<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:AA4804</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T16:36:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA4804</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-11-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/1810 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:5&amp;g=1999-11-18">Algemene wet bestuursrecht 1:5</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:2&amp;g=1999-11-18">Algemene wet bestuursrecht 7:2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006530&amp;artikel=39&amp;g=1999-11-18">Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren 39</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0008365&amp;artikel=1&amp;g=1999-11-18">Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren 1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0008365&amp;artikel=1&amp;g=1999-11-18">Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren 1</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 2000/9 met annotatie van P.P.T. Bovend'Eert</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2000/76</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:AA4804">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:AA4804</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:58:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">1999-11-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:AA4804 Centrale Raad van Beroep , 18-11-1999 / 98/1810 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:AA4804:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:AA4804:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/1810 AW</para>
    <para />
    <para />
    <para>	U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>mr A, wonende te B, eiseres,</para>
    <para />
    <para>	en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Minister van Justitie, verweerder I,</para>
      <para>de President van de Arrondissementsrechtbank te Roermond, verweerder II.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 30 januari 1998 heeft verweerder I het door eiseres gemaakte bezwaar </para>
      <para>tegen de ten aanzien van haar over de periode januari tot en met oktober 1996 door </para>
      <para>verweerder II vastgestelde beoordeling, na aanvulling daarvan, ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft op daartoe bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden beroep </para>
      <para>tegen dat besluit ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder I heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend en nadien desgevraagd </para>
      <para>nog nadere stukken ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder II heeft bij schrijven van 7 juli 1999 desgevraagd bericht het bestreden </para>
      <para>besluit, indien nodig, voor zijn rekening te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 7 oktober 1999 waar eiseres in persoon is </para>
      <para>verschenen, bijgestaan door mr C.M.H.T. Fleurkens, verbonden aan ABVAKABO. </para>
      <para>Verweerder I heeft zich doen vertegenwoordigen door R. Chardet, werkzaam bij het </para>
      <para>Ministerie van Justitie. Verweerder II, mr G.A.M. Stevens, is in persoon verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres, destijds universitair docent, is bij Koninklijk Besluit van 25 augustus 1993 </para>
      <para>benoemd tot rechter-plaatsvervanger in de Arrondissementsrechtbank te Roermond. </para>
      <para>Als zodanig was zij voor één dan wel twee dagen per week werkzaam bij </para>
      <para>achtereenvolgens de handelskamer en de familiekamer. Bij Koninklijk Besluit van 22 </para>
      <para>december 1995 is eiseres met ingang van 1 januari 1996 voor 32 uur per week </para>
      <para>benoemd tot gerechtsauditeur. Deze benoeming vond plaats nadat eiseres van de </para>
      <para>commissie aantrekken leden rechterlijke macht het "groene licht" had gekregen om als </para>
      <para>zogeheten "buitenstaander" in opleiding te worden genomen. Met ingang van </para>
      <para>evengenoemde datum is haar opleiding in de strafsector aangevangen, met dien </para>
      <para>verstande dat zij in de maanden januari en februari 1996 nog voor ongeveer 50% van </para>
      <para>haar werktijd heeft gewerkt ten behoeve van de familiekamer. </para>
      <para>Op 30 juli 1996 heeft een gesprek plaatsgevonden waarbij haar functioneren in de </para>
      <para>strafsector aan de orde is gesteld en waarbij haar te verstaan is gegeven dat ze nog </para>
      <para>niet toe was aan het zelfstandig doen van politierechterzittingen. In verband daarmee </para>
      <para>is het aanvankelijk geplande zittingrooster aangepast. Op 16 oktober 1996 heeft een </para>
      <para>functioneringsgesprek plaatsgevonden, waarbij aan de hand van de </para>
      <para>beoordelingscriteria van het zogenaamde Middelburgs beoordelingsstatuut de </para>
      <para>verschillende aspecten van haar functioneren zijn besproken. Korte tijd nadien heeft zij </para>
      <para>vakantie opgenomen en aansluitend heeft zij zich ziek gemeld. Op 23 december 1996 </para>
      <para>is een beoordeling opgemaakt met als eindconclusie dat het functioneren in de </para>
      <para>strafsector in zijn totaliteit als onvoldoende wordt gewaardeerd. Na schriftelijke reactie </para>
      <para>van de opleiders, de opleidingscoördinator en de sectorvoorzitter van de strafsector en </para>
      <para>na bespreking van de door eiseres ingebrachte opmerkingen heeft verweerder II op 1 </para>
      <para>mei 1997 de beoordeling ongewijzigd vastgesteld. </para>
      <para>Bij het thans bestreden besluit van 30 januari 1998 heeft verweerder I de bezwaren </para>
      <para>van eiseres tegen deze beoordeling -na aanvulling van die beoordeling met </para>
      <para>waarderings-codes- ongegrond verklaard, tegen welk besluit eiseres tijdig beroep heeft </para>
      <para>ingesteld bij de Raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding is primair aan de orde de vraag of verweerder I bevoegdelijk heeft beslist </para>
      <para>op het bezwaar van eiseres tegen de door verweerder II vastgestelde beoordeling. </para>
      <para>De Raad beantwoordt die vraag ontkennend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres is met toepassing van artikel 108, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke </para>
      <para>organisatie (Wet RO) op voordracht van de Minister van Justitie door de Kroon </para>
      <para>benoemd tot gerechtsauditeur.</para>
      <para>Als gerechtsauditeur hoort zij tot de rechterlijke ambtenaren en geldt de president van </para>
      <para>de rechtbank voor haar als functionele autoriteit (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder </para>
      <para>b, respectievelijk tweede lid, aanhef en onder b van de Wet rechtspositie rechterlijke </para>
      <para>ambtenaren (Wrra), zoals die wet luidde ten tijde van belang).</para>
      <para>Op grond van de tot 1 januari 1997 geldende tekst van artikel 39 van het Besluit </para>
      <para>rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Brra) was onder meer artikel 71 van het </para>
      <para>Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) ten aanzien van niet voor het leven </para>
      <para>benoemde rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing; blijkens artikel </para>
      <para>39 van het met ingang van 1 januari 1997 gewijzigde Brra is sedertdien het op artikel </para>
      <para>125 onder l (voordien j) steunende hoofdstuk VIIA van het ARAR, met daarin artikel 71 </para>
      <para>ARAR met bepalingen over beoordeling, niet langer van overeenkomstige toepassing. </para>
      <para>Bij gebreke van regeling in het Brra zelf was dus voor eiseres als gerechtsauditeur </para>
      <para>(evenals voor de voor het leven benoemde leden van de rechterlijke macht) sedert 1 </para>
      <para>januari 1997 geen voorschrift aanwijsbaar dat een directe grondslag biedt voor </para>
      <para>beoordeling en de daarbij in acht te nemen procedurevoorschriften. </para>
      <para>Een en ander betekent naar het oordeel van de Raad evenwel niet dat een </para>
      <para>gerechtsauditeur sedert 1 januari 1997 niet langer met het oog op een verantwoorde </para>
      <para>voorbereiding van zich aandienende beheersbeslissingen beoordeeld zou kunnen </para>
      <para>worden. Nog daargelaten dat de beoordeling in casu op 23 december 1996 is </para>
      <para>opgemaakt heeft verweerder II zich als functionele autoriteit in het kader van de </para>
      <para>opleiding van eiseres terecht bevoegd geacht ook na 1 januari 1997 een beoordeling </para>
      <para>(te doen opmaken en deze) vast te stellen. De Raad is tevens van oordeel dat </para>
      <para>verweerder II, bij gebreke van een direct toepasselijk beoordelingsvoorschrift, die </para>
      <para>beoordeling heeft kunnen (doen) uitvoeren met overeenkomstige toepassing van het </para>
      <para>bij de gerechten ook overigens gebruikelijke Beoordelingsvoorschrift Ministerie van </para>
      <para>Justitie 1987.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gegeven dat het analoog toegepaste beoordelingsvoorschrift de Minister van </para>
      <para>Justitie aanwijst als bevoegd gezag en in artikel 8 bepaalt dat het bevoegd gezag </para>
      <para>beslist op bezwaren tegen een vastgestelde beoordeling kan evenwel niet </para>
      <para>bewerkstelligen dat ten aanzien van een gerechtsauditeur de Minister van Justitie kan </para>
      <para>gelden als tot het nemen van besluiten op bezwaar bevoegd gezag. Ten tijde van de </para>
      <para>bestreden beslissing gold deze bepaling immers niet meer als een -verbindend- </para>
      <para>voorschrift waarop verweerder I zijn bevoegdheid in gevallen als deze mogelijk kon </para>
      <para>doen berusten. Het aannemen van een zodanige bevoegdheid is bovendien bij het </para>
      <para>licht ook van de bijzondere staatsrechtelijke positie van rechterlijke ambtenaren niet </para>
      <para>wel te verenigen met de strekking van de Wrra. </para>
      <para>Gegeven de (bevoegdheid tot) vaststelling van de beoordeling door de president en bij </para>
      <para>gebreke van een toepasselijk andersluidend voorschrift, is ingevolge de hoofdregel </para>
      <para>van artikel 1:5 van de Awb in verbinding met afdeling 7.2 van de Algemene wet </para>
      <para>bestuursrecht (Awb) de president bevoegd tot het beslissen op de bezwaren tegen een </para>
      <para>door hem vastgestelde beoordeling. </para>
      <para>Het bestreden besluit van 30 januari 1998 van verweerder I kan derhalve niet in stand </para>
      <para>blijven en dient te worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gegeven de schriftelijk verklaring van verweerder II van 7 juli 1999 dat hij het besluit </para>
      <para>van verweerder I van 30 januari 1998 voor zijn rekening neemt, zal de Raad met </para>
      <para>instemming van eiseres en om redenen van proceseconomie het beroep aanmerken </para>
      <para>als mede te zijn gericht tegen het besluit van verweerder II en zich uitspreken over het </para>
      <para>geschil dat partijen verdeeld houdt, te weten of de ten aanzien van eiseres na bezwaar </para>
      <para>gehandhaafde beoordeling op onvoldoende gronden berust.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De grieven van eiseres betreffen (a) het gegeven dat de adviescommissie buiten haar </para>
      <para>bevoegdheid is getreden door waarderingscodes toe te kennen, (b) dat de beoordeling </para>
      <para>onzorgvuldig is omdat er geen opleidingsplan was en de functie-eisen niet vooraf </para>
      <para>bekend waren, (c) dat er geen rekening mee is gehouden dat zij bovenmatig werd </para>
      <para>belast, (d) dat zij vanwege het "uithelpen" van de familiesector geen kans heeft gehad </para>
      <para>zich van meet af aan ten volle op het strafrecht te richten, (e) dat haar fysieke conditie </para>
      <para>slecht was, (f) dat anders dan in de beoordeling is vermeld geen sprake was van een </para>
      <para>langere dan normale opleidingsperiode, (g) dat er ten onrechte een vergelijking is </para>
      <para>gemaakt met het functioneren van RAIO's, (h) dat de beoordeling onvoldoende </para>
      <para>concreet is en (i) dat er geen sprake was van het bij herhaling niet nakomen van </para>
      <para>auditeerafspraken maar van één geval, waarbij sprake was van een misverstand. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet geen aanleiding de beoordeling aan te tasten op grond van het na </para>
      <para>bezwaar toevoegen van waarderingscodes. Deze vormen immers op zichzelf, los van </para>
      <para>de inhoudelijke juistheid, een adequate vertaling van de na bezwaar ongewijzigd </para>
      <para>gebleven verbale omschrijvingen; deze aan het primaire besluit klevende omissie kon </para>
      <para>ook in bezwaar worden hersteld. </para>
      <para>Wat betreft de slechte fysieke conditie van eiseres acht ook de Raad van belang dat </para>
      <para>eiseres daarvan in de beoordelingsperiode geen melding heeft gemaakt en dat een </para>
      <para>minder goede gezondheidstoestand er overigens niet toe kan leiden dat in het kader </para>
      <para>van de beoordeling van de functievervulling lagere functie-eisen worden gehanteerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat op het beoordelingsformulier als relevante omstandigheid is </para>
      <para>vermeld dat eiseres in december 1995 onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zich </para>
      <para>voor te bereiden op de werkzaamheden in de strafsector en dat zij gedurende de </para>
      <para>maanden januari en februari (1996) nog werkzaamheden voor de familiesector heeft </para>
      <para>verricht. Die omstandigheden zijn derhalve reeds in beschouwing genomen bij de </para>
      <para>vaststelling van de beoordeling.</para>
      <para>De Raad stelt voorts vast dat uit de gedingstukken blijkt dat eiseres niet ontkent dat zij </para>
      <para>in de beoordelingsperiode in strafrechtelijke kennis tekort schoot en ook -naar blijkt uit </para>
      <para>het verslag van het functioneringsgesprek van 16 oktober 1996 en haar reactie </para>
      <para>daarop- dat zij zich nog niet in staat achtte om zelfstandig politierechterzittingen te </para>
      <para>leiden, zodat niet kan worden gezegd dat de gegeven waarderingen in zoverre op </para>
      <para>onvoldoende gronden berusten. De Raad heeft daarnaast vastgesteld dat de gegeven </para>
      <para>kwalificaties worden gedragen door alle rechters van de strafsector. </para>
      <para>De overige bezwaren en tevens de kern van de bezwaren van eiseres zijn naar de </para>
      <para>Raad begrijpt dan ook gelegen in de opvatting dat er te zware eisen aan haar zijn </para>
      <para>gesteld, dat zij niet op de hoogte was van die eisen en dat haar meer tijd had moeten </para>
      <para>worden gegund om aan de eisen te voldoen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien de gedingstukken en gehoord hetgeen verweerder II ter zitting desgevraagd </para>
      <para>heeft uiteengezet en toegelicht komt de Raad tot het oordeel dat deze grieven geen </para>
      <para>doel treffen. Voordat eiseres werd benoemd tot gerechtsauditeur heeft verweerder II </para>
      <para>met haar gesproken, waarbij zij er zelf voor heeft gekozen haar opleiding te vervolgen </para>
      <para>in de strafsector. Naar verweerder II ter zitting heeft verklaard is daarbij een </para>
      <para>opleidingsduur van één jaar ter sprake geweest. Ook met beide </para>
      <para>opleiders/beoordelaars is vooraf gesproken. Indien er desondanks onvoldoende </para>
      <para>duidelijkheid was omtrent de eisen en het tijdstip waarop zij daaraan moest voldoen </para>
      <para>had het op de weg van eiseres gelegen om tijdig om de gewenste duidelijkheid te </para>
      <para>vragen. </para>
      <para>De Raad heeft voorts geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat voor </para>
      <para>eiseres -tot de uitroostering voor de politierechterzittingen eind juli 1996- een ander </para>
      <para>dan het voor gerechtsauditeurs gebruikelijke opleidingsprogramma en andere dan de </para>
      <para>gebruikelijke eisen hebben gegolden. Ook wat betreft de netto opleidingstijd verschilt </para>
      <para>de situatie van eiseres niet van die van anderen, die immers evenzeer op gezette </para>
      <para>tijden verlof genieten. Tenslotte heeft eiseres zelf de opleiding bekort door enkele </para>
      <para>weken na het functioneringsgesprek van oktober 1996 de conclusie te trekken dat </para>
      <para>voortzetting van de opleiding niet zinvol was. Weliswaar heeft verweerder II </para>
      <para>toegegeven dat het achteraf bezien niet zo gelukkig is geweest eiseres te vragen de </para>
      <para>familiesector "uit te helpen", maar de Raad is niet tot de overtuiging kunnen komen dat </para>
      <para>dit gegeven </para>
      <para>-dat geacht moet worden in de beoordeling te zijn verdisconteerd- als overwegende </para>
      <para>oorzaak aangewezen kan worden voor de onvoldoende beoordeling. Datzelfde geldt </para>
      <para>voor een eventueel misverstand over een auditeerafspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande leidt er toe dat de in geding zijnde vraag ontkennend moet worden </para>
      <para>beantwoord en dat het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder II </para>
      <para>ongegrond dient te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad vindt in het vorenstaande aanleiding verweerder I te veroordelen in de </para>
      <para>proceskosten van eiseres ten bedrage van f 710,- aan kosten voor rechtskundige </para>
      <para>bijstand. </para>
      <para>Tevens dient aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van f 210,- te </para>
      <para>worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist is als hierna vermeld.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 januari 1998 van verweerder I gegrond </para>
      <para>en vernietigt dat besluit;</para>
      <para>Veroordeelt verweerder I in de proceskosten van eiseres ten bedrage van f 710,- te </para>
      <para>betalen door de Staat der Nederlanden;</para>
      <para>Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het griffierecht ten bedrage van </para>
      <para>f 210,- vergoedt;</para>
      <para>Verklaart het beroep tegen het besluit van verweerder II ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-</para>
      <para>Jonkers en mr J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr A.W.M. van </para>
      <para>Bommel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 november 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>                        (get.) W. van den Brink.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>                        (get.) A.W.M. van Bommel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>26.10</para>
      <para>Q</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>