<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:AA4604</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T16:36:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA4604</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-11-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/6183 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:3&amp;g=1999-11-18">Algemene wet bestuursrecht 1:3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:12&amp;g=1999-11-18">Algemene wet bestuursrecht 7:12</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;g=1999-11-18">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001947&amp;g=1999-11-18">Ambtenarenwet</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 2000/7</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:AA4604">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:AA4604</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:57:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-08-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:AA4604 Centrale Raad van Beroep , 18-11-1999 / 97/6183 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:AA4604:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:AA4604:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/6183 AW</para>
    <para />
    <para>	U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para> in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente  C, appellant,</para>
    <para />
    <para>	en</para>
    <para />
    <para>mr A, wonende te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para> I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <para>Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde  gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de  Arrondissementsrechtbank te Zwolle op 17 juni 1997 onder nr. AWB  96/4697 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Namens appellant is een nadere memorie aan de Raad gezonden.  Voorts is desgevraagd nog een aanvullend bericht (met bijlagen) aan  de Raad toegezonden.</para>
    <para />
    <para>Het geding is behandeld ter zitting van 14 oktober 1999, waar appellant  zich heeft laten vertegenwoordigen door F.J. Kragten, verbonden aan  Kragten &amp; Partner Beilen BV, en waar gedaagde is verschenen bij haar  gemachtigde mr I.M.A. Bruls-van Strien, advocaat te Maarssen.</para>
    <para />
    <para> II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <para>Voor een uitgebreide weergave van de voor dit geding relevante feiten  verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met  het volgende. Bij schrijven van 25 september 1995 heeft appellant aan gedaagde,  destijds werkzaam bij het bureau VROM van de gemeente IJsselham,  medegedeeld dat hij - in verband met de invoering met terugwerkende  kracht tot 1 januari 1994 van een zogenaamd drierangenstelsel en het  in verband daarmee opnieuw waarderen van de functies - besloten had  de waardering van haar functie vast te stellen overeenkomstig de bij  dat schrijven gevoegde bijlage. Tevens bevatte dat schrijven de  passage: "Bij uw benoeming per 15 juli 1994 zijn afspraken gemaakt met  betrekking tot een loopbaanbegeleiding, gebaseerd op een  geïndiceerd funktioneel niveau VIII. Deze afspraken blijven  onverbindend (lees: onverminderd) van kracht. Het nieuwe  vastgestelde funktieniveau zal u worden toegekend op het moment  dat er sprake is van een normale en volledige funktievervulling. De  toetsing hiervan zal de komende periode plaatsvinden."</para>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Daarin heeft  zij gesteld dat haar bezwaar niet is gericht tegen de functiewaardering,  maar tegen het besluit haar niet (met terugwerkende kracht) in te  schalen in een hogere (aanloop)schaal, corresponderend met de uit de  nieuwe functiewaardering voortvloeiende hogere functieschaal. Bij beslissing op bezwaar van 14 mei 1996 heeft appellant het bezwaar  van gedaagde ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond  verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opdracht gegeven een  nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en bepalingen gegeven  omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.</para>
    <para />
    <para>Appellant kan zich niet met die uitspraak verenigen. Hij heeft in het  bijzonder doen stellen dat het schrijven van 25 september 1995,  behoudens het besluit tot vaststelling van de waardering van  gedaagdes functie, geen besluit bevat. Daarom is het bezwaar van  gedaagde naar appellants oordeel terecht ongegrond verklaard. In het  door gedaagde bestreden besluit is dit als volgt gemotiveerd: "Met de commissie zijn wij ook van oordeel, dat uw gronden van  bezwaar geen (enkele) relatie hebben met de publiekrechtelijke  rechtshandeling in de beschikking van 25 september 1995. Uw  gronden treden buiten dat in bezwaar betrokken besluit. Enig ander  besluit of beschikking in de zin van de wet is niet in onze brief van 25  september 1995 neergelegd. De door u ingebrachte bezwaren,  alsmede het verhandelde tijdens de hoorzitting, kunnen dan ook niet  leiden tot een andere (waarderings)beschikking dan die van 25  september 1995; noch leiden zij daar overigens op andere gronden  toe."</para>
    <para />
    <para>De Raad kan appellant niet volgen. Hij is van oordeel dat de tekst van  het schrijven van 25 september 1995, naast het besluit tot vaststelling  van de waardering van gedaagdes functie, een beslissing inhoudt  betreffende de financile rechtspositie van gedaagde. Een dergelijke  beslissing behoorde ook te worden genomen. Het besluit tot  waardering van de functie vond plaats in het kader van het beleid om  met terugwerkende kracht tot 1 januari 1994 een drierangenstelsel in te  voeren voor alle ambtenaren van de gemeente. De uitkomst van de  waardering moest dus gepaard gaan met enige beslissing betreffende  de consequentie van de waardering voor de salarisindeling. Daartoe  was in het geval van gedaagde te meer aanleiding omdat sprake was  van een hogere waardering. Omdat aldus door gedaagde bezwaar is  gemaakt tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de  Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarbij haar belang rechtstreeks  betrokken is, had appellant ingevolge artikel 7:12 van de Awb op dat  bezwaar een beslissing moeten nemen die gedragen wordt door een  deugdelijke (inhoudelijke) motivering. De ongegrondverklaring van  gedaagdes bezwaar berust niet op een dergelijke motivering. Het  door gedaagde bestreden besluit kan derhalve in rechte geen stand  houden. De aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank tot ditzelfde  oordeel is gekomen, moet (in zoverre) worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>De Raad merkt nog op dat hij in de zeer omvangrijke overwegingen  ten overvloede geen partijen bindende overwegingen ziet. </para>
    <para />
    <para>De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding om appellant met  toepasssing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de  proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot  f 1.420,- wegens verleende rechtsbijstand. Gelet op artikel 22 van de  Beroepswet moet van de gemeente IJsselham een griffierecht  worden geheven van  f 675,-.</para>
    <para />
    <para>Beslist wordt daarom als volgt. </para>
    <para />
    <para> III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;  Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger  beroep tot een bedrag van f 1.420,-, te betalen door de gemeente  IJsselham; Bepaalt dat van de gemeente IJsselham een griffierecht wordt geheven  van f 675,-.</para>
    <para />
    <para>Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter, en mr  G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr A. Beuker-Tilstra als leden, in  tegenwoordigheid van A. Bach Kolling als griffier, en uitgesproken in  het openbaar op 18 november 1999.</para>
    <para />
    <para>                      (get.) H.A.A.G. Vermeulen.</para>
    <para />
    <para>                      (get.) A. Bach Kolling. HD 03.11 Q</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>