<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8214</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:19:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8214</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG8609</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-04-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/8576 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=13&amp;g=1999-04-06">Algemene bijstandswet 13</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=13&amp;g=1999-04-06">Algemene bijstandswet 13</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=3&amp;g=1999-04-06">Algemene bijstandswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=4&amp;g=1999-04-06">Algemene bijstandswet 4</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1999, 170</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1999, 92</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/169</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8214">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8214</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-06-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8214 Centrale Raad van Beroep , 06-04-1999 / 98/8576 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8214:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8214:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/8576 NABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
      <para>Rotterdam, appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger</para>
      <para>beroep gekomen van een door de president van de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Rotterdam onder dagtekening 12</para>
      <para>november 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar</para>
      <para>hierbij wordt verwezen. Appellant heeft daarbij verzocht om</para>
      <para>versnelde behandeling als bedoeld in artikel 8:52 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr L.J. van Rooijen, advocaat te</para>
      <para>Rotterdam, een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is gevoegd behandeld met het geding,</para>
      <para>nr 98/7798 NABW, ter zitting van de Raad op 23 februari 1999.</para>
      <para>Aldaar is voor appellant verschenen mr E. van Lunteren,</para>
      <para>werkzaam bij de gemeente Rotterdam, terwijl gedaagde in persoon</para>
      <para>is verschenen, bijgestaan door mr Van Rooijen, voornoemd. Na de</para>
      <para>gevoegde behandeling zijn de gedingen weer gesplitst en wordt</para>
      <para>in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en</para>
      <para>omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat gedaagde door haar echtgenoot C (hierna: C) was verlaten,</para>
      <para>is haar met ingang van 25 april 1983 een uitkering ingevolge de</para>
      <para>Algemene Bijstandswet toegekend naar de norm voor een</para>
      <para>éénoudergezin. Sedert 1 december 1996 ontvangt zij een</para>
      <para>uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).</para>
      <para>Gedaagde en C zijn niet wettig gescheiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van een anonieme tip is onderzoek gedaan door</para>
      <para>de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de dienst Sociale Zaken</para>
      <para>en Werkgelegenheid naar de rechtmatigheid van de aan gedaagde</para>
      <para>toegekende bijstandsuitkering. Uit de in een voorlopige</para>
      <para>rapportage neergelegde resultaten van dit onderzoek heeft</para>
      <para>appellant afgeleid dat gedaagde met C een gezamenlijke</para>
      <para>huishouding voert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft appellant bij primair besluit van</para>
      <para>23 september 1997 de bijstandsuitkering van gedaagde met ingang</para>
      <para>van 1 oktober 1997 beëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat gedaagde bezwaar had gemaakt, heeft appellant bij het</para>
      <para>bestreden besluit van 21 juli 1998 de bezwaren ongegrond</para>
      <para>verklaard. Appellant is van oordeel dat gedaagde en C niet</para>
      <para>duurzaam gescheiden leven, zodat zij voor de toepassing van de</para>
      <para>Abw als een gezin in de zin van artikel 4, aanhef en onder c,</para>
      <para>dienen te worden gezien. Appellant is voorts van oordeel dat C</para>
      <para>kan beschikken over de middelen om in de noodzakelijke kosten</para>
      <para>van het bestaan van zijn gezin te voorzien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de</para>
      <para>rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep</para>
      <para>gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat</para>
      <para>appellant een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van</para>
      <para>gedaagde. Tevens heeft de president het door gedaagde</para>
      <para>ingediende verzoek om voorlopige voorziening toegewezen in die</para>
      <para>zin dat het primaire besluit wordt geschorst tot en met zes</para>
      <para>weken na de verzending van de beslissing op bezwaar van appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de aangevallen uitspraak (waar voor verzoekster en</para>
      <para>verweerder dient te worden gelezen: gedaagde en appellant)</para>
      <para>wordt het volgende ontleend:</para>
      <para>"In beroep heeft verzoekster opnieuw aangevoerd dat C zijn</para>
      <para>hoofdverblijf heeft in de woning van zijn vader. Het feit dat C</para>
      <para>geregeld te vinden is bij en ook in de woning van verzoekster,</para>
      <para>impliceert naar haar mening nog niet dat zij een gezamenlijke</para>
      <para>huishouding voeren.</para>
      <para>Naar het oordeel van de president heeft verweerder onvoldoende</para>
      <para>aannemelijk gemaakt dat C op</para>
      <para>1 oktober 1997 zijn hoofdverblijf had in de woning van</para>
      <para>verzoekster. Aan verweerder kan worden toegegeven dat op basis</para>
      <para>van de gedingstukken, waaronder de onderzoeksrapportage van de</para>
      <para>dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 november 1997,</para>
      <para>twijfel gerechtvaardigd is over de vraag waar C zijn</para>
      <para>hoofdverblijf had dan wel heeft. Het ligt echter op de weg van</para>
      <para>verweerder terzake genoegzame feiten en omstandigheden aan te</para>
      <para>voeren, hetgeen tot dusverre niet is geschied. In dat verband</para>
      <para>acht de president nader onderzoek, met name met betrekking tot</para>
      <para>de situatie op het adres van de vader van C, onontbeerlijk."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Appellant heeft in hoger beroep voormeld oordeel bestreden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het</para>
      <para>bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hij beantwoordt</para>
      <para>die vraag anders dan de president van de rechtbank bevestigend</para>
      <para>en overweegt daartoe als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals hiervoor is overwogen is gedaagde gehuwd met C. Ingevolge</para>
      <para>artikel 4, aanhef en onder c, van de Abw vormen zij een gezin.</para>
      <para>Op grond van artikel 3, eerste lid, onder b (tekst tot</para>
      <para>1 januari 1998), van de Abw wordt als ongehuwde (mede)</para>
      <para>aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon</para>
      <para>met wie hij gehuwd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de</para>
      <para>Abw (TK, vergaderjaar 1991-1992, 22 545, nr. 3,</para>
      <para>p. 106) blijkt dat van duurzaam gescheiden levende echtgenoten</para>
      <para>eerst sprake is indien het een door beide betrokkenen, of een</para>
      <para>van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving</para>
      <para>betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als</para>
      <para>ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten</para>
      <para>minste een van hen als bestendig is bedoeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de vraag of in geval van gedaagde en C</para>
      <para>sprake is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten,</para>
      <para>overweegt de Raad het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens het bestreden besluit heeft appellant zijn</para>
      <para>oordeel doen steunen op de resultaten van het door de Afdeling</para>
      <para>Bijzondere Onderzoeken verrichte onderzoek. De bevindingen</para>
      <para>daarvan zijn neergelegd in de onderzoeksrapportage van</para>
      <para>7 november 1997 van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid</para>
      <para>en bestaan onder meer uit door gedaagde en C afgelegde</para>
      <para>verklaringen, verklaringen van enige getuigen, informatie van</para>
      <para>de afdeling bijzondere wetten van de gemeente Rotterdam,</para>
      <para>onderzoek in de woning van gedaagde, door C gevoerde</para>
      <para>correspondentie met gemeentelijke instanties enz. Aan die</para>
      <para>verklaringen van gedaagde en C wordt het volgende ontleend.</para>
      <para>Gedaagde heeft verklaard:</para>
      <para>"Zij hadden vanaf het begin van het huwelijk een soort</para>
      <para>knipperlichtrelatie, waardoor Jan regelmatig wegging en weer</para>
      <para>terugkwam. Zo is de relatie nog steeds zegt zij. Zij heeft in</para>
      <para>al die jaren wel voor hem gewassen. Zij kookt voor hem en hij</para>
      <para>blijft bij haar slapen. Zij houdt nog steeds van hem.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>C heeft verklaard:</para>
      <para>"De kinderen weten niet dat hun vader en moeder</para>
      <para>huwelijksproblemen hebben, verklaart Jan. Nu zien zij hem elke</para>
      <para>dag en vroeger als zij hem niet zoveel zagen, dachten de kinderen</para>
      <para>dat hij voor een beveiligingsdienst werkte. Wel hebben zij gezien dat hij en</para>
      <para>zijn vrouw soms ruzie hadden en hij bij opa ging slapen of in de auto.</para>
      <para>(...)</para>
      <para>Niemand van de familie van zijn vrouw of van hem,</para>
      <para>weet dat zij uit elkaar zijn. Ook zijn vader niet,</para>
      <para>zegt Jan, Jan verzint elke keer een andere smoes om</para>
      <para>aan zijn vader te verkopen dat hij bij hem slaapt.</para>
      <para>Zijn vrouw en hij hebben tegenover iedereen de</para>
      <para>schijn opgehouden dat zij een gezin vormen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van hetgeen namens gedaagde ter zitting</para>
      <para>is aangevoerd merkt de Raad op geen aanknopingspunten te</para>
      <para>hebben gevonden om te twijfelen aan de juistheid van deze</para>
      <para>door gedaagde respectievelijk door C tegenover de sociale</para>
      <para>recherche afgelegde verklaringen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van deze verklaringen, in samenhang bezien met</para>
      <para>de overige onderzoeksresultaten, is de Raad van oordeel</para>
      <para>dat met betrekking tot gedaagde en C niet gesproken kan</para>
      <para>worden van een door beiden, of een van hen, gewilde verbreking</para>
      <para>van de echtelijke samenleving, waardoor ieder</para>
      <para>afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet</para>
      <para>gehuwd met de ander en deze toestand door ten minste een</para>
      <para>van hen als bestendig is bedoeld. Derhalve is in geval</para>
      <para>van gedaagde en C geen sprake van duurzaam gescheiden</para>
      <para>levende echtgenoten, zodat zij ingevolge het bepaalde in</para>
      <para>artikel 4, aanhef en onder c, van de Abw, beschouwd dienen</para>
      <para>te worden als een gezin.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het geding nr 98/7798 NABW is bij uitspraak van heden</para>
      <para>door de Raad vastgesteld dat C zelfstandig ondernemer is</para>
      <para>en dat hij op grond daarvan slechts in aanmerking kan</para>
      <para>komen voor algemene bijstand in de noodzakelijke kosten</para>
      <para>van het bestaan op grond van artikel 8 van de Abw en het</para>
      <para>daarop berustende Besluit bijstandsverlening</para>
      <para>zelfstandigen (Bz). Zijn uitkering welke niet met toepassing</para>
      <para>van deze regeling voor zelfstandigen was verleend,</para>
      <para>is naar het oordeel van de Raad terecht beëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de</para>
      <para>Abw brengt het vorenstaande mee dat ook ten aanzien van</para>
      <para>gedaagde terecht met ingang van 1 september 1997 de</para>
      <para>bijstandsuitkering is beëindigd. Hieruit volgt dat de aangevallen</para>
      <para>uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing</para>
      <para>te geven aan artikel 8:75 van de Awb, zodat beslist dient te worden als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en</para>
      <para>mr Ch. de Vrey en mr Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid</para>
      <para>van A.M.T. Janmaat als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 april 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para>(get.) A.M.T. Janmaat.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>904</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>