<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8292</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T07:48:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8292</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-03-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/4127 AAW, 97/4128 AAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:69&amp;g=1999-03-26">Algemene wet bestuursrecht 8:69</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/182</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1999/122 met annotatie van R.J.N. Schlössels</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8292">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8292</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-11-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8292 Centrale Raad van Beroep , 26-03-1999 / 97/4127 AAW, 97/4128 AAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8292:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verbod van de reformatio in peius, Goede procesorde, Verdedigingsbeginsel</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8292:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>97/4127 AAW</para>
      <para>97/4128 AAW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997</para>
      <para>in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen</para>
      <para>(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige</para>
      <para>geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de</para>
      <para>Hout- en Meubelindustrie en Groothandel in Hout. In deze uitspraak wordt</para>
      <para>onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 22 september 1995 heeft gedaagde ten aanzien van appellants aanspraken</para>
      <para>ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) een besluit genomen met</para>
      <para>de volgende inhoud:</para>
      <para>"U ontvangt een aaw-uitkering berekend naar een</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.</para>
      <para>Ingaande 1 januari 1994 heeft u inkomsten uit arbeid. Dit heeft</para>
      <para>gevolgen voor uw aaw-uitkering.</para>
      <para>De inkomsten bedragen f 43086,00. Dit is 100% van het in</para>
      <para>aanmerking te nemen inkomen van een geheel valide zelfstandig</para>
      <para>timmerman (maatmanberoep) ad f 42564,00.</para>
      <para>Derhalve resteert er geen verlies aan verdiencapaciteit.</para>
      <para>Wij zijn van mening dat u eigenlijk minder dan 25%</para>
      <para>arbeidsongeschikt bent.</para>
      <para>Uitbetaling van uw aaw-uitkering</para>
      <para>Zolang nog niet vaststaat, dat de door u verrichte arbeid leidt</para>
      <para>tot herziening van uw mate van arbeidsongeschiktheid blijft u</para>
      <para>ingedeeld in de klasse van 45 tot 55%, maar betalen wij u vanaf</para>
      <para>1 januari 1994 geen aaw-uitkering omdat de aaw pas recht op</para>
      <para>uitkering geeft bij een arbeidsongeschiktheid van 25% of meer.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 17 oktober 1995 heeft gedaagde met toepassing van artikel 48</para>
      <para>van de AAW van appellant teruggevorderd een bedrag van f 11.005,85, bruto</para>
      <para>plus overhevelingstoeslag, terzake van hetgeen op grond van die wet</para>
      <para>onverschuldigd aan appellant was betaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft bij uitspraak van 3 april</para>
      <para>1997 de tegen die besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld door H. de</para>
      <para>Vries, werkzaam bij A.V.M. juristen te Leeuwarden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 februari</para>
      <para>1999, waar appellant, met voorafgaand bericht, niet is verschenen, en waar</para>
      <para>gedaagde daartoe ambtshalve als partij opgeroepen, zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr A.A. Reijmerink, werkzaam bij Gak Nederland B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <para>Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, geboren in 1943 en werkzaam als zelfstandige, heeft zich op 6 juni</para>
      <para>1989 tot gedaagde gewend met het verzoek hem in aanmerking te brengen voor</para>
      <para>een uitkering krachtens de AAW in verband met zijn sedert 17 november 1988</para>
      <para>als gevolg van een hartinfarct bestaande gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van dat verzoek heeft gedaagde appellant met ingang van 16</para>
      <para>november 1989 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de AAW,</para>
      <para>berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Met ingang van</para>
      <para>1 juni 1991 is appellant ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit van 22 september 1995 heeft gedaagde, in verband</para>
      <para>met inkomsten uit arbeid die appellant sedert 1 januari 1994 geniet, besloten</para>
      <para>appellant met ingang van 1 januari 1994 ongewijzigd voor 45 tot 55%</para>
      <para>arbeidsongeschikt te beschouwen, maar de uitkering met ingang van</para>
      <para>laatstgenoemde datum onder toepassing van artikel 33 van de AAW niet uit te</para>
      <para>betalen, omdat gedaagde van mening is dat appellant met ingang van 1 januari</para>
      <para>1994 fictief inder dan 25% arbeidsongeschikt is en de AAW pas recht op</para>
      <para>uitkering geeft bij een arbeidsongeschiktheid van 25% of meer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft de fictieve mate van appellants arbeidsongeschiktheid bij de</para>
      <para>voorbereiding van het bestreden besluit vastgesteld door het op grond van</para>
      <para>zijn inkomsten in de jaren 1992 en 1993 berekende maatmaninkomen te</para>
      <para>vergelijken met de volgens gedaagde door appellant in 1994 gemaakte bedrijfswinst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft in eerste aanleg de juistheid van het aan dit bestreden</para>
      <para>besluit ten grondslag liggend standpunt van gedaagde betwist. Daartoe heeft</para>
      <para>hij onder meer aangevoerd dat gedaagde bij het vaststellen van de inkomsten</para>
      <para>van appellant over het kalenderjaar 1994 ad f 43.086,- ten onrechte geen</para>
      <para>rekening heeft gehouden met de arbeidsbeloning van zijn, in zijn bedrijf</para>
      <para>meewerkende, echtgenote ad f 11.850,-. Volgens appellant bedraagt de aan hem</para>
      <para>toe te schrijven fiscale winst f 31.675,-. Voorts heeft appellant betoogd dat</para>
      <para>gedaagde van een onjuist maatmaninkomen is uitgegaan. Naar het oordeel van</para>
      <para>appellant dient een vergelijking tussen het juiste maatmaninkomen en de</para>
      <para>juiste omvang van appellants inkomsten uit arbeid te leiden tot indeling van</para>
      <para>appellant in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van deze stelling van appellant heeft gedaagde tijdens de</para>
      <para>gedingvoering in eerste aanleg de berekening van de mate van appellants</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid opnieuw bezien. Daarbij is gedaagde tot de conclusie</para>
      <para>gekomen dat het bij de voorbereiding van het bestreden besluit in aanmerking</para>
      <para>genomen maatmaninkomen (f 42.564,-) ten onrechte is gebaseerd op de inkomsten</para>
      <para>in 1992 en 1993, in welke jaren de arbeidsongeschiktheid van appellant reeds</para>
      <para>was ingetreden. Hantering van het - met in achtneming van 's Raads uitspraak</para>
      <para>van 17 augustus 1993, RSV 1993/298, berekende -  maatmaninkomen leidt ertoe</para>
      <para>dat dit volgens gedaagde gesteld dient te worden op f 31.352,-. Voorts erkent</para>
      <para>gedaagde dat de aan appellant toe te rekenen bedrijfswinstwinst f 31.675,- bedraagt.</para>
      <para>Een en ander leidt in de gedachtegang van gedaagde echter niet tot</para>
      <para>een ander resultaat dan in het bestreden besluit van 22 september 1995 is</para>
      <para>neergelegd. Een vergelijking van het juiste maatmaninkomen met de aan</para>
      <para>appellant toe te rekenen inkomsten uit arbeid moet er volgens gedaagde toe</para>
      <para>leiden dat appellant theoretisch onveranderd voor minder dan 25%</para>
      <para>arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant betwist op zichzelf niet zozeer dat, indien het juiste</para>
      <para>maatmaninkomen in aanmerking wordt genomen alsmede de juiste omvang van</para>
      <para>appellants inkomsten uit arbeid, hij fictief voor minder dan 25%</para>
      <para>arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd. Hij kan zich er echter niet mee</para>
      <para>vere-nigen dat gedaagde hangende de gedingvoering alsnog mede op grond van</para>
      <para>een berekening, gebaseerd op het juiste - lagere - maatmaninkomen het</para>
      <para>bestreden besluit handhaaft. Appellant acht dit in strijd met het beginsel</para>
      <para>dat een belanghebbende door het instellen van een beroepsprocedure niet in</para>
      <para>een nadeliger positie mag worden gebracht dan wanneer hij die procedure niet</para>
      <para>zou hebben aangespannen (het verbod van de reformatio in peius).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft hetgeen door appellant dienaangaande is betoogd verworpen.</para>
      <para>Zij was van oordeel dat, nu het door gedaagde in de beroepsprocedure</para>
      <para>gewijzigde standpunt niet tot een voor appellant minder gunstige uitkomst</para>
      <para>heeft geleid dan in het bestreden besluit van 22 september 1995 is</para>
      <para>neergelegd, niet gezegd kan worden dat appellant in een nadeliger positie is</para>
      <para>gekomen dan waarin hij verkeerde voordat hij het beroep aanhangig maakte.</para>
      <para>Aldus achtte de rechtbank geen strijd met het genoemde beginsel aanwezig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Partijen verschillen van mening over de juistheid van dit oordeel van de rechtbank.</para>
    <para />
    <para>Dienaangaand overweegt de Raad het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat gedaagde in de onderhavige beroepsprocedure de</para>
      <para>juistheid van het resultaat van de in geding zijnde besluitvorming kon en</para>
      <para>mocht aantonen door alsnog het juiste maatmaninkomen van appellant af te</para>
      <para>zetten tegen de juiste omvang van appellants inkomen uit arbeid, leidend tot</para>
      <para>geen ander resultaat dan in het bestreden besluit van 22 september 1995 is</para>
      <para>neergelegd. Reeds gezien het zojuist overwogene is de Raad is van oordeel dat</para>
      <para>het door appellant genoemde beginsel niet is geschonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt voorts dat niettemin beginselen van een goede procesorde,</para>
      <para>waaronder in het bijzonder het verdedigingsbeginsel, in de weg kunnen staan</para>
      <para>aan het accepteren door de rechter van een nieuwe berekening van de mate van</para>
      <para>de arbeidsongeschiktheid van een verzekerde als door gedaagde tijdens de</para>
      <para>gedingvoering in eerste aanleg in appellants geval is gemaakt.</para>
      <para>De door gedaagde bij nader inzien voorgestane berekeningswijze van de mate</para>
      <para>van appellants arbeidsongeschiktheid is evenwel in het verweerschrift in</para>
      <para>eerste aanleg uiteengezet. Dit is derhalve gebeurd in een zodanig stadium van</para>
      <para>de gedingvoering dat geenszins staande gehouden kan worden dat gedaagde</para>
      <para>daardoor in zijn processuele belangen is geschaad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande kunnen appellants grieven in hoger beroep, voorzover</para>
      <para>betrekking hebbend op het bestreden besluit van 22 september 1995 niet slagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend</para>
      <para>op het bestreden besluit van 17 oktober 1995 geen andere grieven naar voren</para>
      <para>gebracht dan die welke hij heeft gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor</para>
      <para>zover betrekking hebbend op het bestreden besluit van 22 september 1995.</para>
      <para>Blijkens het vorenoverwogene verwerpt de Raad die grieven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Derhalve treft hetgeen appellant met betrekking tot het laatstgenoemd besluit</para>
      <para>naar voren heeft gebracht evenmin doel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aangevallen uitspraak komt gezien het vorenoverwogene voor bevestiging in</para>
      <para>aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in</para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en mr W.D.M. van</para>
      <para>Diepenbeek en mr T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W.</para>
      <para>van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 maart 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) H. van Leeuwen.</para>
    <para />
    <para>(get.) C.H.T.W. van Rooijen.</para>
    <para />
    <para>AB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>