<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8217</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:19:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8217</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG8608</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-04-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/7798 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=8&amp;g=1999-04-06">Algemene bijstandswet 8</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=113&amp;g=1999-04-06">Algemene bijstandswet 113</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=113&amp;g=1999-04-06">Algemene bijstandswet 113</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=14&amp;g=1999-04-06">Algemene bijstandswet 14</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1999, 171</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1999, 93</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/168</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8217">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8217</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8217 Centrale Raad van Beroep , 06-04-1999 / 98/7798 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8217:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8217:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/7798 NABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
      <para>Rotterdam, appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger</para>
      <para>beroep gekomen van een door de president van de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Rotterdam onder dagtekening 29</para>
      <para>september 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar</para>
      <para>hierbij wordt verwezen. Appellant heeft daarbij verzocht om</para>
      <para>versnelde behandeling als bedoeld in artikel 8:52 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr drs. A.J.M. Bommer, advocaat te</para>
      <para>Rotterdam, een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is gevoegd behandeld met het geding,</para>
      <para>nr 98/8576 NABW, ter zitting van de Raad op 23 februari 1999.</para>
      <para>Aldaar is voor appellant verschenen mr E. van Lunteren,</para>
      <para>werkzaam bij de gemeente Rotterdam, terwijl gedaagde in persoon</para>
      <para>is verschenen, bijgestaan door mr Bommer, voornoemd. Na de</para>
      <para>gevoegde behandeling zijn de gedingen weer gesplitst en wordt</para>
      <para>in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en</para>
      <para>omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde ontving sedert 14 mei 1981 een bijstandsuitkering naar</para>
      <para>de norm voor een gezin, welke per 12 oktober 1981 is gewijzigd</para>
      <para>naar de norm voor een alleenstaande in verband met het feit dat</para>
      <para>gedaagde zijn echtgenote, C (hierna: C) had verlaten. Sedert 1 februari 1997</para>
      <para>ontvangt gedaagde een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).</para>
      <para>Gedaagde en C zijn niet wettig gescheiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van een anonieme tip is door de Afdeling Bijzondere</para>
      <para>Onderzoeken onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van</para>
      <para>de aan gedaagde toegekende bijstandsuitkering. Uit de in een</para>
      <para>voorlopig rapport neergelegde resultaten van dit onderzoek</para>
      <para>heeft appellant afgeleid dat gedaagde werkzaamheden verricht in</para>
      <para>de stalhouderij van zijn vader.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft appellant bij primair besluit van</para>
      <para>29 september 1997 de bijstandsuitkering van gedaagde met ingang</para>
      <para>van 1 september 1997 beëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat gedaagde bezwaar had gemaakt, heeft appellant bij het</para>
      <para>bestreden besluit van 21 juli 1998 de bezwaren ongegrond</para>
      <para>verklaard. Appellant is van oordeel dat gedaagde gelet op de</para>
      <para>omvang van de werkzaamheden in het bedrijf van zijn vader niet</para>
      <para>werkloos is te achten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de</para>
      <para>rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep</para>
      <para>gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat</para>
      <para>appellant een nieuwe beslissing op het bezwaar van gedaagde</para>
      <para>neemt. Tevens heeft de president het door gedaagde ingediende</para>
      <para>verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat</para>
      <para>het primaire besluit wordt geschorst tot en met zes weken na de</para>
      <para>verzending van de beslissing op bezwaar van appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president heeft daartoe onder meer overwogen dat het niet</para>
      <para>nakomen van verplichtingen op grond van artikel 113, eerste</para>
      <para>lid, onder a en d, van de Abw slechts kan leiden tot het</para>
      <para>tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren van bijstand en niet</para>
      <para>tot intrekking daarvan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft in hoger beroep voormeld oordeel bestreden.</para>
      <para>Appellant heeft daartoe aangevoerd dat genoegzaam is gebleken</para>
      <para>dat gedaagde voltijds werkzaam was in de stalhouderij van zijn</para>
      <para>vader en niet de intentie heeft (gehad) om door arbeid in</para>
      <para>dienstbetrekking in de bestaanskosten te voorzien. Naar het</para>
      <para>oordeel van appellant ontbreekt derhalve een reële</para>
      <para>beschikbaarheid, zodat gedaagde niet als werkloze werknemer kan</para>
      <para>worden aangemerkt. Naar de opvatting van appellant is gedaagde</para>
      <para>als zelfstandige te kwalificeren, zodat geen aanspraak op een</para>
      <para>uitkering op grond van de Abw mogelijk is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de Raad staat in de eerste plaats ter beoordeling of</para>
      <para>gedaagde in verband met zijn activiteiten per 1 september 1997</para>
      <para>voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen</para>
      <para>op arbeid in dienstbetrekking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het kader van de op de Algemene Bijstandswet berustende</para>
      <para>Rijksgroepsregeling werkloze werknemers heeft de Raad destijds</para>
      <para>geoordeeld dat aan de hoedanigheid van werkloze werknemer niet</para>
      <para>in de weg staat dat een betrokkene werkzaamheden verricht als</para>
      <para>zelfstandige, mits die werkzaamheden niet van een meer dan</para>
      <para>bescheiden omvang zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beoordeling of sprake is van een werkloze werknemer dan wel</para>
      <para>van een zelfstandige met werkzaamheden van meer dan bescheiden</para>
      <para>omvang dient plaats te vinden aan de hand van de zich in het</para>
      <para>concrete geval voordoende feiten en omstandigheden. Hierbij</para>
      <para>dient onder meer te worden gelet op het tijdsbeslag van de</para>
      <para>werkzaamheden die de betrokkene al of niet in loondienst</para>
      <para>verricht, de al dan niet gebondenheid van de betrokkene aan die</para>
      <para>werkzaamheden voor de toekomst, de intentie van de betrokkene</para>
      <para>en zijn houding tegenover de (weder)inschakeling in arbeid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet geen aanleiding om bij de toepassing van de Abw</para>
      <para>een ander uitgangspunt te hanteren nu niet is gebleken dat de</para>
      <para>wetgever op dit punt een andere koers heeft willen varen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de gedingstukken heeft appellant zijn oordeel doen</para>
      <para>steunen op de resultaten van het door de Afdeling Bijzondere</para>
      <para>Onderzoeken verrichte onderzoek. De bevindingen daarvan zijn</para>
      <para>neergelegd in de onderzoeksrapportage van 30 december 1997.</para>
      <para>Daarin zijn opgenomen de door gedaagde tegenover de sociaal</para>
      <para>rechercheurs afgelegde verklaringen. Aan die verklaringen wordt</para>
      <para>het volgende ontleend:</para>
      <para>"het is zeven dagen in de week keihard werken, als hij dat bij</para>
      <para>een baas in normale werktijden zou doen, dan zouden er drie,</para>
      <para>vier mensen voor nodig zijn, om te doen wat hij in zijn eentje doet.</para>
      <para>Hij rijdt mest, onderhoudt stallen, knapt het gebouw op.</para>
      <para>Momenteel heeft hij dertien tot veertien paarden gestald staan.</para>
      <para>Die paarden zijn niet van hem of van zijn vader, maar van</para>
      <para>derden die de paarden bij hen stallen, daarvoor betalen die</para>
      <para>mensen f350, voor een pony f250 per maand.</para>
      <para>De stalling heet stalling A en staat niet ingeschreven bij de</para>
      <para>Kamer van Koophandel.</para>
      <para>Zijn vader is 82 jaar, hij woont bij zijn vader in huis, vader</para>
      <para>heeft reuma en is hulpbehoevend.</para>
      <para>(...)</para>
      <para>A verklaart verder:</para>
      <para>Ik heb 25 stallen, maar die heb ik nooit helemaal vol gehad,</para>
      <para>anderhalf jaar geleden is hij begonnen met het stallen van paarden;</para>
      <para>langzamerhand is dat uitgebreid.</para>
      <para>De taak van zijn vrouw is het bijhouden van de boekhouding en</para>
      <para>zij veegt het erf aan.</para>
      <para>De mensen betalen aan A, cash en zij krijgen geen kwitantie.</para>
      <para>(...)</para>
      <para>De grond van het perceel P.straat heeft</para>
      <para>A gehuurd van de NS, dat was ongeveer een half jaar na de</para>
      <para>aankoop van de opstal omdat de huur van de grond reeds voor een</para>
      <para>half jaar door de vorige eigenaar was betaald.</para>
      <para>A heeft het kontrakt met de NS getekend. Hij betaalt f7600 per</para>
      <para>jaar voor de huur, dat betaalt hij van de opbrengst van de stalhouderij.</para>
      <para>Aan hem wordt een giro gestuurd en hij betaalt op het postkantoor.</para>
      <para>Hij huurt ook zelf een paar stukjes grond van de gemeente</para>
      <para>Rotterdam, op een stukje grond heeft hij een loopbak voor de</para>
      <para>paarden, en een stukje bij de waterkant en een stukje onder het viaduct.</para>
      <para>Voor die grond betaalt hij f900 per jaar, hij betaalt alles kontant.</para>
      <para>(...)</para>
      <para>Een brandverzekering wordt betaald uit de opbrengst van de stalhouderij;</para>
      <para>het is een verzekering voor de opstal en de stallen;</para>
      <para>het bedrag waarvoor het geheel is verzekerd bedraagt</para>
      <para>f313.630,00 en de verzekering staat op naam van A.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van hetgeen door of namens gedaagde ter zitting</para>
      <para>is aangevoerd merkt de Raad op geen aanknopingspunten te hebben</para>
      <para>gevonden te twijfelen aan de juistheid van deze door gedaagde</para>
      <para>tegenover de sociaal rechercheurs afgelegde verklaringen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van deze verklaringen is de Raad met appellant van</para>
      <para>oordeel dat moet worden vastgesteld dat gedaagde ten tijde als</para>
      <para>hier van belang voltijds werkzaam was als zelfstandig</para>
      <para>ondernemer en niet de intentie had om door arbeid in</para>
      <para>dienstbetrekking in de noodzakelijke kosten van het bestaan te</para>
      <para>voorzien. Evenals appellant heeft ook de Raad vastgesteld dat</para>
      <para>bij gedaagde ten tijde van belang geen sprake was van een</para>
      <para>zodanige houding tegenover de (weder)inschakeling in de arbeid</para>
      <para>dat moet worden gezegd dat gedaagde reëel beschikbaar was voor</para>
      <para>de arbeidsmarkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan de president bij de aangevallen uitspraak heeft</para>
      <para>geoordeeld behoefde appellant geen toepassing meer te geven aan</para>
      <para>artikel 14, eerste lid (tekst tot 1 januari 1998), van de Abw,</para>
      <para>omdat naar het oordeel van de Raad genoegzaam aannemelijk is</para>
      <para>geworden dat een wijziging in de opstelling van gedaagde door</para>
      <para>het nemen van kortingsmaatregelen niet viel te bereiken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad volgt uit het wettelijk</para>
      <para>systeem, zoals dat in de Abw en het op die wet berustende</para>
      <para>Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bz) is neergelegd,</para>
      <para>dat de persoon die werkzaamheden als zelfstandige verricht van</para>
      <para>meer dan bescheiden omvang slechts in aanmerking kan komen voor</para>
      <para>algemene bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan op</para>
      <para>grond van artikel 8 van de Abw en het daarop berustende Bz.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu gedaagde ten tijde hier in geding voltijds werkzaam was als</para>
      <para>zelfstandige, is gezien het vorenstaande terecht met ingang van</para>
      <para>1 september 1997 de bijstandsuitkering van gedaagde, welke niet</para>
      <para>met toepassing van vorenbedoelde regeling voor zelfstandigen</para>
      <para>was verleend, beëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het eerder overwogene volgt dat het bestreden besluit in</para>
      <para>rechte stand kan houden. Mitsdien dient de aangevallen</para>
      <para>uitspraak, voor zover aangevochten, te worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te</para>
      <para>geven aan artikel 8:75 van de Awb, zodat beslist dient te</para>
      <para>worden als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en</para>
      <para>mr Ch. de Vrey en mr Th.C. van Sloten als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van A.M.T. Janmaat als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 6 april 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para>(get.) A.M.T. Janmaat.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>906</para>
      <para>HL</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>