<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8297</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T17:11:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8297</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AK6535</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-02-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/3666 AW + 98/3670 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:1&amp;g=1999-02-25">Algemene wet bestuursrecht 7:1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:18&amp;g=1999-02-25">Algemene wet bestuursrecht 6:18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:19&amp;g=1999-02-25">Algemene wet bestuursrecht 6:19</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006516&amp;artikel=94&amp;g=1999-02-25">Besluit algemene rechtspositie politie 94</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1999/71</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8297">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8297</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2009-02-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8297 Centrale Raad van Beroep , 25-02-1999 / 98/3666 AW + 98/3670 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8297:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontslag politieagent wegens onoorbaar gedrag; tegen wachtgeldbesluit dient eerst bezwaar te worden gemaakt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8297:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/3666 AW en 98/3670 AW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden,</para>
      <para>appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde</para>
      <para>gronden hoger beroep ingesteld tegen de op 10 april</para>
      <para>1998 door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam</para>
      <para>onder de nummers AW 96/12659 en 97/13317 tussen</para>
      <para>partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt</para>
      <para>verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 14 januari</para>
      <para>1999, waar appellant zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr E.J. Visser, werkzaam bij</para>
      <para>de politieregio Haaglanden, en waar gedaagde in</para>
      <para>persoon is verschenen, bijgestaan door mr P.J. de</para>
      <para>Booij, advocaat te Amsterdam als zijn raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een meer uitvoerige weergave van de relevante</para>
      <para>feiten verwijst de Raad naar de aangevallen</para>
      <para>uitspraak. De Raad volstaat met de navolgende</para>
      <para>samenvatting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde, geboren in 1963 en sedert 1 oktober 1994 in</para>
      <para>vaste dienst als politiesurveillant, is na een</para>
      <para>voorafgaande schorsing bij besluit van 30 oktober</para>
      <para>1995 met toepassing van artikel 94, lid 1, onder f,</para>
      <para>van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp)</para>
      <para>met ingang van 1 februari 1996 ontslagen wegens</para>
      <para>onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem</para>
      <para>beklede ambt, anders dan op grond van ziels- en</para>
      <para>lichaamsgebreken. De bezwaren van gedaagde tegen dat</para>
      <para>besluit zijn bij besluit van 31 januari 1996</para>
      <para>ongegrond verklaard. Bij besluit van 21 mei 1996, na</para>
      <para>bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 oktober 1996,</para>
      <para>is gedaagde een uitkering op de voet van het</para>
      <para>Rijkswachtgeldbesluit 1959 geweigerd. De rechtbank te</para>
      <para>Amsterdam heeft het (ontslag)besluit van 31 januari</para>
      <para>1996 bij uitspraak van 13 februari 1997 vernietigd.</para>
      <para>Appellant heeft in die uitspraak berust en heeft</para>
      <para>gedaagde opnieuw geschorst. Ervan uitgaande dat het</para>
      <para>dienstverband als niet beëindigd moet worden</para>
      <para>beschouwd, heeft appellant gedaagde bericht dat zijn</para>
      <para>salaris zal worden nabetaald. Bij schrijven van 1</para>
      <para>juli 1997 heeft appellant gedaagde medegedeeld dat</para>
      <para>het besluit waarbij hem een ontslaguitkering is</para>
      <para>geweigerd alsmede het op het daartegen gemaakte</para>
      <para>bezwaar genomen besluit worden ingetrokken en dat</para>
      <para>nader onderzoek zal worden ingesteld.</para>
      <para>Gedaagde heeft zijn medewerking aan vervolgonderzoek</para>
      <para>geweigerd.</para>
      <para>In een brief van 26 juni 1997 heeft appellant te</para>
      <para>kennen gegeven dat hij op grond van voortschrijdend</para>
      <para>inzicht thans een andere interpretatie geeft aan de</para>
      <para>uitspraak van de rechtbank van 13 februari 1997 en</para>
      <para>dat een nieuw besluit zal worden genomen op het</para>
      <para>bezwaarschrift van 8 december 1995 tegen het</para>
      <para>(primaire) ontslagbesluit van 30 oktober 1995. Aan</para>
      <para>gedaagde is opnieuw verzocht om medewerking aan een</para>
      <para>onderzoek naar de aanwezigheid van ziels- of</para>
      <para>lichaamsgebreken.</para>
      <para>Na aanvullend onderzoek heeft appellant bij het thans</para>
      <para>in geding zijnde besluit van 1 augustus 1997 het</para>
      <para>bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en het ontslag op</para>
      <para>in het besluit aangevoerde gronden gehandhaafd. In</para>
      <para>hetzelfde besluit heeft appellant opnieuw wachtgeld</para>
      <para>op de voet van het Rijkswachtgeldbesluit 1959</para>
      <para>geweigerd.</para>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de</para>
      <para>tegen de besluiten van 24 oktober 1996 en 1 augustus</para>
      <para>1997 ingestelde beroepen opnieuw gegrond verklaard,</para>
      <para>de besluiten vernietigd en tevens het primaire</para>
      <para>ontslagbesluit herroepen. Een tegen de weigering van</para>
      <para>uitkering, vervat in het besluit van 1 augustus 1997,</para>
      <para>gemaakt bezwaar heeft de rechtbank met toepassing van</para>
      <para>artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
      <para>aangemerkt als een tevens aanhangig beroep tegen dat</para>
      <para>besluit, welk beroep zij gegrond heeft verklaard, in</para>
      <para>verband waarmee zij dat besluit heeft vernietigd,</para>
      <para>onder instandhouding van de rechtsgevolgen van dat</para>
      <para>besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vooropgesteld wordt dat de hernieuwde schorsing van</para>
      <para>gedaagde en de hervatting van de salarisbetaling door</para>
      <para>appellant na de vernietiging van het eerdere</para>
      <para>(ontslag)besluit door de rechtbank niet met zich mee</para>
      <para>brengen dat appellant geen nieuw besluit meer mocht</para>
      <para>nemen op het bezwaar van gedaagde tegen het primaire</para>
      <para>ontslagbesluit van 30 oktober 1995. Appellant was</para>
      <para>daartoe immers gehouden nu het primaire</para>
      <para>ontslagbesluit van 30 oktober 1995 noch was</para>
      <para>vernietigd, noch ingetrokken door appellant en het</para>
      <para>schorsingsbesluit niet als uitvoering van de</para>
      <para>uitspraak van 13 februari 1997 kan worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft het besluit van 1 augustus 1997 tot</para>
      <para>ontslag wegens ongeschiktheid gebaseerd op een</para>
      <para>vijftal in het besluit genoemde gedragingen. Uit de</para>
      <para>rechtens onaantastbaar geworden uitspraak van 13</para>
      <para>februari 1997 blijkt dat vier van de vijf aan het</para>
      <para>besluit van 1 augustus 1997 ten grondslag gelegde</para>
      <para>gedragingen voldoende vaststaan -tot tweemaal toe de</para>
      <para>hals van zijn vriendin vastgrijpen en tenminste</para>
      <para>eenmaal slaan, de aankoop van een illegaal</para>
      <para>telefoontoestel en het daarmee voeren van illegale</para>
      <para>telefoongesprekken, als politieagent voor</para>
      <para>privé-doeleinden opvragen van gegevens bij de</para>
      <para>burgerlijke stand en het zonder toestemming of</para>
      <para>noodzaak in uniform privé-zaken</para>
      <para>regelen. Deze werden door de rechtbank echter</para>
      <para>onvoldoende bevonden voor een ongeschiktheidsontslag.</para>
      <para>In geschil is daarom vooral of thans voldoende</para>
      <para>vaststaat hetgeen door appellant voorts aan het</para>
      <para>ongeschiktheidsoordeel ten grondslag is gelegd, te</para>
      <para>weten dat gedaagde 'in een huiselijke twist zijn</para>
      <para>toenmalige vriendin -hierna H te noemen- met zijn</para>
      <para>dienstwapen heeft bedreigd, althans met dit</para>
      <para>dienstwapen heeft gezwaaid' en of die gedraging</para>
      <para>tezamen met de andere vaststaande gedragingen het</para>
      <para>oordeel rechtvaardigt dat gedaagde ongeschikt is voor</para>
      <para>zijn politieambt. De rechtbank heeft eerstgenoemde</para>
      <para>vraag ontkennend beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft naar aanleiding van hetgeen door de</para>
      <para>rechtbank is overwogen bij voornoemde uitspraak van</para>
      <para>13 februari 1997, voorafgaand aan het nadere besluit</para>
      <para>op bezwaar, H en de hoofdagent van de politieregio</para>
      <para>Amsterdam-Amstelland G, die destijds proces-verbaal</para>
      <para>had opgemaakt van de verklaring van gedaagde naar</para>
      <para>aanleiding van de aangifte van H, doen horen. H heeft</para>
      <para>haar eerdere verklaringen terzake staande gehouden.</para>
      <para>Voormelde hoofdagent heeft verklaard haar eerdere</para>
      <para>proces-verbaal te willen aanvullen en heeft verklaard</para>
      <para>zich goed te herinneren dat gedaagde heeft gezegd</para>
      <para>'dat hij wel met zijn dienstwapen gezwaaid heeft maar</para>
      <para>nooit het dienstwapen op het hoofd van H gezet</para>
      <para>heeft'.</para>
      <para>Op grond van laatstbedoelde verklaringen in</para>
      <para>verbinding met de eerder opgemaakte rapporten en</para>
      <para>verklaringen, met name de eerdere verklaringen van</para>
      <para>gedaagde zelf, staat voor de Raad voldoende vast dat</para>
      <para>gedaagde tijdens ruzie met H met zijn dienstwapen</para>
      <para>heeft gezwaaid. Het zwaaien met het vuurwapen kon in</para>
      <para>de gegeven context niet anders dan als bedreiging</para>
      <para>worden opgevat. Dat feit, in combinatie met de andere</para>
      <para>aan gedaagde verweten gedragingen biedt voldoende</para>
      <para>grond voor het oordeel dat gedaagde ongeschikt is</para>
      <para>voor zijn functie bij de politie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de in de aangevallen uitspraak alsmede in de</para>
      <para>eerdere uitspraak van 13 februari 1997 opgenomen</para>
      <para>overwegingen huldigt de rechtbank de opvatting dat</para>
      <para>bij een ontslag als het onderhavige het</para>
      <para>bestuursorgaan dient te (laten) beoordelen of de</para>
      <para>ongeschiktheid van de betrokken ambtenaar wellicht in</para>
      <para>overwegende of belangrijke mate verband houdt met</para>
      <para>ziekte of gebrek. De Raad overweegt dat dit zeker</para>
      <para>niet in alle gevallen aangewezen is. Een onderzoek</para>
      <para>naar het bestaan van eventuele medische oorzaak van</para>
      <para>de ongeschiktheid acht de Raad (slechts) aangewezen</para>
      <para>in die gevallen waarin aanwijzingen voorhanden zijn</para>
      <para>dat de ongeschiktheid van een ambtenaar (mede)</para>
      <para>voortkomt uit of samen hangt met een ziekte of gebrek</para>
      <para>of wanneer gerede twijfel bestaat of het onvoldoende</para>
      <para>functioneren van een ambtenaar wordt veroorzaakt door</para>
      <para>eigenschappen van karakter, geest of gemoed danwel</para>
      <para>door ziekten of gebreken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderhavige geval is van bedoelde aanwijzingen</para>
      <para>en van die gerede twijfel geen sprake. Appellant moet</para>
      <para>derhalve bevoegd worden geacht aan gedaagde met</para>
      <para>toepassing van artikel 94, lid 1 onder f, van het</para>
      <para>Barp ontslag te verlenen. De Raad is op grond van de</para>
      <para>stukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken</para>
      <para>dat appellant van deze ontslagbevoegdheid heeft</para>
      <para>gebruik gemaakt op een wijze die de ter zake aan te</para>
      <para>leggen beperkte toetsing niet zou kunnen doorstaan.</para>
      <para>Het ontslagbesluit kan derhalve in stand blijven en</para>
      <para>de aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden</para>
      <para>vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft de weigering van ontslaguitkering heeft</para>
      <para>de rechtbank terecht overwogen dat appellant na de</para>
      <para>vernietiging van het eerdere ontslagbesluit op 13</para>
      <para>februari 1997 door de rechtbank, zowel het primaire</para>
      <para>weigeringsbesluit van 21 mei 1996 als het besluit op</para>
      <para>bezwaar van 24 oktober 1996 bij brief van 1 juli 1997</para>
      <para>heeft ingetrokken. Aan het bij de rechtbank</para>
      <para>aanhangige en door gedaagde niet ingetrokken beroep</para>
      <para>tegen genoemd besluit van 24 oktober 1996 was</para>
      <para>mitsdien de grond komen te ontvallen, zodat dit door</para>
      <para>de rechtbank niet-ontvankelijk had dienen te worden</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder deze omstandigheden kan de Raad de in het thans</para>
      <para>in geding zijnde besluit van 1 augustus 1997 begrepen</para>
      <para>weigering van een uitkering geen besluit zien dat met</para>
      <para>toepassing van artikel 6:18 en 6:19 van de Awb in de</para>
      <para>gedingvoering kan worden betrokken. Genoemd onderdeel</para>
      <para>van dat besluit van 1 augustus 1997 kan de Raad tegen</para>
      <para>deze achtergrond niet anders zien dan als een</para>
      <para>zogenoemd primair besluit, waartegen niet direct</para>
      <para>beroep op de rechtbank kon worden ingesteld maar</para>
      <para>waarop het voorschrift van artikel 7:1 van de Awb van</para>
      <para>toepassing is. De aangevallen uitspraak kan ook op</para>
      <para>dit punt niet in stand kan blijven. De Raad gaat</para>
      <para>ervan uit dat appellant het naar de rechtbank</para>
      <para>doorgezonden op 29 augustus 1997 tegen dit onderdeel</para>
      <para>van het besluit van 1 augustus 1997 ingediende</para>
      <para>bezwaarschrift van gedaagde alsnog als zodanig zal</para>
      <para>behandelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande leidt er toe dat het hoger beroep</para>
      <para>van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak</para>
      <para>dient te worden vernietigd.</para>
      <para>De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven</para>
      <para>aan artikel 8:75 van de Awb.</para>
      <para>Beslist is als hierna vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidende beroep van gedaagde tegen</para>
      <para>het besluit van 24 oktober 1996 alsnog</para>
      <para>niet-ontvankelijk;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep van gedaagde tegen het</para>
      <para>ontslagbesluit alsnog ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H.A.A.G Vermeulen als</para>
      <para>voorzitter, en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr</para>
      <para>H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid</para>
      <para>van mr A.W.M. van Bommel als griffier en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 25 februari 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) H.A.A.G. Vermeulen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.W.M. van Bommel.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>05.02</para>
      <para>Q</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>