<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8228</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-13T14:37:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8228</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-04-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/5410 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:3&amp;g=1999-04-08">Algemene wet bestuursrecht 3:3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=10:3&amp;g=1999-04-08">Algemene wet bestuursrecht 10:3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8228">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8228</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-04-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8228 Centrale Raad van Beroep , 08-04-1999 / 97/5410 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8228:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Ontslag(besluit) leerkracht wegens ongepast gedrag (sexuele kontakten met leerlingen) terecht en</para>
        <para> (krachtens mandaat) bevoegd genomen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8228:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/5410 AW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde</para>
      <para>gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Rotterdam op 3 juni 1997 onder nr.</para>
      <para>AW 95/199-F4 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift (met bijlage) ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 4 maart 1999, waar</para>
      <para>appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr F.B.</para>
      <para>Wisselink, advocaat te Den Haag, en waar gedaagde zich heeft</para>
      <para>laten vertegenwoordigen door mr B. van Hassel-van Roon en drs</para>
      <para>M.A.J.M. Nelen, beiden werkzaam bij de gemeente Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een uitgebreid overzicht van de voor dit geding van belang</para>
      <para>zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.</para>
      <para>Hij volstaat hier met het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant was ten tijde hier van belang werkzaam als leraar in</para>
      <para>het openbaar onderwijs in Rotterdam. Hij had formeel een</para>
      <para>aanstelling bij twee openbare basisscholen die werden beheerd</para>
      <para>door de dienst Openbaar Onderwijs Rotterdam (hierna: DOOR);</para>
      <para>feitelijk was hij werkzaam aan de openbare basisschool X. In</para>
      <para>verband met ontoelaatbaar gedrag jegens jongens van groep 5 en</para>
      <para>6 van de school waaraan appellant les gaf, is hem bij primair</para>
      <para>besluit van 25 juli 1994 met ingang van 1 september 1994 de</para>
      <para>disciplinaire straf van ontslag (bij die school) opgelegd. Bij</para>
      <para>ongedateerd besluit, door appellant ontvangen op 15 maart 1995,</para>
      <para>is het tegen dat besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard;</para>
      <para>voorts is in dat besluit uitgesproken dat gedaagde het primaire</para>
      <para>besluit voor zijn rekening neemt en dat het ontslag gegeven is</para>
      <para>voor appellants aanstelling bij beide scholen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het tegen dat besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen</para>
      <para>uitspraak ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van het tegen die uitspraak ingestelde hoger</para>
      <para>beroep overweegt de Raad als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is in de eerste plaats betwist dat het</para>
      <para>primaire ontslagbesluit bevoegd is genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat dit ontslagbesluit niet lijdt aan</para>
      <para>een bevoegdheidsgebrek. Krachtens de Verordening Bestuur</para>
      <para>Openbaar Onderwijs Rotterdam (Gemeenteblad 1994, 50) is</para>
      <para>appellant bevoegd tot het verlenen van een ontslag als het</para>
      <para>onderhavige. Op grond van artikel 16 van genoemde verordening</para>
      <para>kan appellant zijn bevoegdheid mandateren aan de directeur van</para>
      <para>de DOOR. Appellant heeft dat, onder verwijzing naar een</para>
      <para>Integraal Mandaterings- en Machtigingsbesluit, bij besluit van</para>
      <para>18 april 1994 gedaan. Het ontslagbesluit is, blijkens de tekst,</para>
      <para>krachtens mandaat genomen en ondertekend door de directeur van</para>
      <para>de DOOR. Aan de conclusie dat aldus bevoegdelijk namens</para>
      <para>appellant is beslist, wordt niet afgedaan door het feit dat de</para>
      <para>directeur van de DOOR in het primaire besluit abusievelijk nog</para>
      <para>tot uitdrukking heeft gebracht dat hij handelde namens het</para>
      <para>voormalige bevoegd gezag, terwijl hij dit deed namens de</para>
      <para>rechtsopvolger van dat gezag, appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft appellant doen betogen dat de straf van</para>
      <para>ontslag onevenredig zwaar is. Gewezen is op de desastreuze</para>
      <para>gevolgen voor appellant en gesteld is dat appellant geen</para>
      <para>ontuchtige handelingen heeft gepleegd, doch dat het verweten</para>
      <para>gedrag beperkt is tot kietelgedrag waarbij het (in een enkel</para>
      <para>geval) onopzettelijk is gekomen tot aanraking van een geslachtsdeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan ook hier appellant(s raadsman) niet volgen.</para>
      <para>Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is</para>
      <para>voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat appellant zowel</para>
      <para>tijdens de begeleiding van jongens in de kleedruimte van het</para>
      <para>zwembad als tijdens de werkweek van de school in december 1993</para>
      <para>betrokken is geweest in situaties waarin hij tijdens</para>
      <para>kietelpartijen blote dan wel gedeeltelijk ontklede jongens op</para>
      <para>schoot heeft getrokken. In één geval heeft hij al dan niet met</para>
      <para>opzet het geslachtsdeel van een jongen aangeraakt, in een ander</para>
      <para>geval heeft hij met de hand in de broek van de betrokken jongen</para>
      <para>diens blote buik gekieteld en daarbij eveneens diens</para>
      <para>geslachtsdeel en billen aangeraakt.</para>
      <para>De Raad is van oordeel dat gedaagde dit gedrag van appellant</para>
      <para>terecht kwalificeert als plichtsverzuim. Zoals hij al eerder</para>
      <para>heeft overwogen (zie de uitspraak van 15 mei 1997, TAR 1997,</para>
      <para>160), mag aan een leerkracht als appellant, gelet op zijn taak</para>
      <para>en zijn verhouding tot de hem toevertrouwde leerlingen en gelet</para>
      <para>op het vertrouwen dat ouders moeten kunnen hebben in de wijze</para>
      <para>waarop de leerkracht zijn taak uitoefent, zonder meer de eis</para>
      <para>worden gesteld dat hij in de omgang met en op het terrein van</para>
      <para>seksualiteit in relatie tot kinderen van onbesproken gedrag is.</para>
      <para>Daarvan is bij het evenbesproken kietelgedrag van appellant</para>
      <para>evident geen sprake.</para>
      <para>Gegeven de aard en ernst van het appellant terecht verweten</para>
      <para>gedrag heeft de Raad niet tot het oordeel kunnen komen dat</para>
      <para>tussen de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag en het</para>
      <para>plichtsverzuim onevenredigheid bestaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft voorts de stelling doen betrekken dat gedaagde</para>
      <para>niet had mogen kiezen voor ontslag bij wege van disciplinaire</para>
      <para>straf, maar dat hij appellant had moeten ontslaan wegens</para>
      <para>ongeschiktheid anders dan wegens ziekte. De Raad overweegt dat</para>
      <para>bij een samenloop van gronden als hier aan de orde, aan het</para>
      <para>bestuursorgaan een zekere keuzevrijheid toekomt. Wel moet de</para>
      <para>grond voor de gedane keuze duidelijk kunnen worden aangetoond.</para>
      <para>Nu in het onderhavige geval duidelijk sprake is van</para>
      <para>plichtsverzuim en er geen beletsel is om appellant deswege de</para>
      <para>straf van ontslag op te leggen, ziet de Raad niet dat gedaagde</para>
      <para>van die grond geen gebruik had mogen maken.</para>
      <para>Van misbruik van deze bevoegdheid en daarmee van strijd met</para>
      <para>artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals, tot slot,</para>
      <para>namens appellant naar voren is gebracht, is naar het oordeel</para>
      <para>van de Raad geen sprake. Het bij de bezwarencommissie door één</para>
      <para>van gedaagdes gemachtigden gegeven antwoord, dat niet voor</para>
      <para>ontslag wegens ongeschiktheid is gekozen "omdat (appellant) dan</para>
      <para>recht op een uitkering zou hebben en sollicitatieplichtig zou</para>
      <para>zijn", komt de Raad, nog daargelaten de betekenis van een</para>
      <para>dergelijk antwoord voor het door gedaagde op goede gronden</para>
      <para>genomen besluit, niet onbegrijpelijk voor.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat</para>
      <para>de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in</para>
      <para>stand is gelaten, moet worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet geen aanleiding om toepasssing te geven aan het</para>
      <para>bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt daarom als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter, en mr</para>
      <para>G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr A. Beuker-Tilstra als leden,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 8 april 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) H.A.A.G. Vermeulen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(get.) A.W.M. van Bommel.</para>
      <para>(wegens defungeren van</para>
      <para>bovengenoemde griffier)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>29.03</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>