<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8309</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8309</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-04-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/586 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=18&amp;g=1999-04-06">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8309">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8309</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-01-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8309 Centrale Raad van Beroep , 06-04-1999 / 97/586 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8309:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8309:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/586 AAW/WAO</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A te B, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats</para>
      <para>van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is</para>
      <para>het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor</para>
      <para>Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In</para>
      <para>deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur</para>
      <para>van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit van 15 februari 1996 heeft gedaagde</para>
      <para>geweigerd aan appellante uitkeringen ingevolge de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen,</para>
      <para>onder overweging dat zij na afloop van de zogeheten wachttijd op</para>
      <para>3 maart 1996 minder dan 25 respectievelijk 15% arbeidsongeschikt was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van</para>
      <para>18 december 1996 het beroep tegen dat besluit ongegrond</para>
      <para>verklaard. Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is mr M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, op</para>
      <para>bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak</para>
      <para>in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Desgevraagd heeft H.J. van den Brand, neuroloog te Rotterdam,</para>
      <para>onder dagtekening 4 maart 1998 van verslag en advies gediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 mei 1998,</para>
      <para>waar voor appellante is verschenen mr Klinkert voornoemd, terwijl</para>
      <para>voor gedaagde is verschenen drs A.J. Verdonk, werkzaam bij Gak Nederland B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is</para>
      <para>gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband</para>
      <para>waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De enkelvoudige kamer van de Raad heeft besloten de zaak te</para>
      <para>verwijzen naar de meervoudige kamer van de Raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 9</para>
      <para>maart 1999. Voor appellante is daar verschenen</para>
      <para>mr Klinkert voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft laten</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr drs Verdonk voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het in rubriek I vermelde bestreden besluit van</para>
      <para>15 februari 1996 berust op het standpunt dat appellante op 3</para>
      <para>maart 1996, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen</para>
      <para>ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met</para>
      <para>inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden</para>
      <para>verbonden aan de voor haar geselecteerde functies. Vergelijking</para>
      <para>van de mediane loonwaarde van die functies met het voor haar</para>
      <para>geldende maatmaninkomen resulteert volgens gedaagde niet in een</para>
      <para>verlies aan verdiencapaciteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden.</para>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde</para>
      <para>beoordeling kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan het</para>
      <para>op zijn verzoek door de neuroloog H.J. van den Brand op 4 maart</para>
      <para>1998 omtrent appellante uitgebrachte rapport. Uit dit rapport</para>
      <para>blijkt dat deze onafhankelijke en onpartijdige deskundige accoord</para>
      <para>gaat met de door de verzekeringsgeneeskundige voor appellante</para>
      <para>vastgestelde belastbaarheid. Voorts volgt uit dit rapport dat</para>
      <para>appellante op de datum in geding in staat was om de voor haar</para>
      <para>geselecteerde functies te vervullen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat het arbeidskundig aspect van de schatting betreft overweegt</para>
      <para>de Raad het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante was voor haar uitval gedurende 21,25 uur per week</para>
      <para>werkzaam als inpakster van flesjes parfum. Daarnaast was zij</para>
      <para>gedurende 10 uur per week werkzaam als schoonmaakster. Voor haar</para>
      <para>uitval was zij derhalve gedurende in totaal 31,25 uur per week</para>
      <para>- en dus in deeltijd - werkzaam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is aangevoerd dat de mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van een verzekerde die voor haar uitval in</para>
      <para>deeltijd werkzaam was, dient te worden bepaald aan de hand van</para>
      <para>deeltijdfuncties die in omvang ongeveer gelijk zijn aan de omvang</para>
      <para>van de maatgevende functie. Voorts is aangevoerd dat de in</para>
      <para>aanmerking te nemen deeltijdarbeid dient te worden omschreven in</para>
      <para>de vorm van ten minste drie verschillende functies met tezamen</para>
      <para>ten minste 30 arbeidsplaatsen, zoals bepaald in artikel 3 van het</para>
      <para>Schattingsbesluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft dit bestreden en aangevoerd dat het voor de</para>
      <para>schatting van een deeltijdwerkende voldoende is dat wordt</para>
      <para>aangetoond dat de geselecteerde fulltime functies tevens parttime</para>
      <para>kunnen worden vervuld en dat aan deze functies, met betrekking</para>
      <para>tot de datum in geding, niet de eis mag worden gesteld dat</para>
      <para>aangetoond moet worden dat zij aan evengenoemde</para>
      <para>arbeidsplaatseneis beantwoorden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dienaangaande overweegt de Raad dat hij in zijn jurisprudentie</para>
      <para>herhaaldelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat de resterende</para>
      <para>verdiencapaciteit van een deeltijdwerker dient te worden bepaald</para>
      <para>aan de hand van arbeid in een gelijke omvang als de verzekerde</para>
      <para>arbeid die voldoet aan de in de artikelen 5 van de AAW en 18 van</para>
      <para>de WAO neergelegde criteria. In dit verband wijst de Raad op zijn</para>
      <para>uitspraak van 14 augustus 1996, gepubliceerd in RSV 1997/48. Uit</para>
      <para>zijn rechtspraak met betrekking tot de schatting van een</para>
      <para>deeltijdwerkende, voor wie niet op medische gronden een</para>
      <para>urenbeperking geldt, komt voorts naar voren, zoals blijkt uit 's</para>
      <para>Raads uitspraak van 12 maart 1993, gepubliceerd in</para>
      <para>RSV 1993/99, dat niet de eis wordt gesteld dat de voorgehouden</para>
      <para>functies in exact dezelfde omvang aanwijsbaar zijn als die waarin</para>
      <para>de maatgevende arbeid werd verricht. Wel dient vast te staan dat</para>
      <para>die functies op de in geding zijnde datum in deeltijd kunnen</para>
      <para>worden vervuld, maar eventuele afwijkingen in de omvang van het</para>
      <para>aantal uren van de maatgevende arbeid zijn te beschouwen als een</para>
      <para>arbeidsmarkt-factor die niet kan worden gebracht onder de in</para>
      <para>artikel 5 van de AAW en artikel 18 van de WAO bedoelde</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat thans de vraag beantwoord moet worden of ten</para>
      <para>minste drie functies zijn geselecteerd waarvan vaststaat dat zij</para>
      <para>op de datum in geding in deeltijd op de arbeidsmarkt voorkwamen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de zich onder de gedingstukken bevindende</para>
      <para>arbeidsmogelijkhedenlijst van 5 februari 1996 heeft gedaagde voor</para>
      <para>appellante vijf functies geselecteerd die in vier zogeheten</para>
      <para>FB-codes zijn ondergebracht. Het betreft de functies inpakker</para>
      <para>koekjes (FB-code 9717, functienummer 2084-0097-001), samensteller</para>
      <para>(FB-code 8463, functienummer 3483-0012-002), monteur</para>
      <para>koffiezetters (FB-code 8539, functienummer</para>
      <para>3697-0013-041) en brugwachter (FB-code 9734, functienummers</para>
      <para>7421-0145-003 en 7421-0145-002). Deze functies vertegenwoordigen</para>
      <para>respectievelijk 30, 40, 100, 8 en 4 arbeidsplaatsen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit deze arbeidsmogelijkhedenlijst blijkt dat het gaat om</para>
      <para>voltijdse functies en dat uitsluitend de functie van brugwachter</para>
      <para>- met 8 arbeidsplaatsen - in deeltijd bestond. Gedaagde heeft</para>
      <para>evenwel in hoger beroep een historische beschrijving van de</para>
      <para>functie inpakster koekjes (FB-code 9717, functienummer 2084-0097-052)</para>
      <para>ingezonden waaruit blijkt dat ook deze functie op de datum in geding parttime</para>
      <para>voorkwam en toen 10 arbeidsplaatsen vertegenwoordigde. Voorts</para>
      <para>heeft gedaagde in hoger beroep een historische beschrijving van</para>
      <para>de functie monteur koffie-zetters (FB-code 8539, functienummer</para>
      <para>3697-0013-50) ingezonden waaruit blijkt dat deze functie eveneens</para>
      <para>op de datum in geding parttime voorkwam; deze functie</para>
      <para>vertegenwoordigde toen 10 arbeidsplaatsen. De Raad heeft</para>
      <para>vastgesteld dat de belasting van deze functies de belastbaarheid</para>
      <para>van appellante niet overschrijdt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde van ten minste</para>
      <para>drie passende functies - brugwachter, inpakster koekjes en monteur</para>
      <para>koffiezetters - heeft aangetoond dat zij op de datum in geding in</para>
      <para>deeltijd op de arbeidsmarkt voorkwamen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het vereiste aantal arbeidsplaatsen overweegt</para>
      <para>de Raad dat bij een verzekerde, die niet op medische gronden</para>
      <para>aangewezen is op deeltijdarbeid, weliswaar de eis geldt dat de</para>
      <para>geselecteerde functies op de datum in geding in deeltijd op de</para>
      <para>arbeidsmarkt voorkwamen, maar niet dat de - ten minste - drie te</para>
      <para>selecteren functies tezamen ten minste 30, in deeltijd vervulbare</para>
      <para>arbeidsplaatsen dienen te vertegenwoordigen. Van elk van de voor</para>
      <para>zulk een verzekerde geselecteerde fulltime functies is het</para>
      <para>voldoende dat wordt aangetoond dat zij op de datum in geding in</para>
      <para>een deeltijdse variant ten minste één arbeidsplaats</para>
      <para>vertegenwoordigden, onverminderd het bepaalde in artikel 3 van</para>
      <para>het Schattingsbesluit, inhoudende dat de geselecteerde (parttime</para>
      <para>en fulltime) functies tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen</para>
      <para>dienen te vertegenwoordigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat van de functies</para>
      <para>brugwachter, inpakster koekjes en monteur koffiezetters is</para>
      <para>aangetoond dat zij tezamen ten minste</para>
      <para>30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op een</para>
      <para>deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust en dat</para>
      <para>de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen dat besluit</para>
      <para>ongegrond is verklaard dient te worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het vorenstaande voegt de Raad nog - in dit geding ten</para>
      <para>overvloede - toe dat gedaagde niet heeft aangetoond dat de functie</para>
      <para>van samensteller (FB-code 8463) op de datum in geding in deeltijd</para>
      <para>op de arbeidsmarkt voorkwam. Uit de enkele omstandigheid dat de</para>
      <para>arbeidskundig analist J.P.M. Stoffers telefonisch tegenover de gemachtigde</para>
      <para>van gedaagde heeft verklaard dat deze functie bij de betrokken werkgever ook</para>
      <para>parttime was te verkrijgen, zij het dat de werkgever daarbij wel</para>
      <para>inbreng wilde hebben, dat wil zeggen dat de werkgever als</para>
      <para>uitgangspunt hanteert dat de vrijdag een niet te werken dag is</para>
      <para>bij parttime dienstverbanden, kan niet worden afgeleid dat deze</para>
      <para>functie op de datum in geding bij de geënquêteerde werkgever</para>
      <para>bestond in deeltijdse variant en dat deze parttime functie een</para>
      <para>gelijke belasting en beloning had als de voltijdse variant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het</para>
      <para>bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en</para>
      <para>mr R.M. van Male en mr C.P.J. Goorden als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier en uitgesproken in het</para>
      <para>openbaar op 6 april 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) K.J.S. Spaas.</para>
    <para />
    <para>(get.) B.C. Rog.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>IS</para>
      <para>+ Q.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>