<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8204</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8204</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-02-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/6110 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=8&amp;g=1999-02-23">Werkloosheidswet 8</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=20&amp;g=1999-02-23">Werkloosheidswet 20</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8204">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8204</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-03-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8204 Centrale Raad van Beroep , 23-02-1999 / 97/6110 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8204:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Omvang werkzaamheden als (beginnend) zelfstandige.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8204:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/6110 WW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen</para>
      <para>(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het</para>
      <para>onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel</para>
      <para>en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde</para>
      <para>tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is mr D.J. Bender, advocaat te Arnhem, op bij</para>
      <para>aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep</para>
      <para>gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Zutphen</para>
      <para>onder dagtekening 4 juni 1997 tussen partijen gewezen</para>
      <para>uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting</para>
      <para>van de Raad op 12 januari 1999, waar partijen, zoals tevoren</para>
      <para>bericht, niet zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde</para>
      <para>geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet</para>
      <para>(WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten</para>
      <para>tijde als hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, geboren in 1940, was werkzaam bij BV D te</para>
      <para>P. In de beschikking van de kantonrechter van 11 april 1995 is</para>
      <para>-om bedrijfseconomische- redenen- de arbeidsovereenkomst met</para>
      <para>appellant per 1 mei 1995 ontbonden, zulks onder toekenning aan</para>
      <para>appellant van een vergoeding ten laste van BV D van</para>
      <para>f 313.224,-- bruto. Appellant was al sedert 1 augustus 1994 op non-actief</para>
      <para>gesteld en heeft vanaf die datum voorbereidingen getroffen tot</para>
      <para>het oprichten van een adviesbureau op het terrein van de</para>
      <para>informatiebeveiliging met de naam I. Daartoe heeft hij zich</para>
      <para>onder meer bij oud-collega's georiënteerd, een cursus</para>
      <para>"ondernemer worden" gevolgd en een ondernemersplan opgesteld.</para>
      <para>Omdat zijn werkgever niet toestond dat appellant nog tijdens</para>
      <para>zijn dienstverband werkzaamheden voor anderen verrichtte, heeft</para>
      <para>hij eerst vanaf medio mei 1995 pogingen ondernomen voor I</para>
      <para>orders te verwerven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 december 1995 heeft gedaagde aan appellant</para>
      <para>met ingang van 1 mei 1995 een uitkering ingevolge de WW</para>
      <para>toegekend. Hierbij heeft gedaagde tevens besloten om met ingang</para>
      <para>van 5 juni 1995 deze uitkering voor 15 uur per week te</para>
      <para>beëindigen in verband met door appellant verrichte</para>
      <para>werkzaamheden als zelfstandige. Gedaagde heeft hierbij nog</para>
      <para>overwogen dat appellant zijn volledig werknemerschap kan</para>
      <para>terugkrijgen en hiermee zijn volledige WW-uitkering, door zijn</para>
      <para>activiteiten als zelfstandige te staken. Gedaagde heeft zich</para>
      <para>wat de beëindiging voor 15 uur betreft laten leiden door de</para>
      <para>omstandigheid dat appellant zich blijkens een ten behoeve van</para>
      <para>de fiscus door hem opgesteld urenoverzicht in week 22 van 1995</para>
      <para>gedurende 15 uur heeft beziggehouden met opdrachten voor</para>
      <para>derden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit van 19 april 1996 heeft gedaagde het</para>
      <para>namens appellant tegen het primaire besluit van</para>
      <para>19 december 1995 ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand</para>
      <para>kan houden. De rechtbank heeft deze vraag bevestigend</para>
      <para>beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de vraag of appellant door gedaagde al dan</para>
      <para>niet terecht is aangemerkt als een zelfstandige in de zin van</para>
      <para>artikel 8, tweede lid, van de WW heeft de rechtbank in de</para>
      <para>aangevallen uitspraak het volgende overwogen (waarbij appellant</para>
      <para>als eiser en gedaagde als verweerder is aangeduid):</para>
      <para>"Eiser heeft werkzaamheden verricht voor verschillende</para>
      <para>opdrachtgevers, voert de opdrachten deels thuis, deels bij de</para>
      <para>opdrachtgevers uit. Voorts heeft eiser verklaard dat hij</para>
      <para>eenmaal heeft geadverteerd en verdere acquisitie pleegt door</para>
      <para>het onderhouden van vele contacten en zogenaamde 'mond op mond</para>
      <para>reclame'.</para>
      <para>Alvorens eiser zijn activiteiten heeft gestart heeft hij een</para>
      <para>uitvoerig ondernemingsplan opgesteld. Onder deze omstandigheden</para>
      <para>is de rechtbank van oordeel dat eiser als zelfstandige dient te</para>
      <para>worden aangemerkt in de zin van de WW. Dat eiser zijn</para>
      <para>werkzaamheden als zelfstandige slechts in beperkte omvang</para>
      <para>verricht doet aan het vorenstaande niet af. Evenmin kan ter</para>
      <para>beoordeling van de vraag of eiser als zelfstandige in de zin</para>
      <para>van de WW dient te worden aangemerkt, aansluiting worden</para>
      <para>gezocht bij het Bijstandsbesluit Zelfstandigen, nu het daar</para>
      <para>regelgeving van andere aard betreft dan de WW.".</para>
      <para>De Raad kan zich hiermee verenigen.</para>
      <para>Naar aanleiding van hetgeen met betrekking tot dit punt in</para>
      <para>hoger beroep is aangevoerd -kort samengevat: appellant streefde</para>
      <para>primair naar een functie in loondienst en heeft slechts op zeer</para>
      <para>geringe schaal werkzaamheden als "klusser" verricht hetgeen</para>
      <para>dienstbaar was aan het wederom in loondienst kunnen</para>
      <para>treden- overweegt de Raad nog het volgende.</para>
      <para>Blijkens het door appellant opgestelde ondernemersplan heeft</para>
      <para>hij zich als doelstelling gesteld om op een zakelijke manier in</para>
      <para>zijn vak actief te blijven hetgeen appellant ziet als een</para>
      <para>volledige dagtaak startende met 30 betaalde dagen per jaar</para>
      <para>oplopend tot 75 en meer dagen per jaar in 1997, waarbij hij</para>
      <para>overweegt om te zijner tijd de WW-status op te zeggen en zijn</para>
      <para>activiteit via een eigen BV voort te zetten. Hieruit kan naar</para>
      <para>het oordeel van de Raad niet anders worden afgeleid dan dat</para>
      <para>appellant zich ten tijde in geding volledig richtte op de</para>
      <para>vestiging en uitbouw van zijn adviesbureau en derhalve als</para>
      <para>zelfstandige in de zin van artikel 8, tweede lid, van de WW</para>
      <para>moet worden beschouwd. Dat een en ander niet onmiddellijk</para>
      <para>leidde tot concrete opdrachten waarmee voor appellant een</para>
      <para>volledige dan wel een nagenoeg volledige weektaak was gemoeid,</para>
      <para>moet worden gezien als een ondernemersrisico dat evenwel niet</para>
      <para>op de WW kan worden afgewenteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het aantal uren dat door gedaagde in</para>
      <para>aanmerking is genomen overweegt de Raad dat appellant hierin</para>
      <para>niet tekort is gedaan. De Raad neemt hierbij in ogenschouw het</para>
      <para>hierboven reeds genoemde, door appellant opgestelde,</para>
      <para>urenoverzicht.</para>
      <para>Blijkens dit overzicht heeft appellant in week 22 van 1995</para>
      <para>naast 15 uur aan opdrachten voor derden ook 21 uur "algemene"</para>
      <para>uren voor I gewerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overigens merkt de Raad met betrekking tot het door appellant</para>
      <para>gemaakte onderscheid ter zake van de genoemde</para>
      <para>15 uren in 6,5 gedeclareerde uren voor het uitvoeren van de</para>
      <para>opdracht en 8 niet-declarabele uren voor het</para>
      <para>binnenhalen van die opdracht op dat, zoals ook de rechtbank</para>
      <para>reeds heeft overwogen, werkzaamheden ter verkrijging van</para>
      <para>opdrachten eveneens als gewerkte uren moeten worden aangemerkt.</para>
      <para>De Raad wijst er in dit verband nog op dat blijkens het</para>
      <para>meergenoemde ondernemersplan in de berekening van het door</para>
      <para>appellant te hanteren tarief rekening is gehouden met een</para>
      <para>component acquisitie. Hieruit kan worden afgeleid dat appellant</para>
      <para>ook zelf van opvatting is dat uren gericht op het verwerven van</para>
      <para>opdrachten als gewerkte uren moeten worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook hetgeen de rechtbank overigens heeft overwogen -gedoeld</para>
      <para>wordt hiermee op de overwegingen ter zake van het geheel</para>
      <para>beëindigen van de werkzaamheden als zelfstandige- kan de Raad,</para>
      <para>onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie op dit punt,</para>
      <para>geheel onderschrijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor</para>
      <para>bevestiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
      <para>het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en</para>
      <para>mr J.C.F. Talman en mr Th.C. van Sloten als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van D. Nebbeling als griffier en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 23 februari 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) D. Nebbeling.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>0802</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>