<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8119</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T22:58:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8119</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-02-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/11297 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=20&amp;g=1999-02-23">Werkloosheidswet 20</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=16&amp;g=1999-02-23">Werkloosheidswet 16</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1999, 138</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/94</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8119">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8119</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-03-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8119 Centrale Raad van Beroep , 23-02-1999 / 97/11297 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8119:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Activiteiten die nu nog geen omzet genereren, maar op de toekomst zijn gericht kunnen toch</para>
        <para> werkzaamheden uit hoofde waarvan zijn.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8119:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/11297 WW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen</para>
      <para>(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het</para>
      <para>onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel</para>
      <para>en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder appellant</para>
      <para>tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden</para>
      <para>in hoger beroep gekomen van een door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch onder dagtekening</para>
      <para>17 oktober 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar</para>
      <para>hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op</para>
      <para>12 januari 1999, waar appellant zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr Th.H.C. van der Meijden, werkzaam bij</para>
      <para>Gak Nederland bv, en waar gedaagde, daartoe ambtshalve opgeroepen,</para>
      <para>in persoon is verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde</para>
      <para>geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet</para>
      <para>(WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten</para>
      <para>tijde als hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde is van 15 februari 1990 tot en met 31 mei 1991</para>
      <para>werkzaam geweest als operations manager. Aan hem is per</para>
      <para>3 juni 1991 een WW-uitkering toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft op 11 september 1992 aan appellant bericht dat</para>
      <para>hij zich vanaf die datum ging orinteren op het opstarten van</para>
      <para>een eigen onderneming. Gedaagde heeft vervolgens bericht dat</para>
      <para>hij per 23 november 1992 had hervat als zelfstandige, waarna</para>
      <para>gedaagdes WW-uitkering met ingang van die datum is beëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat appellant had vernomen dat gedaagde aan de</para>
      <para>belastingdienst had verzocht in aanmerking te worden gebracht</para>
      <para>voor zelfstandigenaftrek over de jaren 1991 en 1992 heeft</para>
      <para>appellant een nader onderzoek ingesteld.</para>
      <para>Naar aanleiding van de resultaten van dat onderzoek heeft</para>
      <para>appellant bij besluit van 7 april 1994 gedaagde alsnog over de</para>
      <para>periode van 3 juni 1991 tot en met 22 november 1992</para>
      <para>gedeeltelijk het recht op WW-uitkering ontzegd.</para>
      <para>Voorts heeft appellant de onverschuldigd betaalde uitkering ten</para>
      <para>bedrage van f 34.242,63 van gedaagde teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is bij het</para>
      <para>thans in geding zijnde besluit van 31 maart 1995 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door</para>
      <para>gedaagde tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep gegrond</para>
      <para>verklaard en dat besluit vernietigd, onder toewijzing aan</para>
      <para>gedaagde van griffierecht en proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat appellant ten</para>
      <para>onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het feit</para>
      <para>dat gedaagde over de jaren 1991 en 1992 bij de belastingdienst</para>
      <para>heeft verzocht om zelfstandigenaftrek. Naar het oordeel van de</para>
      <para>rechtbank is het bedrijf van gedaagde eerst in oktober 1992</para>
      <para>daadwerkelijk van start gegaan, zodat eerst vanaf dat moment</para>
      <para>gesproken kan worden van het gaan verrichten van relevante</para>
      <para>werkzaamheden als zelfstandige. De activiteiten waarmee</para>
      <para>gedaagde zich voordien heeft beziggehouden kunnen volgens de</para>
      <para>rechtbank louter als voorbereidingshandelingen worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd:</para>
      <para>"Ondergetekende kan zich niet vinden in de stelling in de</para>
      <para>hierbij bestreden uitspraak als zou bij het nemen van de</para>
      <para>beslissing omtrent de gewerkte uren doorslaggevende betekenis</para>
      <para>zijn toegekend aan het feit dat de heer A om</para>
      <para>zelfstandigenaftrek heeft verzocht bij de Belastingdienst en</para>
      <para>aan het enkele feit dat er over 1991 en 1992 winst uit</para>
      <para>onderneming is genoten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals uit de gedingstukken blijkt, met name zij</para>
      <para>hierbij verwezen naar de voorlegger op bezwaar</para>
      <para>(gedingstuk 63), maken bovengenoemde aspecten</para>
      <para>slechts deel uit van het complex van factoren wat leidde tot de</para>
      <para>conclusie dat de heer A vanaf 3 juni 1991 gedeeltelijk niet</para>
      <para>werkloos is wegens het verrichten van werkzaamheden in de</para>
      <para>zelfstandige uitoefening van zijn bedrijf.</para>
      <para>Onbetwist is dat de heer A vanaf de eerste werkloosheidsdag, 3</para>
      <para>juni 1991, activiteiten heeft ontplooid die ten dienste kwamen</para>
      <para>van het bedrijf X, welk bedrijf sinds 6 maart 1991 voor risico</para>
      <para>en rekening van de heer A gedreven wordt.</para>
      <para>Het feit dat de heer A de inschrijving bij de Kamer van</para>
      <para>Koophandel heeft verricht rechtvaardigt de vooronderstelling</para>
      <para>dat hij met ingang van 6 maart 1991 activiteiten als</para>
      <para>zelfstandige is gaan ontplooien. Aan de houding en het gedrag</para>
      <para>van de heer A kan afgeleid worden dat die vooronderstelling juist is.</para>
      <para>De heer A verrichtte immers marktonderzoeken, hield zich onder</para>
      <para>meer bezig met financiering en het aantrekken van leveranciers,</para>
      <para>het bezoeken van beurzen, en deed investeringen in</para>
      <para>kantoormeubilair etc.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De heer A besteedde volgens eigen verklaring op 27 mei 1993</para>
      <para>(gedingstuk 38.2) zijn tijd grotendeels aan de ontwikkeling van</para>
      <para>een bedrijfsinformatiesysteem, met de bedoeling dit systeem via</para>
      <para>zijn bedrijf aan de man te brengen.</para>
      <para>Weliswaar is achteraf verklaard dat deze activiteit in de</para>
      <para>hobby-sfeer lag doch in het licht van de reeds gestarte</para>
      <para>onderneming kan niet van een hobby gesproken worden. Er is dan</para>
      <para>ook geen reden om aan de juistheid van de eerdere verklaring te twijfelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De start van de onderneming werd gefinancierd met een</para>
      <para>privé-krediet. Het feit dat in 1991 geen omzet is gerealiseerd</para>
      <para>betekent geenszins dat er geen sprake was van reële</para>
      <para>ondernemersactiviteiten. Gelet op de aard van het bedrijf waren</para>
      <para>grote startersinvesteringen niet nodig te meer daar het bedrijf</para>
      <para>vanuit de privé-woning gedreven wordt. De relatief geringe</para>
      <para>kostenspecificatie over 1991 is geen maatstaf voor de omvang</para>
      <para>van de door de heer A verrichte werkzaamheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gesteld kan worden dat de grootste investering gelegen was in</para>
      <para>het ontwikkelen van eerder genoemd bedrijfsinformatiesysteem.</para>
      <para>Dit komt niet in de balans tot uitdrukking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor (het voortduren van) de werkloosheid is van belang of de</para>
      <para>verzekerde activiteiten verricht die aangemerkt moeten worden</para>
      <para>als een prestatie waarmee, volgens de in het maatschappelijk</para>
      <para>verkeer geldende normen, redelijkerwijs het verkrijgen van enig</para>
      <para>geldelijk voordeel kon worden verwacht.</para>
      <para>Alle door de heer A vermelde activiteiten voldoen aan die</para>
      <para>voorwaarde, ook voor wat betreft de werkzaamheden met</para>
      <para>betrekking tot het ontwikkelen van een</para>
      <para>bedrijfsinformatiesysteem.</para>
      <para>Het staat dan ook vast dat de werkloosheid van de heer A</para>
      <para>eindigde voorzover hij activiteiten ten behoeve van zijn eigen</para>
      <para>bedrijf verrichtte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter bepaling van de omvang van die activiteiten deed zich het</para>
      <para>probleem voor dat het achteraf zeer moeilijk vast te stellen is</para>
      <para>hoeveel uren daadwerkelijk gewerkt zijn.</para>
      <para>De heer A is er, ondanks herhaalde verzoeken, niet in geslaagd</para>
      <para>een indicatie te geven van het werkelijke aantal gewerkte uren.</para>
      <para>Nu de heer A, ten behoeve van de Belastingdienst, heeft aangegeven</para>
      <para>dat hij tenminste 1225 uren, op jaarbasis, in zijn</para>
      <para>bedrijf werkzaam was is het alleszins redelijk ook bij het</para>
      <para>bepalen van de omvang van de werkloosheid van dat aantal uren</para>
      <para>uit te gaan.</para>
      <para>De heer A heeft op geen enkele manier aannemelijk kunnen maken</para>
      <para>dat hij een geringer aantal uren aan zijn bedrijf besteedde. De</para>
      <para>opmerking dat vele van die uren 's-avonds en in het week-end</para>
      <para>vielen is voor de vaststelling van het recht op uitkering niet relevant.</para>
      <para>Voorzover er aan de redelijkheid van de vaststelling van het</para>
      <para>aantal uren van 1225 op jaarbasis getwijfeld zou moeten worden,</para>
      <para>hetgeen dezerzijds ontkend blijft, kan deze twijfel niet tot voordeel van de heer A</para>
      <para>strekken omdat hij, door van zijn werkzaamheden geen melding te</para>
      <para>maken op de werkbriefjes, deze situatie zelf veroorzaakt heeft.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan de strekking van het hiervoor weergegeven betoog</para>
      <para>geheel onderschrijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen gedaagde ter zitting van de Raad heeft meegedeeld</para>
      <para>omtrent zijn activiteiten ten behoeve van zijn bedrijf X heeft</para>
      <para>de Raad er niet van overtuigd dat gedaagde, zoals de rechtbank</para>
      <para>heeft aangenomen, eerst in oktober 1992 activiteiten als</para>
      <para>zelfstandige zou hebben ontplooid.</para>
      <para>De Raad acht hierbij van belang dat gedaagde het onderhavige</para>
      <para>bedrijf op 6 maart 1991 bij de Kamer van Koophandel heeft doen</para>
      <para>inschrijven, door middel van een wijziging van een bestaand</para>
      <para>bedrijf, op een moment dat hij problemen had met zijn</para>
      <para>toenmalige werkgever en het er naar uitzag dat ontslag zou</para>
      <para>volgen. Anders dan gedaagde ter zitting van de Raad heeft</para>
      <para>betoogd is niet gebleken dat hij actief bezig was om</para>
      <para>werkzaamheden in loondienst te verwerven, zodat ook in zoverre</para>
      <para>de door appellant in zijn aanvullend beroepschrift terecht</para>
      <para>gehanteerde vooronderstelling niet is aangetast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad gaat er dan ook met appellant vanuit dat alle</para>
      <para>activiteiten van gedaagde erop waren gericht om het bedrijf X</para>
      <para>van start te doen gaan. En het is ook in dat kader geweest dat</para>
      <para>gedaagde, zoals hij zelf heeft verklaard, een</para>
      <para>bedrijfsinformatiesysteem heeft ontwikkeld. Dat die</para>
      <para>ontwikkeling tamelijk arbeidsintensief was en in ieder geval</para>
      <para>niet op korte termijn omzet genereerde, neemt niet weg dat de</para>
      <para>ontwikkeling plaatsvond ten behoeve van het bedrijf, zodat de</para>
      <para>daaraan verbonden werkzaamheden door appellant terecht zijn</para>
      <para>aangemerkt als werkzaamheden, als bedoeld in artikel 16, tweede</para>
      <para>lid, tweede volzin, van de WW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad wijst er hierbij op dat de rechtbank een onjuist</para>
      <para>criterium heeft gehanteerd door als eis te stellen dat met de</para>
      <para>te verrichten activiteiten op dat moment daadwerkelijk omzet</para>
      <para>moet kunnen worden gegenereerd. Alvorens omzet kan worden</para>
      <para>behaald, zal een zelfstandige veelal diverse arbeidsintensieve</para>
      <para>activiteiten moeten ontplooien, waarbij de Raad denkt aan</para>
      <para>bijvoorbeeld het verzorgen van financiering en huisvesting, het</para>
      <para>doen van investeringen in bedrijfsmiddelen en acquisitie. Al</para>
      <para>die activiteiten, die het stadium van het zich oriënteren op</para>
      <para>vestiging als zelfstandige duidelijk te boven gaan, zijn aan te</para>
      <para>merken als activiteiten waarmee, volgens de in het</para>
      <para>maatschappelijk verkeer geldende normen, het verkrijgen van</para>
      <para>enig geldelijk voordeel redelijkerwijs kan worden verwacht en</para>
      <para>voldoen daarmee aan de door de Raad gehanteerde</para>
      <para>begripsomschrijving van werkzaamheden, als bedoeld in artikel</para>
      <para>16, tweede lid, tweede volzin van de WW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat appellant terecht de</para>
      <para>WW-uitkering van gedaagde op de in de gedingstukken aangegeven</para>
      <para>wijze alsnog gedeeltelijk heeft beëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is voorts van oordeel dat appellant zich terecht op het</para>
      <para>standpunt heeft gesteld dat door toedoen van gedaagde over de</para>
      <para>in geding zijnde periode onverschuldigd WW-uitkering is betaald</para>
      <para>en wel tot een totaal bedrag van f 34.232,63. De Raad wijst er</para>
      <para>in dit verband op dat gedaagde van zijn activiteiten geen</para>
      <para>melding heeft gemaakt op de door hem ingevulde werkbriefjes.</para>
      <para>Gedaagde heeft zijn ter zitting van de Raad geponeerde stelling</para>
      <para>dat hij de correspondent C, bij wie hij de werkbriefjes</para>
      <para>inleverde, wel mondeling op de hoogte had gesteld van zijn</para>
      <para>activiteiten, niet aannemelijk gemaakt, zodat de Raad daaraan</para>
      <para>verder voorbij zal gaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het bepaalde in artikel 36, eerste lid, onder a, van</para>
      <para>de WW is appellant derhalve bevoegd de onverschuldigd betaalde</para>
      <para>uitkering geheel of gedeeltelijk van gedaagde terug te vorderen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is voorts van oordeel dat het besluit van appellant om</para>
      <para>van die discretionaire bevoegdheid gebruik te maken door</para>
      <para>genoemd bedrag volledig terug te vorderen de rechterlijke</para>
      <para>toetsing kan doorstaan. Hierbij heeft de Raad in aanmerking</para>
      <para>genomen dat gedaagde gedurende lange tijd zijn werkbriefjes in</para>
      <para>strijd met de waarheid heeft ingevuld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien hetgeen hiervoor is overwogen dient het bestreden</para>
      <para>besluit in rechte stand te houden, zodat dit besluit ten</para>
      <para>onrechte door de rechtbank is vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
      <para>het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en</para>
      <para>mr J.C.F. Talman en mr Th.C. van Sloten als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van D. Nebbeling als griffier en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 23 februari 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para>(get.) D. Nebbeling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Q.</para>
      <para>JdB</para>
      <para>0502</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>