<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8326</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:19:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8326</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-05-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/10163 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=17&amp;g=1999-05-25">Algemene bijstandswet 17</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=9&amp;g=1999-05-25">Algemene bijstandswet 9</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=9&amp;g=1999-05-25">Algemene bijstandswet 9</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1999, 115</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/209</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8326">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8326</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-01-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8326 Centrale Raad van Beroep , 25-05-1999 / 97/10163 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8326:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ten aanzien van deze universitaire studie in deeltijd vormt de WSF geen voorliggende voorziening.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8326:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/10163 ABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij het beroepschrift aangegeven gronden in</para>
      <para>hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank</para>
      <para>te Utrecht onder dagtekening 19 augustus 1997 tussen partijen</para>
      <para>gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Hierop heeft appellant met een brief d.d. 31 maart 1999 gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 april</para>
      <para>1999, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde</para>
      <para>zich heeft doen vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma,</para>
      <para>werkzaam bij de gemeente Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is</para>
      <para>aangeduid en gedaagde als verweerder - heeft de rechtbank de</para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden vastgesteld:</para>
      <para>"Op 5 september 1996 heeft eiser een aanvraag ingediend voor</para>
      <para>een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Ten</para>
      <para>tijde van de aanvraag was eiser begonnen met een</para>
      <para>deeltijdopleiding tot onderzoeker/bioloog aan de Universiteit</para>
      <para>Utrecht, nadat hij de HBO-opleiding Laboratorium Onderwijs en</para>
      <para>Chemische Technologie, richting zoölogie had afgerond. Bij</para>
      <para>brief van 11 september 1996 heeft de directeur Sociale Zaken</para>
      <para>van de dienst Welzijn van de gemeente Utrecht eiser meegedeeld</para>
      <para>dat voor de beoordeling van de aanvraag aanvullende gegevens</para>
      <para>nodig waren, te weten een kopie van uitschrijving van de</para>
      <para>deeltijdstudie. Bij besluit van 24 september 1996 heeft</para>
      <para>verweerder besloten de aanvraag niet verder in behandeling te</para>
      <para>nemen, met als motivering dat verweerder nog steeds over</para>
      <para>onvoldoende gegevens beschikte om de aanvraag af te handelen.</para>
      <para>Eiser heeft tegen dit besluit op 15 oktober 1996 een</para>
      <para>bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 13 december 1996 is</para>
      <para>het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.".</para>
      <para>Deze feiten en omstandigheden worden door partijen niet</para>
      <para>betwist, en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn</para>
      <para>oordeelsvorming. De Raad voegt er enkel aan toe dat het besluit</para>
      <para>d.d. 13 december 1996 berust op gronden, ontleend aan artikel</para>
      <para>9, tweede lid onder b en onder c, van de Abw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het besluit</para>
      <para>d.d. 13 december 1996 vernietigd allereerst omdat artikel 9,</para>
      <para>tweede lid onder b, van de Abw in het geval van appellant niet</para>
      <para>van toepassing is en voorts omdat het strijdt met artikel 7:12</para>
      <para>van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiertoe is overwogen,</para>
      <para>in het kort, dat de aanvraag van appellant alleen kan worden</para>
      <para>beoordeeld aan de hand van artikel 9, tweede lid aanhef en</para>
      <para>onder c, van de Abw en dat gedaagde onvoldoende onderzoek heeft</para>
      <para>gedaan naar de feitelijke en reële beschikbaarheid van</para>
      <para>appellant voor de arbeidsmarkt, zodat het bestreden besluit niet</para>
      <para>toereikend is gemotiveerd. Voorts heeft de rechtbank aanleiding</para>
      <para>gevonden om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de</para>
      <para>Awb zelf in de zaak te voorzien, in deze zin dat zij, onder</para>
      <para>herroeping van het primaire besluit, heeft beslist dat de</para>
      <para>aanvraag om bijstand van appellant wordt afgewezen. Dit vindt</para>
      <para>grond in de overweging van de rechtbank dat, indien appellant</para>
      <para>gebruik had gemaakt van de in zijn geval bestaande mogelijkheid</para>
      <para>de voltijdopleiding biologie te volgen, hij aanspraak had</para>
      <para>kunnen maken op financiering ingevolge de Wet op de</para>
      <para>studiefinanciering (WSF); aangezien, aldus de rechtbank, deze financiering</para>
      <para>als een voorliggende voorziening in de zin als bedoeld in artikel 17, eerste lid,</para>
      <para>van de Abw moet worden aangemerkt, vormt dit voorschrift een beletsel voor</para>
      <para>een recht van appellant op een bijstandsuitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten</para>
      <para>onrechte op grond van het voorschrift van artikel 17, eerste</para>
      <para>lid, van de Abw heeft beslist dat zijn aanvraag om bijstand</para>
      <para>wordt afgewezen en voorts dat hij op een dergelijke uitkering</para>
      <para>wel recht kan doen gelden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de eerste plaats onderschrijft de Raad het oordeel van de</para>
      <para>rechtbank dat het bepaalde in artikel 9, tweede lid onder b,</para>
      <para>van de Abw niet kan dienen als afwijzingsgrond van de aanvraag</para>
      <para>van appellant, aangezien appellant nu eenmaal een vorm van</para>
      <para>onderwijs volgde - wetenschappelijk onderwijs in deeltijd - die</para>
      <para>niet valt onder het onderwijs, bedoeld in hoofdstuk II van de WSF.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts acht de Raad juist dat de rechtbank het bestreden</para>
      <para>besluit inhoudelijk heeft beoordeeld met toepassing van artikel</para>
      <para>9, tweede lid aanhef en onder c, van de Abw en volgt hij ook de</para>
      <para>rechtbank in haar conclusie dat gedaagde onvoldoende feitelijk</para>
      <para>onderzoek heeft gedaan ter beantwoording van de vraag of</para>
      <para>appellant gezien dat voorschrift recht op een bijstandsuitkering heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierbij neemt de Raad nog het volgende in aanmerking.</para>
      <para>Naar de woorden van artikel 9, tweede lid aanhef en onder c,</para>
      <para>van de Abw heeft geen recht op algemene bijstand degene, wiens</para>
      <para>voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per</para>
      <para>week in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen</para>
      <para>van onderwijs of van een beroepsopleiding, tenzij het betreft</para>
      <para>een scholing of opleiding als bedoeld in artikel 113, eerste</para>
      <para>lid, onderdeel g.</para>
      <para>Het voorschrift van artikel 9, tweede lid onder c, is bij de</para>
      <para>Wet van 21 december 1995, Stb. 691, in de Abw toegevoegd in</para>
      <para>verband met het afschaffen van het recht op kinderbijslag op</para>
      <para>basis van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) voor kinderen</para>
      <para>ouder dan 18 jaar; anders echter dan in de AKW ter zake was</para>
      <para>geregeld, bevat artikel 9, tweede lid onder c, van de Wet niet</para>
      <para>een leeftijdsgrens. Aan de wetsgeschiedenis van de Wet van 21</para>
      <para>december 1995 kan nog worden ontleend dat onder het volgen van</para>
      <para>onderwijs wordt verstaan het volgen van lessen en het</para>
      <para>verrichten van stage.</para>
      <para>In het voetspoor van zijn uitspraak van heden in het geding</para>
      <para>nummer 98/1198 NABW, is de Raad ook hier van oordeel dat de</para>
      <para>vraag, of in het geval van appellant de voor werkzaamheden</para>
      <para>beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per week in beslag</para>
      <para>wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs</para>
      <para>of van een beroepsopleiding, beantwoord dient te worden met</para>
      <para>inachtneming van objectieve dan wel objectiveerbare gegevens</para>
      <para>betreffende de studielast van de studie in concreto (inclusief</para>
      <para>eventueel verleende vrijstellingen) zoals blijkt uit officiële</para>
      <para>gegevens terzake van de betrokken onderwijsinstelling.</para>
      <para>Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat gedaagde niet heeft</para>
      <para>onderzocht wat de studielast in het studiejaar 1996/1997 van de</para>
      <para>door appellant gevolgde deeltijdstudie was. Terecht derhalve</para>
      <para>heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd omdat het</para>
      <para>strijdt met artikel 7:12 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad komt vervolgens toe aan de vraag of de rechtbank</para>
      <para>terecht heeft beslist dat de aanvraag om bijstand van appellant</para>
      <para>op grond van artikel 17, eerste lid, van de Abw wordt afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend.</para>
      <para>Gezien naar artikel 17, eerste lid, van de Abw bestaat geen</para>
      <para>recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op</para>
      <para>een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel,</para>
      <para>wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.</para>
      <para>De Raad is evenwel van oordeel dat - zoals hiervoren al is</para>
      <para>vastgesteld - appellant een studie volgt die niet in de termen van hoofdstuk</para>
      <para>II van de WSF valt. Daarom kan appellant niet daadwerkelijk een</para>
      <para>beroep op studiefinanciering doen. Reeds dit gegeven staat</para>
      <para>eraan in de weg dat de aanvraag van appellant met toepassing</para>
      <para>van artikel 17, eerste lid, van de Abw wordt afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen</para>
      <para>uitspraak niet in stand gelaten kan worden, met dien verstande</para>
      <para>dat dit geen betrekking heeft op de in het dictum van de</para>
      <para>aangevallen uitspraak voorts opgenomen beslissingen inzake</para>
      <para>griffierecht en proceskosten, en dat ook het bestreden besluit moet</para>
      <para>worden vernietigd, dit, naar de opvatting van de Raad, wegens</para>
      <para>strijd niet alleen met artikel 7:12 maar ook met artikel 3:2 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft verzocht gedaagde te veroordelen in de schade</para>
      <para>aan zijn kant op grond van artikel 8:73 van de Awb.</para>
      <para>Uit het hiervoor overwogene blijkt evenwel dat het bestreden</para>
      <para>besluit wordt vernietigd op grond van gebreken in de</para>
      <para>totstandkoming ervan en dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen.</para>
      <para>Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over</para>
      <para>mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe</para>
      <para>het nieuwe besluit zal gaan luiden.</para>
      <para>Gedaagde zal bij het nemen van een nieuw besluit, zeker indien</para>
      <para>het komt tot toekenning van bijstand aan appellant, tevens</para>
      <para>aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen</para>
      <para>zijn om schade te vergoeden.</para>
      <para>Het verzoek van appellant zal de Raad dan ook afwijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht wel termen aanwezig om op grond van artikel 8:75</para>
      <para>van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van</para>
      <para>appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 6,24</para>
      <para>aan reiskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover</para>
      <para>daarin over vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in</para>
      <para>eerste aanleg is beslist;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep gegrond;</para>
      <para>Vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming</para>
      <para>van deze uitspraak;</para>
      <para>Bepaalt dat de gemeente Utrecht aan appellant het gestorte</para>
      <para>recht van f 160,-- vergoedt;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger</para>
      <para>beroep tot een bedrag groot f 6,24, te betalen door de gemeente Utrecht.</para>
      <para>Wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en</para>
      <para>mr Ch. de Vrey en mr J.M.A. van der Kolk-Severijns als</para>
      <para>leden, in tegenwoordigheid van mr P.C. de Wit als</para>
      <para>griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para>(get.) P.C. de Wit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>BvW/HL</para>
      <para>315</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>