<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8148</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:18:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8148</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-03-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/7232 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=33&amp;g=1999-03-02">Algemene bijstandswet 33</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=38&amp;g=1999-03-02">Algemene bijstandswet 38</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=4&amp;g=1999-03-02">Algemene bijstandswet 4</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:11&amp;g=1999-03-02">Algemene wet bestuursrecht 7:11</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:12&amp;g=1999-03-02">Algemene wet bestuursrecht 7:12</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1999, 263 met annotatie van H.E. Bröring</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1999, 162</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1999, 67</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/122</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8148">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8148</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-10-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8148 Centrale Raad van Beroep , 02-03-1999 / 97/7232 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8148:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Handhaven besluit op andere grond dan waartegen bezwaar; toeslag, begrip zelfstandige woonruimte;  woningdeler; Verordening en criteria verhoging of verlaging; strijd met wet.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8148:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/7232 ABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
      <para>Vlaardingen, appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op in het aanvullend beroepschrift aangevoerde</para>
      <para>gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Rotterdam op 30 juni 1997 tussen</para>
      <para>partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft zich als gemachtigde gesteld mr W.C. de</para>
      <para>Jonge, advocaat en procureur te Vlaardingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Desgevraagd heeft appellant bij schrijven van 16 april 1998</para>
      <para>nog enkele stukken ingezonden en vragen beantwoord. Voorts</para>
      <para>heeft appellant bij brief van 7 oktober 1998 nog nadere vragen</para>
      <para>beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 19 januari 1999, waar</para>
      <para>appellant, daartoe opgeroepen, is verschenen bij gemachtigde</para>
      <para>B.H.J. Thedinga, werkzaam bij de gemeente Vlaardingen.</para>
      <para>Gedaagde is niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde, geboren in 1953, ontving een uitkering ingevolge de</para>
      <para>Rijksgroepsregeling werkloze werknemers, laatstelijk berekend</para>
      <para>naar de norm voor een alleenstaande woningdeler.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In verband met de inwerkingtreding op 1 januari 1996 van de</para>
      <para>Algemene bijstandswet (Abw) heeft appellant met betrekking tot</para>
      <para>gedaagde in maart 1996 een onderzoek ingesteld naar de</para>
      <para>rechtsgevolgen waartoe de toepassing van de Abw zou leiden</para>
      <para>inzake het recht op bijstand en de daaraan verbonden</para>
      <para>verplichtingen, een en ander overeenkomstig artikel 5, eerste</para>
      <para>lid, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet.</para>
      <para>Tijdens dit onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat</para>
      <para>gedaagde per 8 april 1996 zou verhuizen naar de P.straat te B</para>
      <para>en dan als woningdeler zou moeten worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 april 1996 heeft appellant besloten</para>
      <para>gedaagde per 8 april 1996 een uitkering toe te kennen op grond</para>
      <para>van de Abw. Appellant heeft daarbij, voor zover hier van</para>
      <para>belang, de uitkering vastgesteld naar de bijstandsnorm voor</para>
      <para>een alleenstaande van 21 jaar of ouder, zijnde f 970,56 per</para>
      <para>maand, en meegedeeld dat gedaagde recht heeft op een toeslag</para>
      <para>van 10% van het minimumloon, omdat sprake is van medebewoning</para>
      <para>op grond van een commerciële overeenkomst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, omdat zijns</para>
      <para>inziens geen sprake is van medebewoning op grond van een</para>
      <para>commerciële overeenkomst, maar dat hij als een alleenstaande</para>
      <para>moet worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit bezwaar is bij het bestreden besluit van 22 oktober 1996</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
      <para>Appellant heeft daartoe onder meer overwogen:</para>
      <para>"Op grond van artikel 3, eerste lid van de</para>
      <para>Bijstandsverordening normering van de gemeente</para>
      <para>Vlaardingen, vastgesteld op 6 december 1995 ('De</para>
      <para>Verordening') wordt de bijstandsnorm voor de</para>
      <para>alleenstaande of alleenstaande ouder verhoogd met</para>
      <para>een toeslag van 20% van het netto minimumloon indien</para>
      <para>in zijn woning geen anderen hun hoofdverblijf hebben.</para>
      <para>Op grond van artikel 3, derde lid van de Verordening</para>
      <para>wordt de bijstandsnorm voor de alleenstaande of</para>
      <para>alleenstaande ouder verhoogd met een toeslag van 10%</para>
      <para>van het netto minimumloon indien er sprake is van</para>
      <para>medebewoning op grond van een commerciële</para>
      <para>overeenkomst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 1, eerste lid onder o. wordt</para>
      <para>het begrip medebewoning omschreven als volgt: die</para>
      <para>situatie waarin er naast de belanghebbende één ander</para>
      <para>zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft als</para>
      <para>alleenstaande, alleenstaande ouder of (echt)-paar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 11 van de Verordening beslissen</para>
      <para>burgemeester en wethouders in gevallen, de</para>
      <para>uitvoering van deze verordening betreffende, waarin</para>
      <para>deze verordening niet voorzien.</para>
      <para>(...)</para>
      <para>In uw bezwaarschrift geeft u aan dat u zelfstandig</para>
      <para>een kamer bewoont aan het adres P.straat te B en</para>
      <para>geen voorzieningen deelt met andere bewoners.</para>
      <para>Op de ter zake van uw bezwaarschrift gehouden</para>
      <para>hoorzitting van 14 augustus jongstleden hebt u</para>
      <para>desgevraagd naar voren gebracht dat u wederom op de</para>
      <para>P.straat bent gaan wonen omdat het alleen wonen u</para>
      <para>niet beviel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderhavige geval is naar ons oordeel echter</para>
      <para>wel een situatie aanwezig waarin het bewonen van een</para>
      <para>kamer een zogenaamd schaalvoordeel oplevert. Immers,</para>
      <para>de woning is eigendom van een Stichting, die de</para>
      <para>lasten inzake de gemeentelijke belastingen voldoet.</para>
      <para>U betaalt een maandelijks huurbedrag van f 350,00</para>
      <para>waarmee u gevrijwaard bent van kosten die in de</para>
      <para>situatie van het zelfstandig huren van een woning</para>
      <para>wel hadden dienen te worden voldaan.</para>
      <para>De toeslag in kwestie is niet gebaseerd op artikel</para>
      <para>3, derde lid van de Verordening, doch op artikel 11.</para>
      <para>De reden hiervoor is dat gebruikmaking van</para>
      <para>eerstgenoemde artikel zou leiden tot onjuiste</para>
      <para>toepassing van de verordening, omdat het begrip</para>
      <para>medebewoning slechts ziet op een situatie waarin ten</para>
      <para>aanzien van één belanghebbende één ander zijn</para>
      <para>hoofdverblijf in dezelfde woning heeft. In zoverre</para>
      <para>is het bestreden besluit dan ook onjuist geredigeerd.</para>
      <para>In feite is hier namelijk sprake van een</para>
      <para>woningdelerssituatie als bedoeld in de oude Algemene</para>
      <para>Bijstandswet.</para>
      <para>Gelet op het feit dat het de bedoeling van de</para>
      <para>wetgever is geweest uitsluitend een toelage van 20%</para>
      <para>van het netto-minimumloon op de algemene</para>
      <para>bijstandsnorm te verstrekken in het geval dat de</para>
      <para>belanghebbende de lasten met niemand anders kan</para>
      <para>delen, getuigt het van een juiste toepassing van de</para>
      <para>wet in het onderhavige geval een toeslag van 10% te</para>
      <para>verstrekken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het bovenstaande zijn wij van oordeel</para>
      <para>dat het bestreden besluit, met verwijzing naar</para>
      <para>artikel 11 van de Bijstandsverordening normering, op</para>
      <para>juiste gronden is genomen.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen</para>
      <para>uitspraak gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden</para>
      <para>besluit vernietigd maar tevens bepaald dat de rechtsgevolgen</para>
      <para>daarvan in stand blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft daarbij onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"In de eerste plaats overweegt de rechtbank dat</para>
      <para>verweerder ten onrechte heeft verzuimd in het</para>
      <para>bestreden besluit het bezwaar van eiser (deels)</para>
      <para>gegrond te verklaren, nu hij nader tot het oordeel</para>
      <para>was gekomen dat het primaire besluit er ten onrechte</para>
      <para>van uitging dat er sprake was van medebewoning op</para>
      <para>grond van een commerciële overeenkomst als bedoeld</para>
      <para>in artikel 3, derde lid, van de Verordening, en</para>
      <para>eiser juist tegen dit uitgangspunt bezwaar had</para>
      <para>gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft dit uitgangspunt bij het bestreden</para>
      <para>besluit verlaten, omdat - zo is onder meer ter</para>
      <para>zitting gebleken - hij aan dit artikellid een</para>
      <para>restrictieve uitleg geeft. Het artikellid vindt</para>
      <para>slechts dan toepassing indien en voor zover er</para>
      <para>sprake is van één hoofdverhuurder die aan één</para>
      <para>onderhuurder op basis van een commerciële</para>
      <para>overeenkomst woonruimte aanbiedt. Daarvan is in de</para>
      <para>onderhavige situatie geen sprake.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht deze restrictieve uitleg van</para>
      <para>artikel 3, derde lid, van de Verordening onjuist</para>
      <para>noch onredelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit neemt niet weg dat naar het oordeel van de</para>
      <para>rechtbank verweerder bij het bestreden besluit de</para>
      <para>aan eiser toegekende toeslag van 10% ten onrechte</para>
      <para>heeft gebaseerd op artikel 11 van de Verordening. Nu</para>
      <para>eiser een kamer bewoont, welke is voorzien van de</para>
      <para>voor zelfstandige bewoning vereiste voorzieningen</para>
      <para>welke hij niet deelt met anderen, en voorts niet in</para>
      <para>geschil is dat in deze als woning aan te merken</para>
      <para>kamer van eiser geen anderen hun hoofdverblijf</para>
      <para>hebben, is artikel 3, eerste lid, van de Verordening</para>
      <para>op eisers situatie van toepassing, zodat niet gezegd</para>
      <para>kan worden dat de Verordening in deze niet voorziet.</para>
      <para>Artikel 11 van de Verordening kan in deze dus niet</para>
      <para>van toepassing zijn. Voor zover verweerder met</para>
      <para>artikel 11 van de Verordening zijn algemene</para>
      <para>individualiseringsbevoegdheid ingevolge de Abw op</para>
      <para>het oog heeft, miskent hij dat de Verordening gelet</para>
      <para>op artikel 38, eerste lid, van de Abw, een</para>
      <para>categoraal karakter dient te hebben, waarbinnen een</para>
      <para>dergelijke bepaling naar zijn aard niet past.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van</para>
      <para>oordeel dat het bestreden besluit wegens onjuiste</para>
      <para>motivering niet in stand kan blijven en onder</para>
      <para>gegrondverklaring van het beroep vernietigd moet</para>
      <para>worden. De rechtbank ziet evenwel aanleiding te</para>
      <para>bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden</para>
      <para>besluit in stand blijven.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door de rechtbank daarvoor gegeven motivering komt, kort</para>
      <para>weergegeven, op het volgende neer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 38, vierde lid, van de Abw laat de</para>
      <para>omstandigheid dat (bij de verordening) verhoging of verlaging</para>
      <para>van de bijstandsnorm of afwijkende vaststelling van de toeslag</para>
      <para>plaats vindt, onverlet dat op grond van artikel 13, eerste</para>
      <para>lid, van de Abw appellant een algemene</para>
      <para>individualiseringsbevoegdheid heeft.</para>
      <para>Appellant kan van die bevoegdheid gebruik maken indien de</para>
      <para>noodzakelijke bestaanskosten van de betrokkene hoger of lager</para>
      <para>zijn dan waarop de landelijke norm en de gemeentelijke toeslag</para>
      <para>zijn afgestemd. Appellant heeft volgens de rechtbank beoogd</para>
      <para>van die bevoegdheid gebruik te maken.</para>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant zich in</para>
      <para>redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de specifieke</para>
      <para>woonsituatie van gedaagde een zodanig schaalvoordeel meebrengt</para>
      <para>dat daarmee rekening moet worden gehouden bij het bepalen van</para>
      <para>de toeslag. Door in het onderhavige geval de toeslag vast te</para>
      <para>stellen op 10 % van het wettelijk minimumloon, daarbij</para>
      <para>aansluiting zoekend bij de onder de (oude) Algemene</para>
      <para>Bijstandswet bestaande woningdelerssituatie, heeft appellant</para>
      <para>niet onzorgvuldig of in strijd met enig ander algemeen</para>
      <para>beginsel van behoorlijk bestuur gehandeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant kan zich met de aangevallen uitspraak niet</para>
      <para>verenigen.</para>
      <para>Appellant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank een</para>
      <para>onjuiste uitleg heeft gegeven van het begrip "woning" en</para>
      <para>daarmee eveneens ten onrechte artikel 3, eerste lid, van de</para>
      <para>gemeentelijke "Bijstandsverordening normering" (verordening</para>
      <para>van 6 december 1995, hierna: de Verordening) van toepassing</para>
      <para>heeft geacht. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte artikel</para>
      <para>11 van de Verordening niet van toepassing geacht.</para>
      <para>Ten slotte betwist appellant dat de omstandigheid dat de</para>
      <para>motivering van het bestreden besluit afwijkt van hetgeen in</para>
      <para>het primaire besluit aan de beslissing ten grondslag was</para>
      <para>gelegd, had dienen te leiden tot een (gedeeltelijke)</para>
      <para>gegrondverklaring van het bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de laatstgenoemde klacht merkt de Raad op</para>
      <para>dat artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet</para>
      <para>in de weg staat aan de handhaving van een besluit op een</para>
      <para>andere grond dan die waarop het in bezwaar bestreden besluit</para>
      <para>steunt.</para>
      <para>Op grondslag van het bezwaar vindt een heroverweging van het</para>
      <para>bestreden besluit plaats. Voor zover de heroverweging daartoe</para>
      <para>aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden</para>
      <para>besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een</para>
      <para>nieuw besluit. Het hier in geding zijnde op bezwaar genomen</para>
      <para>besluit is niet als gevolg van de gewijzigde motivering een</para>
      <para>wezenlijk ander besluit geworden dan het in primo genomen</para>
      <para>besluit. Voor herroeping van het bestreden besluit was hier</para>
      <para>dan ook geen aanleiding, terwijl voorts niet valt in te zien</para>
      <para>dat bij handhaving van het besluit het gemaakte bezwaar</para>
      <para>niettemin gegrond zou moeten worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant bestrijdt de opvatting van de rechtbank dat artikel</para>
      <para>3, eerste lid, van de Verordening van toepassing zou zijn</para>
      <para>omdat gedaagde een kamer bewoont, welke als woning is aan te</para>
      <para>merken.</para>
      <para>Artikel 1, aanhef en onder i, van de Verordening bepaalt dat</para>
      <para>in deze verordening onder "woning" wordt verstaan: een woning,</para>
      <para>een wooneenheid, een woonwagen of een woonschip. Blijkens de</para>
      <para>toelichting op deze bepaling is voor het begrip woning</para>
      <para>aansluiting gezocht bij hetgeen daaronder wordt verstaan in de</para>
      <para>Wet individuele huursubsidie (WIH).</para>
      <para>Een kamer, waarin de betrokkene alleen verblijft, is geen</para>
      <para>woning als hier bedoeld, aldus appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw</para>
      <para>(Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, nr. 18, p. 87) is met</para>
      <para>het begrip "woning" in deze wet inderdaad beoogd aansluiting</para>
      <para>te zoeken bij de WIH.</para>
      <para>In de uitvoering van die wet wordt onder een woning een</para>
      <para>zelfstandige woning verstaan, dat wil zeggen een woning,</para>
      <para>voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke</para>
      <para>woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was- en</para>
      <para>kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld.</para>
      <para>Eigen toegang houdt in dat men de woonruimte kan bereiken</para>
      <para>zonder daarbij vertrekken of gangen en dergelijke te hoeven</para>
      <para>passeren waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij</para>
      <para>huurder of eigenaar zijn.</para>
      <para>Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Abw wordt onder een</para>
      <para>woning mede verstaan een woonwagen en een woonschip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het pand P.straat, waarheen gedaagde was verhuisd, is blijkens</para>
      <para>de stukken een voormalig verzorgingstehuis en thans eigendom</para>
      <para>van de Turkse Sociale en Kulturele Stichting. Er is een moskee</para>
      <para>gevestigd en er worden kamers verhuurd. Gedaagde zou daar</para>
      <para>volgens zijn opgave een kamer bewonen met eigen kook- en</para>
      <para>wasgelegenheid. Naar appellant heeft meegedeeld beschikken de</para>
      <para>kamers niet over eigen sanitaire voorzieningen of</para>
      <para>kookgelegenheid en bevindt zich een gezamenlijke bad- en</para>
      <para>toiletruimte op de begane grond. Wat daarvan ook zij, niet</para>
      <para>gebleken is dat in dit geval is voldaan aan hetgeen onder het</para>
      <para>begrip "woning" in de zin van de Abw moet worden verstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3, eerste lid, van de Verordening luidt:</para>
      <para>"De bijstandsnorm voor de alleenstaande of</para>
      <para>alleenstaande ouder wordt verhoogd met een toeslag</para>
      <para>van 20% van het netto minimumloon indien in zijn</para>
      <para>woning geen anderen hun hoofdverblijf hebben.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu gelet op hetgeen hierboven is overwogen niet gezegd kan</para>
      <para>worden dat gedaagde een woning bewoont waarin geen anderen hun</para>
      <para>hoofdverblijf hebben, heeft de rechtbank ten onrechte artikel</para>
      <para>3, eerste lid, van de Verordening ten aanzien van gedaagde in</para>
      <para>beginsel van toepassing geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande brengt echter naar het oordeel van de Raad</para>
      <para>nog niet mee, dat dus het beroep van appellant moet slagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 2 van de Verordening zijn de categorieën aangegeven</para>
      <para>van belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend.</para>
      <para>Appellant valt onder de categorie-aanduiding alleenstaande.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het derde lid van artikel 3 van de Verordening, in welk</para>
      <para>artikel de criteria zijn opgesomd op grond waarvan de</para>
      <para>bijstandsnorm voor alleenstaanden en alleenstaande ouders</para>
      <para>(niet) worden verhoogd, luidt:</para>
      <para>"De bijstandsnorm voor de alleenstaande en de</para>
      <para>alleenstaande ouder wordt verhoogd met een toeslag</para>
      <para>van 10% van het netto minimumloon indien er sprake</para>
      <para>is van medebewoning op grond van een commerciële</para>
      <para>overeenkomst.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 1, aanhef en onder o, van de Verordening</para>
      <para>wordt onder medebewoning verstaan:</para>
      <para>"die situatie waarin er naast de belanghebbende één</para>
      <para>ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft</para>
      <para>als alleenstaande, alleenstaande ouder of</para>
      <para>(echt)paar.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de wijze waarop in de Verordening het begrip</para>
      <para>"medebewoning" is gedefinieerd, valt gedaagde niet onder het</para>
      <para>derde lid van artikel 3 van die Verordening.</para>
      <para>Omdat ook niet een van de andere criteria op gedaagde van</para>
      <para>toepassing is, heeft appellant zijn besluit om gedaagde een</para>
      <para>toeslag van 10% te geven, doen steunen op artikel 11 van de</para>
      <para>Verordening, inhoudend:</para>
      <para>"In gevallen, de uitvoering van deze verordening</para>
      <para>betreffende, waarin deze verordening niet voorziet,</para>
      <para>beslissen burgemeester en wethouders.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft met betrekking tot de wijze waarop</para>
      <para>appellant deze bepaling hanteert, overwogen, dat voor zover</para>
      <para>appellant met artikel 11 zijn algemene</para>
      <para>individualiseringsbevoegdheid ingevolge de Abw op het oog</para>
      <para>heeft, hij miskent dat de Verordening gelet op artikel 38,</para>
      <para>eerste lid, van de Abw een categoriaal karakter dient te</para>
      <para>hebben, waarbinnen een dergelijke bepaling naar haar aard niet</para>
      <para>past.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant geeft in het aanvullend beroepschrift aan, dat met</para>
      <para>artikel 11 inderdaad is beoogd een dergelijke</para>
      <para>individualiseringsbevoegdheid aan appellant te geven.</para>
      <para>Appellant schrijft:</para>
      <para>"Het college heeft voorzien dat er bij deze keuze</para>
      <para>niet in alle gevallen, met name indien sprake zou</para>
      <para>zijn van panden, waarin meerdere kamers verhuurd</para>
      <para>zouden worden, zou leiden tot het toekennen van een</para>
      <para>toeslag. Teneinde deze gevallen toch een op de</para>
      <para>situatie afgestemde toeslag te kunnen verstrekken is</para>
      <para>artikel 11 van de verordening opgenomen, hetgeen</para>
      <para>naar het oordeel van het college als een species van</para>
      <para>artikel 13 van de Algemene bijstandswet dient te</para>
      <para>worden beschouwd.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het</para>
      <para>gemeentebestuur niet het recht kan worden ontzegd in zijn</para>
      <para>verordening nogmaals het in artikel 13 van de Abw reeds</para>
      <para>neergelegde individualiseringsbeginsel op te nemen, indien het</para>
      <para>van mening is dat zulks de duidelijkheid voor de</para>
      <para>belanghebbenden ten goede zou komen.</para>
      <para>Een dergelijke bepaling in de vorm van een hardheidsclausule</para>
      <para>heeft echter al in artikel 10 van de Verordening haar neerslag</para>
      <para>gevonden.</para>
      <para>Voorts heeft appellant niet zo zeer bij wijze van</para>
      <para>individualisering als wel op categoriale wijze invulling</para>
      <para>gegeven aan de hem in meergenoemd artikel 11 gegeven</para>
      <para>bevoegdheid. Dit, naar appellant meent, overeenkomstig de</para>
      <para>bedoeling van deze bepaling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 38, eerste lid, van de Abw bepaalt dat het</para>
      <para>gemeentebestuur bij verordening vaststelt voor welke</para>
      <para>categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op</para>
      <para>grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of</para>
      <para>verlaging wordt bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw</para>
      <para>(Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, nr. 18 p. 96) moet uit</para>
      <para>de verordening blijken voor welke categorieën er een verhoging</para>
      <para>of verlaging van de landelijke bijstandsnormen plaats vindt en</para>
      <para>tevens op grond van welke criteria het bedrag van die</para>
      <para>verhoging of verlaging wordt vastgesteld. De verordening heeft</para>
      <para>derhalve een zodanig karakter dat de belanghebbenden daaruit</para>
      <para>concreet kunnen aflezen welke verhoging of verlaging in hun</para>
      <para>situatie geldt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door in de Verordening het aantal omschreven categorieën te</para>
      <para>beperken tot drie, te weten a. alleenstaande, b. alleenstaande</para>
      <para>ouder en c. (echt)paar, en voorts de criteria op grond waarvan</para>
      <para>de hoogte van de verhoging of verlaging wordt bepaald, zodanig</para>
      <para>te omschrijven dat groepen van bijstandsgerechtigden, welke</para>
      <para>voor de invoering van de Abw in het Besluit landelijke</para>
      <para>normering als duidelijk te onderscheiden groepen waren</para>
      <para>aangeduid, thans niet uit de Verordening concreet kunnen</para>
      <para>aflezen welke verhoging of verlaging in hun situatie geldt, is</para>
      <para>naar het oordeel van de Raad niet voldaan aan het bepaalde in</para>
      <para>artikel 38, eerste lid, van de Abw.</para>
      <para>De Raad is voorts van oordeel dat een bepaling in de</para>
      <para>Verordening waarbij in feite het aangeven van categorieën en</para>
      <para>criteria in gevallen, waarin de verordening niet voorziet,</para>
      <para>wordt overgelaten aan burgemeester en wethouders, in strijd</para>
      <para>moet worden geacht met evengenoemd artikellid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de vaststelling van</para>
      <para>de hoogte van gedaagdes uitkering niet kan worden gegrond op</para>
      <para>artikel 11 van de Verordening. Aangezien evenmin enige andere</para>
      <para>bepaling in de Verordening valt aan te wijzen op grond waarvan</para>
      <para>die vaststelling kan plaatsvinden, stelt de Raad vast dat het</para>
      <para>besluit niet kan worden gedragen door de daaraan gegeven</para>
      <para>motivering en mitsdien in strijd is met artikel 7:12 van de</para>
      <para>Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad merkt overigens op dat een en ander niet betekent dat</para>
      <para>hij van oordeel is dat gedaagde niet voor een toeslag in</para>
      <para>aanmerking zou dienen te worden gebracht of dat een zodanige</para>
      <para>toeslag niet slechts 10% van het wettelijk minimumloon zou</para>
      <para>kunnen bedragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel, zij het op</para>
      <para>andere gronden dan de rechtbank, dat het bestreden besluit</para>
      <para>niet in stand kan blijven en dat voorts de aangevallen</para>
      <para>uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het</para>
      <para>bestreden besluit in stand zijn gelaten, eveneens voor</para>
      <para>vernietiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan</para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is</para>
      <para>bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in</para>
      <para>stand blijven;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Bepaalt dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming</para>
      <para>van deze uitspraak;</para>
      <para>Verstaat dat van appellant een griffierecht van f 675,--wordt</para>
      <para>geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en mr Th.C.</para>
      <para>van Sloten  en mr Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr I. de Hartog als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 2 maart 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para>(get.) I. de Hartog.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>2202</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>