<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8147</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:19:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8147</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-03-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/6295 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=33&amp;g=1999-03-02">Algemene bijstandswet 33</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=38&amp;g=1999-03-02">Algemene bijstandswet 38</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=38&amp;g=1999-03-02">Algemene bijstandswet 38</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1999, 163</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1999, 61</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/121</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8147">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8147</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-09-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8147 Centrale Raad van Beroep , 02-03-1999 / 98/6295 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8147:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8147:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/6295 ABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A, thans wonende te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Rotterdam onder dagtekening 7 juli 1998 tussen partijen gewezen</para>
      <para>uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft W. Hoogendoorn, wonende te Rotterdam, een verweerschrift</para>
      <para>ingediend, dat is aangevuld bij schrijven van 4 december 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 januari 1999, waar appellant zich heeft</para>
      <para>doen vertegenwoordigen door mr M.J.B. van der Hoeven en mr F.L. Martens, beiden werkzaam bij</para>
      <para>de gemeente Rotterdam, terwijl voor gedaagde is verschenen W. Hoogendoorn, voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde, geboren in 1957, ontving een uitkering op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze</para>
      <para>werknemers naar de norm voor een woningdeler van 23 jaar en ouder aangezien zij inwoonde bij</para>
      <para>haar moeder. De hoogte van die norm bedroeg f 1.093,68 per maand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In verband met de inwerkingtreding op 1 januari 1996 van de Algemene bijstandswet (Abw) heeft</para>
      <para>appellant met betrekking tot gedaagde in mei 1996 een onderzoek ingesteld naar de rechtsgevolgen</para>
      <para>waartoe de toepassing van de Abw zal leiden inzake het recht op bijstand, een en ander</para>
      <para>overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet</para>
      <para>(hierna: Iw). Tijdens dit onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat gedaagde nog steeds bij</para>
      <para>haar moeder inwoonde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 23 mei 1996, verzonden 30 mei 1996, heeft appellant gedaagde meegedeeld dat</para>
      <para>besloten is haar vanaf 1 mei 1996 een uitkering toe te kennen op grond van de Abw en dat de</para>
      <para>norm voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder f 970,56 per maand bedraagt. Appellant heeft</para>
      <para>hierbij overwogen dat gedaagde geen recht heeft op een toeslag omdat zij inwoont bij haar</para>
      <para>moeder. Appellant heeft hierbij verwezen naar artikel 3, zesde lid, van de ter uitvoering van</para>
      <para>artikel 38 van de Abw vastgestelde Verordening toeslagen en verlagingen Algemene bijstandswet</para>
      <para>(hierna: de Verordening). Voorts is gedaagde meegedeeld dat de hoogte van de uitkering in</para>
      <para>beginsel eerst vanaf 1 januari 1997 wordt vastgesteld volgens de Abw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend waarbij zij heeft aangevoerd dat</para>
      <para>zij zich niet kan verenigen met de verlaging van haar uitkering. Zij heeft, zo is aangevoerd,</para>
      <para>woonkosten van f 300,- per maand terwijl de aan haar toegekende uitkering even hoog is als de</para>
      <para>uitkering voor een alleenstaande zonder woonkosten, te weten 50% van de norm van een gehuwde.</para>
      <para>Zij verzoekt haar dan ook in aanmerking te laten komen voor een toeslag van 10%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 28 januari 1997 heeft appellant de bezwaren van gedaagde ongegrond verklaard.</para>
      <para>Gedaagde heeft hierbij verwezen naar het ter zake uitgebrachte advies van de Algemene</para>
      <para>Beroepscommissie Kamer VI, kort samengevat inhoudende dat ingevolge artikel 3, zesde lid, van de</para>
      <para>Verordening geen toeslag kan worden verleend indien de belanghebbende zijn hoofdverblijf</para>
      <para>heeft bij zijn ouder(s).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het door gedaagde tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep gegrond</para>
      <para>verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op het</para>
      <para>bezwaarschrift neemt.</para>
      <para>In de aangevallen uitspraak (waarbij appellant als verweerder is aangeduid) is daartoe het</para>
      <para>volgende overwogen:</para>
      <para>"Artikel 3 van de verordening luidt - voor zover hier van belang - als volgt:</para>
      <para>2.  De toeslag voor de alleenstaande in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft wordt</para>
      <para>bepaald op 20% van het netto minimumloon.</para>
      <para>3.  De toeslag bedraagt voor de alleenstaande, op wie het tweede lid niet van toepassing is,</para>
      <para>10% van het netto minimumloon.</para>
      <para>6.  In afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid, wordt geen toeslag verleend,</para>
      <para>indien de belanghebbende zijn hoofdverblijf bij zijn ouder(s) geeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de toelichting op artikel 3, derde lid van de verordening worden door verweerder de</para>
      <para> schaalvoordelen van het gezamenlijk bewonen van een woning geschat op 10% van het netto minimumloon.</para>
      <para>In de toelichting op het zesde lid van artikel 3 van de verordening wordt aangegeven dat door de</para>
      <para>wetgever op verschillende plaatsen in de wet wordt erkend dat de relatie tussen ouder en kind een</para>
      <para>andere is dan die tussen andere inwonenden, hetgeen in het gemeentelijk beleid tot uitdrukking</para>
      <para>komt door de toeslag van de ouder niet op 10% maar op 20% te stellen, als er uitsluitend</para>
      <para>inwonende kinderen zijn, ongeacht hun leeftijd. De keerzijde hiervan is, dat geen toeslag wordt</para>
      <para>verleend aan een bij zijn ouder(s) inwonend kind.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op het bepaalde in artikel 3, lid 6 van de verordening.</para>
    <para />
    <para>De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het algemeen kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder enige nadere motivering gezegd</para>
      <para>worden, dat de thuiswonende alleenstaande van 21 jaar en ouder zich voor lagere kosten van het</para>
      <para>bestaan ziet geplaatst, dan bij voorbeeld de alleenstaande in wiens woning een ander (niet zijnde een</para>
      <para>ouder) zijn hoofdverblijf heeft en wiens schaalvoordeel in verband daarmee op 10% is geschat. De</para>
      <para>omstandigheid dat de relatie tussen ouder en kind een andere, niet c.q. minder commerciële, is</para>
      <para>dan tussen andere inwonenden brengt dit - bij gebreke aan een wettelijke onderhoudsplicht ten</para>
      <para>aanzien van bedoelde kinderen van 21 jaar en ouder - niet zonder meer mee.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de omstandigheid dat een thuiswonende alleenstaande volgens de bepalingen van de verordening</para>
      <para>niet voor een toeslag in aanmerking komt, ook overigens niet - kenbaar - gerechtvaardigd wordt</para>
      <para>door een ontbreken van hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan dan waarin de</para>
      <para>bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met</para>
      <para>een ander, dient het bepaalde in artikel 3, lid 6 van de verordening als in strijd met het</para>
      <para>bepaalde in artikel 33 Abw, buiten werking gelaten te worden.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Appellant kan zich hiermee niet verenigen.</para>
    <para />
    <para>Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Abw bedraagt ten tijde hier van belang de bijstandsnorm</para>
      <para>voor een alleenstaande van 21 jaar en ouder f 976,81 per kalendermaand, zijnde 50% van de norm</para>
      <para>zoals die geldt voor gehuwden.</para>
      <para>Op grond van het bepaalde in artikel 33, eerste lid, van de Abw verhogen burgemeester en</para>
      <para>wethouders, voorzover hier van belang, voor een alleenstaande van 21 jaar en ouder de bijstandsnorm</para>
      <para>met een toeslag voorzover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan</para>
      <para>heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen</para>
      <para>van deze kosten met een ander.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw (kamerstukken II 1993/94, nr. 18 p. 30),</para>
      <para>waarbij de Raad in het bijzonder ziet op de uitkeringssystematiek zoals deze in de Abw is</para>
      <para>neergelegd, heeft de wetgever met zoveel woorden aangegeven dat de aanvulling door middel van een</para>
      <para>toeslag geen vrijblijvende bevoegdheid van de gemeenten is, maar een uitdrukkelijke verantwoordelijkheid</para>
      <para>om de bijstand op een zodanig bedrag vast te stellen dat in de noodzakelijke bestaanskosten is</para>
      <para>voorzien, zulks in verband met het karakter van de bijstand als een van overheidswege gegarandeerde</para>
      <para>bestaansvoorziening. Hierbij is de wetgever ervan uitgegaan dat voor een alleenstaande, die de</para>
      <para>algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet met een ander kan delen, een uitkering met een hoogte</para>
      <para>van 70% van de norm zoals die geldt voor gehuwden, in het algemeen toereikend moet worden beschouwd</para>
      <para>om in die kosten te kunnen voorzien.</para>
      <para>Uitgangspunt van de wetgever is voorts geweest dat in beginsel slechts in het geval van degene die</para>
      <para>met zijn partner een gezamenlijke huishouding voert kan worden aangenomen dat alle algemeen</para>
      <para>noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden gedeeld. Als er dus in artikel 3, zesde lid,</para>
      <para>van de Verordening van wordt uitgegaan dat voor een bijstandsgerechtigd kind van 21 jaar en ouder</para>
      <para>die bij zijn ouder(s) inwoont, een uitkering ter hoogte van 50% van de norm voor gehuwden</para>
      <para>toereikend is, impliceert dit tevens de veronderstelling dat de betrokkene de algemeen noodzakelijke</para>
      <para>bestaanskosten geheel met een ander kan delen als ware hij gehuwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad kan in het geval dat een kind bij zijn ouder(s) inwoont het hebben</para>
      <para>van enig zogeheten schaalvoordeel niet worden uitgesloten, doch in zijn algemeenheid kan niet</para>
      <para>worden gezegd dat met betrekking tot het kunnen delen van de algemeen noodzakelijke bestaanskosten</para>
      <para>ten aanzien van de in het zesde lid van artikel 3 bedoelde categorie sprake is van een situatie</para>
      <para>die op dit punt geheel vergelijkbaar is met die van gehuwden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat artikel 3, zesde lid, van de Verordening in strijd is met</para>
      <para>artikel 33 in samenhang met artikel 38, eerste lid, van de Abw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu het bestreden besluit op evengenoemde bepaling van de Verordening is gebaseerd, komt dit</para>
      <para>besluit wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt voorts nog dat voorzover het bestreden besluit ervan uitgaat dat de</para>
      <para>rechtsgevolgen van de Abw reeds vanaf 1 mei 1996 werken, zulks niet in overeenstemming is met</para>
      <para>artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, en derde lid van de Iw. Deze bepalingen schrijven</para>
      <para>immers voor dat de toepassing van de Algemene Bijstandswet (ABW) eindigt, zodra burgemeester en</para>
      <para>wethouders in het betreffende geval naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 5,</para>
      <para>eerste lid van de Iw, een nieuw besluit hebben getroffen en dat op grond van de ABW genomen</para>
      <para>besluiten ten aanzien van de betrokkene van kracht blijven zolang het eerste lid van toepassing is.</para>
      <para>Dat laatste was het geval tot 30 mei 1996, de datum waarop het primaire besluit bekend werd gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb) het primaire besluit van 23 mei 1996 eveneens te vernietigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het nemen van een nieuw besluit zal appellant tevens een beslissing dienen te nemen omtrent</para>
      <para>het verzoek van gedaagde tot vergoeding van de door haar geleden schade.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te tegen aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    <para />
    <para>Beslist moet worden als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat tevens wordt vernietigd het besluit van</para>
      <para>23 mei 1996 en wordt bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen is</para>
      <para>overwogen in deze, 's Raads uitspraak;</para>
      <para>Verstaat dat van appellant een griffierecht van f 675,-- wordt geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en mr Th.C. van Sloten en mr Ch.J.G. Olde Kalter</para>
      <para>als leden, in tegenwoordigheid van mr I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het openbaar</para>
      <para>op 2 maart 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para>(get.) I. de Hartog.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>2202</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>