<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8168</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8168</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-03-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/5894 WVG</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=2&amp;g=1999-03-19">Wet voorzieningen gehandicapten 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=2&amp;g=1999-03-19">Wet voorzieningen gehandicapten 2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8168">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8168</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-03-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8168 Centrale Raad van Beroep , 19-03-1999 / 98/5894 WVG</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8168:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kan de weigering betrokkene een vergoeding te geven voor het aanbrengen een tillift in de woning van haar ouders de rechtelijke toets doorstaan?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8168:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/5894 WVG</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente</para>
      <para>Sneek, appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 10 december 1997 heeft appellant mededeling</para>
      <para>gedaan van een besluit op een door gedaagde gedane aanvraag om</para>
      <para>haar ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de</para>
      <para>op die wet gebaseerde Verordening Voorzieningen Gehandicapten</para>
      <para>gemeente Sneek 1997 (nader te noemen de Verordening) in</para>
      <para>aanmerking te brengen voor vergoeding van de kosten verbonden</para>
      <para>aan het plaatsen van een tillift in de woning van haar ouders.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft de bezwaren van gedaagde tegen dat besluit bij</para>
      <para>het bestreden besluit van 10 maart 1998 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden</para>
      <para>heeft bij uitspraak van 23 juni 1998 (de aangevallen</para>
      <para>uitspraak) naar aanleiding van een door gedaagde in het kader</para>
      <para>van haar beroep tegen het bestreden besluit gedaan verzoek om</para>
      <para>een voorlopige voorziening, dat beroep onder toepassing van</para>
      <para>artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond</para>
      <para>verklaard en het bestreden besluit vernietigd en voorts het</para>
      <para>verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is van die uitspraak, voor zover deze de toepassing</para>
      <para>van artikel 8:86 van de Awb betreft, op daartoe aangevoerde</para>
      <para>gronden in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens betrokkene heeft mr R.J. Wevers, advocaat te Bolsward,</para>
      <para>bij schrijven van 7 december 1998 van verweer gediend. Namens</para>
      <para>appellant is op 15 december 1998 een repliek ingezonden,</para>
      <para>waarop van de kant van gedaagde op 24 december 1998 van</para>
      <para>dupliek is gediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5</para>
      <para>februari 1999, waar appellant zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door drs W.J.M. Peters, werkzaam bij de</para>
      <para>Vereniging van Nederlandse Gemeenten, en waar namens gedaagde</para>
      <para>is verschenen mr Wevers voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 25 november 1997 heeft gedaagde, verblijvende in een op</para>
      <para>grond van artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere</para>
      <para>Ziektekosten (AWBZ) erkende instelling, de aanvraag gedaan om</para>
      <para>- met het oog op het regelmatig kunnen bezoeken van haar</para>
      <para>ouderlijk huis - in aanmerking te komen voor vergoeding van de</para>
      <para>kosten van het ophogen van de stoep bij de achterdeur en van</para>
      <para>het plaatsen van een tillift in die woning, zodat zij tranfers</para>
      <para>zou kunnen maken vanuit haar rolstoel naar een bed teneinde</para>
      <para>(onder meer) zich te kunnen verschonen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit in primo van 10 december 1997 is een</para>
      <para>tegemoetkoming toegekend in de kosten van het ophogen van</para>
      <para>voornoemde stoep, maar is de aanvraag wat betreft de gewenste</para>
      <para>tillift afgewezen op de grond dat op basis van de Verordening</para>
      <para>slechts het bereikbaar maken van de woonkamer en een toilet in</para>
      <para>aanmerking kan worden gebracht voor een financiële</para>
      <para>tegemoetkoming.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het kader van de behandeling van het tegen die afwijzing</para>
      <para>ingediende bezwaarschrift is op 29 januari 1998 door het Buro</para>
      <para>Zorgtoewijzing Zuidwest Friesland een rapport uitgebracht,</para>
      <para>waarna het bezwaar van gedaagde door appellant bij het</para>
      <para>bestreden besluit ongegrond is verklaard. Daartoe is in het</para>
      <para>bijzonder verwezen naar artikel 2.7, tweede tot en met vijfde</para>
      <para>lid, van de Verordening. Voorts is in het bestreden besluit</para>
      <para>onder meer overwogen dat er geen reden wordt gezien om de</para>
      <para>hardheidsclausule van de Verordening toe te passen, daar het</para>
      <para>toepassen van de Verordening in de gegeven omstandigheden niet</para>
      <para>zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president van de rechtbank heeft de in hoger beroep</para>
      <para>aangevochten vernietiging van het bestreden besluit in</para>
      <para>hoofdzaak gebaseerd op het oordeel dat appellant een te</para>
      <para>beperkte uitleg heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 2.7</para>
      <para>van de Verordening. Uit het gegeven dat daarin het toilet</para>
      <para>wordt genoemd als ruimte die bereikbaar moet zijn leidt de</para>
      <para>president af dat in het kader van het bezoekbaar maken van een</para>
      <para>woning een vorm van toiletgang mogelijk moet worden gemaakt.</para>
      <para>Voor gedaagde beschouwt de president het bed als onderdeel van</para>
      <para>de toiletgang, zodat de daarbij nodige tillift kan worden</para>
      <para>gezien als een voorziening welke onder het bereik van genoemde</para>
      <para>bepaling valt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep zijn van de kant van appellant de</para>
      <para>achtergronden van de toepasselijke bepalingen uiteengezet.</para>
      <para>Hetgeen zijnerzijds voorts is betoogd komt erop neer dat het</para>
      <para>aanbrengen van een tillift niet een eenvoudige aanpassing is,</para>
      <para>zoals het toegankelijk maken van de woonkamer of het toilet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de kant van gedaagde is in hoger beroep de zienswijze van</para>
      <para>de rechtbank onderschreven en beklemtoond dat de gevraagde</para>
      <para>voorziening van wezenlijk belang is om voor haar het bezoeken</para>
      <para>van het ouderlijk huis mogelijk te maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad moet in dit geding de vraag beantwoorden of het</para>
      <para>bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. De Raad</para>
      <para>overweegt daaromtrent als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 2.7, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat</para>
      <para>alleen een financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing</para>
      <para>wordt verleend als de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in</para>
      <para>de desbetreffende woonruimte. Volgens het tweede lid van</para>
      <para>artikel 2.7 van de Verordening kan in afwijking daarvan een</para>
      <para>tegemoetkoming worden verleend in de kosten van aanpassing van</para>
      <para>één woonruimte, als de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft</para>
      <para>in een AWBZ-gefinancierde inrichting. In artikel 2.7, vierde</para>
      <para>lid, wordt aangegeven dat de tegemoetkoming slechts het</para>
      <para>bezoekbaar maken van de woonruimte betreft, hetgeen in het</para>
      <para>vijfde lid wordt gepreciseerd in die zin dat onder bezoekbaar</para>
      <para>maken slechts wordt verstaan dat de gehandicapte de</para>
      <para>woonruimte, de woonkamer en één toilet kan bereiken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt derhalve vast dat de regeling betreffende het</para>
      <para>bezoekbaar maken van de woning een uitzonderingskarakter</para>
      <para>heeft, welke betrekking heeft op de krachtens artikel 2,</para>
      <para>tweede lid, van de Wvg van de zorgplicht van die wet</para>
      <para>uitgezonderde categorie, en waarvan de werkingssfeer bovendien</para>
      <para>nog wordt beperkt tot de (in het vijfde lid van artikel 2.7)</para>
      <para>limitatief opgesomde objecten van woningaanpassing. De aard en</para>
      <para>opzet van deze verordeningsbepaling rechtvaardigen dan ook een</para>
      <para>strikte toepassing daarvan door het gemeentebestuur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande ziet de Raad in artikel 2.7 van de</para>
      <para>Verordening en in het bijzonder in het vijfde lid daarvan geen</para>
      <para>ruimte om deze bepaling, wat betreft het aspect toiletgang,</para>
      <para>van toepassing te achten op vormen van woningaanpassing welke</para>
      <para>niet rechtstreeks het toegankelijk maken van een toiletruimte</para>
      <para>betreffen. Het plaatsen van een tillift als door gedaagde</para>
      <para>beoogd is dan ook niet onder die verordeningsbepaling te</para>
      <para>brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betreffende de weigering van appellant om gebruik te maken van</para>
      <para>de hardheidsclausule van de Verordening verwijst de Raad naar</para>
      <para>hetgeen hij omtrent toepassing van een dergelijke bepaling</para>
      <para>heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 juni 1998 (USZ</para>
      <para>1998/224). De Raad is dan ook van oordeel dat die</para>
      <para>hardheidsclausule geen grondslag biedt om appellant gehouden</para>
      <para>te achten ten behoeve van de onderwerpelijke categorie</para>
      <para>gehandicapten een tegemoetkoming te verlenen in de kosten van</para>
      <para>het bezoekbaar maken van een woonruimte buiten de gevallen</para>
      <para>waartoe de regelgever zulks blijkens het bepaalde in artikel</para>
      <para>2.7 welbewust heeft willen beperken. Ook op dit punt kan de in</para>
      <para>geding zijnde besluitvorming van appellant derhalve de</para>
      <para>rechterlijke toets doorstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen</para>
      <para>uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in</para>
      <para>aanmerking komt en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond</para>
      <para>moet worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
      <para>het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten overvloede in dit geding merkt de Raad nog op dat hij zich</para>
      <para>ervan bewust is dat, gelijk ook in het voorliggende geval,</para>
      <para>voor bewoners van AWBZ-inrichtingen het bezoeken van de</para>
      <para>ouderlijke woning in veel gevallen van wezenlijk belang is en</para>
      <para>dat voor zowel die gehandicapten als hun ouders op dit vlak</para>
      <para>soms problematische situaties bestaan. Ook onderkent de Raad</para>
      <para>dat hetgeen daaromtrent in de gemeentelijke verordeningen</para>
      <para>krachtens de WVG is geregeld niet steeds tot door de</para>
      <para>betrokkenen als redelijk ervaren uitkomsten leidt. De Raad</para>
      <para>wijst er echter op dat het de rechter niet toekomt om de</para>
      <para>zorgplicht van de bevoegde gemeentebesturen op dit punt op</para>
      <para>enigerlei wijze te verruimen, doch dat het tot de</para>
      <para>verantwoordelijkheid van de wetgever behoort om dienaangaande</para>
      <para>keuzes te maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en</para>
      <para>mr D.J. van der Vos en mr Th.M. Schelfhout als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr drs A.M. Overbeeke als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 19 maart 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para>(get.) A.M. Overbeeke.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>1203</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>