van de erfenis van C en zijn</para>
      <para>verzorging. Verder is de Raad niet gebleken dat zij, naast het</para>
      <para>dagelijks -zoals gedaagde heeft verklaard- dan wel enige keren</para>
      <para>per week -zoals C heeft verklaard- verzorgen van de warme</para>
      <para>maaltijden voor C nog contacten hadden welke tot een ander</para>
      <para>oordeel moeten leiden.</para>
      <para>Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van</para>
      <para>appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor</para>
      <para>bevestiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het</para>
      <para>bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake</para>
      <para>een vergoeding van proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten slotte stelt de Raad vast dat van appellant een griffierecht</para>
      <para>van f 675,- geheven dient te worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Bepaalt dat van appellant een recht wordt geheven van</para>
      <para>f 675,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en</para>
      <para>mr F.P. Zwart en mr T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid</para>
      <para>van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op</para>
      <para>16 juni 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) N.J. Haverkamp.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M.H.A. Uri.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de</para>
      <para>Algemene Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in cassatie</para>
      <para>instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het</para>
      <para>bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, derde tot en met</para>
      <para>zevende lid, 2, 3 en 6 van die wet en de op die artikelen</para>
      <para>berustende bepalingen.</para>
      <para>Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit</para>
      <para>afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een</para>
      <para>beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der</para>
      <para>Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>IS</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>