<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8175</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T12:47:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8175</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-02-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/2745 AKW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002368&amp;artikel=7&amp;g=1999-02-17">Algemene Kinderbijslagwet 7</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1999-02-17">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1999/155</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/125</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8175">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8175</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8175 Centrale Raad van Beroep , 17-02-1999 / 96/2745 AKW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8175:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8175:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/2745 AKW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 15 maart 1995 heeft gedaagde het bezwaar van</para>
      <para>appellant tegen zien besluit van 20 september 1994, appellants</para>
      <para>aanspraak op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet</para>
      <para>(AKW) betreffende, deels gegrond en deels ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak</para>
      <para>van 1 februari 1996 het beroep tegen het besluit van 15 maart 1995</para>
      <para>gegrond verklaard voorzover het was gericht tegen de schorsing van</para>
      <para>de kinderbijslag over het eerste tot en met het derde kwartaal van</para>
      <para>1994, het besluit in zoverre vernietigd en het beroep voor het</para>
      <para>overige ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de gronden, aangevoerd bij aanvullend beroepschrift van 24 juni</para>
      <para>1996, heeft mr T. Scholtus, advocaat te 's-Gravenhage, gevorderd</para>
      <para>het bestreden besluit (geheel) te vernietigen en te bepalen dat</para>
      <para>appellant ingaande 1 januari 1994 aanspraak heeft op kinderbijslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft op 15 augustus 1996 een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 november</para>
      <para>1998. Appellant is daar verschenen bij zijn gemachtigde mr</para>
      <para>Scholtus, voornoemd. Gedaagde is, daartoe ambtshalve opgeroepen,</para>
      <para>verschenen bij gemachtigden mr J.S. Bartstra, mr G.E. Eind en mr</para>
      <para>A.H. Gersie, allen werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding heeft betrekking op appellants aanspraak op</para>
      <para>kinderbijslag ingaande het eerste kwartaal van 1994 ten behoeve van</para>
      <para>zes kinderen, geboren uit een vorig huwelijk van appellants</para>
      <para>echtgenote, C, met wie hij op .......... 1987 is gehuwd. C is op</para>
      <para>......... 1989 overleden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat bij het primaire besluit van 20 september 1994 appellants</para>
      <para>aanspraak op kinderbijslag ten behoeve van genoemde kinderen</para>
      <para>ingaande het eerste kwartaal van 1994 was geschorst, welke</para>
      <para>schorsing bij het bestreden besluit is gehandhaafd, is bij besluit</para>
      <para>van 9 november 1995 de schorsing opgeheven en aan appellant alsnog</para>
      <para>kinderbijslag voor de kinderen toegekend over het eerste kwartaal</para>
      <para>van 1994. Kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal van dat</para>
      <para>jaar is bij hetzelfde besluit geweigerd. Blijkens een telefonische</para>
      <para>mededeling van gedaagde is na bezwaar van appellant tegen</para>
      <para>laatstgenoemd besluit alsnog aan hem ook kinderbijslag toegekend</para>
      <para>over het tweede en derde kwartaal van 1994, hetgeen ter zitting</para>
      <para>door appellants gemachtigde is bevestigd. De toekenning van</para>
      <para>kinderbijslag over de genoemde drie kwartalen van 1994 berust</para>
      <para>hierop, dat gedaagde van oordeel is dat de door hem bij appellant</para>
      <para>voorheen terzake van de aanspraak op kinderbijslag gewekte</para>
      <para>verwachtingen tot en met het derde kwartaal van 1994 dienen te</para>
      <para>worden gehonoreerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gegeven de datum van het in dit geding primaire besluit, 20</para>
      <para>september 1994, kan het geding geen betrekking hebben op latere</para>
      <para>aanspraken dan die over het derde kwartaal van 1994. Aangezien de</para>
      <para>aanspraken van appellant tot en met dat kwartaal zijn erkend,</para>
      <para>bestaat er in zoverre geen geschil meer tussen partijen. Aangezien</para>
      <para>echter de rechtbank de ongegrondverklaring van het beroep heeft</para>
      <para>doen steunen op de onderschrijving van gedaagdes standpunt dat de</para>
      <para>kinderen niet (meer) kunnen worden aangemerkt als eigen of</para>
      <para>aangehuwde kinderen dan wel pleegkinderen van appellant, heeft deze</para>
      <para>naar 's Raads oordeel voldoende belang bij het hoger beroep.</para>
      <para>Met betrekking tot dit geschilpunt deelt de Raad het oordeel van</para>
      <para>gedaagde en van de rechtbank dat hier niet van eigen kinderen of</para>
      <para>pleegkinderen van appellant kan worden gesproken en verwijst hij</para>
      <para>naar de gronden van het bestreden besluit en de overwegingen van de</para>
      <para>rechtbank. Voor het antwoord op de vraag of de kinderen als</para>
      <para>aangehuwde kinderen van appellant kunnen worden aangemerkt, is</para>
      <para>bepalend of van zodanige kinderen nog kan worden gesproken na de</para>
      <para>ontbinding van het huwelijk tussen appellant en C, dat immers,</para>
      <para>zoals hierboven is vermeld, is geëindigd door het overlijden van</para>
      <para>laatstgenoemde op ..... 1989. Hierbij verdient opmerking dat</para>
      <para>gedaagde sedertdien, tot 1994, kinderbijslag heeft toegekend in de</para>
      <para>veronderstelling dat het hier eigen kinderen van appellant betrof.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben voor hun respectievelijk bevestigende en</para>
      <para>ontkennende beantwoording van de vraag of de kinderen na het einde</para>
      <para>van het huwelijk nog als aangehuwde kinderen van appellant kunnen</para>
      <para>worden aangemerkt, steun gezocht in het (Nederlandse) familierecht</para>
      <para>en belastingrecht. Daarbij is er onder meer op gewezen, dat</para>
      <para>ingevolge het Burgerlijk Wetboek (artikel 1:3, derde lid)</para>
      <para>aanverwantschap als in casu bestaande tussen appellant (de</para>
      <para>stiefouder) en de kinderen van zijn echtgenote niet door het</para>
      <para>overlijden van laatstgenoemde wordt opgeheven; dat, anderzijds, op</para>
      <para>grond van artikel 1:395 BW de onderhoudsverplichting van de</para>
      <para>stiefouder jegens de kinderen van zijn echtgenoot slechts staande</para>
      <para>huwelijk geldt; dat, niettegenstaande dit laatste, in de</para>
      <para>inkomstenbelasting de kosten van levensonderhoud van stiefkinderen</para>
      <para>ook na de ontbinding van het huwelijk als buitengewone lasten</para>
      <para>kunnen worden aangemerkt, hetgeen van betekenis zou moeten worden</para>
      <para>geacht bij een beoogde coördinatie tussen belasting- en</para>
      <para>kinderbijslagwetgeving.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt dat, te meer nu het in de AKW gehanteerde begrip</para>
      <para>"aangehuwd kind" in de beide hierboven genoemde rechtsgebieden niet</para>
      <para>(meer) voorkomt, de duiding van dat begrip allereerst in de AKW</para>
      <para>zelf moet worden gezocht. In dat verband acht de Raad, bij gebreke</para>
      <para>van enige toelichting in de wetsgeschiedenis, van betekenis dat in</para>
      <para>de kinderbijslagwetgeving vóór de inwerkingtreding van de AKW het</para>
      <para>begrip "aangehuwd kind" niet voorkwam maar, ingevolge artikel 23,</para>
      <para>eerste lid, van de Kinderbijslagwet zoals gewijzigd bij wet van 21</para>
      <para>augustus 1950, Stb. K369, werd gesproken van een kinderbijslagrecht</para>
      <para>voor kinderen uit een vorig huwelijk van de echtgenoot(e) of</para>
      <para>overleden echtgenoot(e) van de arbeider, met welke laatste</para>
      <para>toevoeging kennelijk een wijziging was beoogd ten opzichte van de</para>
      <para>voorafgaand aan genoemde wijziging geldende bepaling in artikel 23,</para>
      <para>eerste lid, van de Kinderbijslagwet, welke slechts een recht kende</para>
      <para>voor een kind van de arbeider of van de echtgenoot(e) van de arbeider.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu uit niets blijkt dat met de begripsbepaling "aangehuwd kind" in</para>
      <para>de AKW bedoeld was terzake van het recht op kinderbijslag een</para>
      <para>wijziging aan te brengen ten opzichte van de laatstelijk daarvóór</para>
      <para>geldende bepaling, is de Raad van oordeel dat de AKW op dit punt</para>
      <para>dient te worden uitgelegd overeenkomstig de tot 1963 geldende</para>
      <para>regeling en dat derhalve de status van aangehuwd kind in de zin van</para>
      <para>artikel 7 van de AKW behouden blijft in de situatie waarin het</para>
      <para>huwelijk tussen de verzekerde en de ouder van de betreffende</para>
      <para>kinderen is geëindigd door het overlijden van laatstgenoemde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het tot zover overwogene dient het bestreden besluit</para>
      <para>alsnog te worden vernietigd voorzover het door de rechtbank in</para>
      <para>stand is gelaten, en dient de aangevallen uitspraak eveneens in</para>
      <para>zoverre te worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de namens appellant in hoger beroep ingestelde,</para>
      <para>niet gespecificeerde, vordering tot schadevergoeding gaat de Raad</para>
      <para>ervan uit dat daarmee bedoeld is de wettelijke rente uit hoofde van</para>
      <para>vertragingsschade in de betaling van de kinderbijslag over het</para>
      <para>eerste, tweede en derde kwartaal van 1994 te vorderen. Deze</para>
      <para>vordering is met toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht toewijsbaar, aangezien thans als</para>
      <para>vaststaand kan worden aangenomen dat het niet toekennen van</para>
      <para>kinderbijslag over het eerste tot en met het derde kwartaal van</para>
      <para>1994 onrechtmatig was.</para>
      <para>De schade wordt in casu gevormd door de wettelijke rente op de voet</para>
      <para>van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek, te</para>
      <para>rekenen vanaf de dag waarop aan appellant de verschuldigde bedragen</para>
      <para>aan kinderbijslag uiterlijk zouden zijn betaald indien gedaagde</para>
      <para>binnen de daarvoor gestelde termijn ten aanzien van de</para>
      <para>onderscheidene kwartalen had beslist zoals hij rechtens had behoren</para>
      <para>te doen.</para>
      <para>Aangezien sedert januari 1992 het systeem van de herhaalde,</para>
      <para>kwartaalsgewijze, aanvraag in de AKW is verlaten en appellant</para>
      <para>voorafgaande aan het eerste kwartaal van 1994 recht had op</para>
      <para>kinderbijslag, is in deze nog slechts van belang artikel 18 van de</para>
      <para>AKW, dat bepaalt dat de Sociale Verzekeringsbank de kinderbijslag</para>
      <para>betaalt uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het kwartaal</para>
      <para>waarover recht op kinderbijslag bestaat.</para>
      <para>Een en ander betekent dat aanspraak op rente bestaat over de</para>
      <para>betaling van de kinderbijslag over de drie kwartalen in geding</para>
      <para>steeds vanaf de dag na afloop van een termijn van drie maanden na</para>
      <para>het einde van het betreffende kwartaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde dient voorts te worden veroordeeld in de proceskosten van</para>
      <para>appellant, welke blijkens opgave uitsluitend bestaan uit kosten van</para>
      <para>rechtsbijstand.</para>
      <para>De rechtbank heeft bij een gedeeltelijke gegrondverklaring van het</para>
      <para>beroep de proceskostenveroordeling in eerste aanleg gematigd tot</para>
      <para>25%, zijnde een bedrag van f 355,-.  Nu het bestreden besluit in</para>
      <para>hoger beroep geheel wordt vernietigd, is het restant van de</para>
      <para>vergoeding voor twee proceshandelingen in eerste aanleg alsnog</para>
      <para>toewijsbaar.  De proceskosten in hoger beroep, eveneens twee</para>
      <para>proceshandelingen, worden begroot op f 1.420,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte dient gedaagde het door appellant in hoger beroep</para>
      <para>betaalde griffierecht van f 150,- aan hem te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt derhalve als hieronder aangegeven.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III.  BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het bestreden</para>
      <para>besluit in stand is gelaten en bevestigt die uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Vernietigt gedaagdes besluit van 15 maart 1995 alsnog geheel;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde tot betaling van schadevergoeding als</para>
      <para>hierboven aangegeven;</para>
      <para>Veroordeelt voorts gedaagde in de proceskosten van appellant, welke</para>
      <para>worden begroot op f 1.065,- in eerste aanleg en f 1.420,- in hoger</para>
      <para>beroep aan kosten van rechtsbijstand;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde het door appellant in hoger beroep betaalde</para>
      <para>griffierecht van f 150,- aan hem vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr P.P.</para>
      <para>Zwart en mr T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr S.</para>
      <para>Breuls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) N.J. Haverkamp.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(get.) S. Breuls.</para>
      <para>IS</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>