<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1999:AA3726</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:24:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3726</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG8577</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-07-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/11249 AAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1999-07-30">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002565&amp;g=1999-07-30">Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/269 met annotatie van Redactie</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1999/232</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:AA3726">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:AA3726</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-03-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1999:AA3726 Centrale Raad van Beroep , 30-07-1999 / 96/11249 AAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1999:AA3726:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1999:AA3726:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>426 / E N K E L V O U D I G E  K A M E R</para>
    <para />
    <para>96/11249 AAW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de</para>
      <para>plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige</para>
      <para>geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene</para>
      <para>Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder appellant</para>
      <para>tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde</para>
      <para>gronden in hoger beroep gekomen van een door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Alkmaar onder dagtekening 29</para>
      <para>oktober 1996 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen</para>
      <para>uitspraak). Die uitspraak houdt in:</para>
      <para>- gegrondverklaring van gedaagdes beroep tegen het besluit van</para>
      <para>appellant van 10 januari 1996 en vernietiging van dat besluit;</para>
      <para>- veroordeling van appellant in de proceskosten van gedaagde</para>
      <para>en tot vergoeding van het door gedaagde betaalde griffierecht;</para>
      <para>- veroordeling van appellant tot schadevergoeding bestaande</para>
      <para>uit de wettelijke rente over ten onrechte niet betaalde</para>
      <para>uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet</para>
      <para>(AAW), berekend over de maandelijkse uitkeringstermijnen vanaf</para>
      <para>1 september 1982.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht,</para>
      <para>op 27 april 1999 een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 mei 1999,</para>
      <para>waar appellant -daartoe opgeroepen- zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr E.G. van Roest, werkzaam bij Gak</para>
      <para>Nederland B.V., terwijl gedaagde -als tevoren</para>
      <para>bericht- niet is verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan gedaagde is bij beslissing van 26 augustus 1982 per</para>
      <para>......... 1982, de datum van zijn achttiende verjaardag, een</para>
      <para>AAW-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80</para>
      <para>tot 100% toegekend. Op 30 januari 1995 heeft de vader van</para>
      <para>gedaagde verzocht om de grondslag van gedaagdes uitkering met</para>
      <para>toepassing van artikel 13 van de AAW te verhogen, zulks met</para>
      <para>terugwerkende kracht tot 5 augustus 1982.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 10 januari 1996 heeft appellant dat verzoek</para>
      <para>gehonoreerd door verhoging van de uitkering naar 100% van de</para>
      <para>grondslag ingaande 30 januari 1994, zijnde een jaar vóór de</para>
      <para>datum van de aanvraag. Tegen dat besluit is namens gedaagde</para>
      <para>beroep ingesteld. Hangende het beroep is appellant bij besluit</para>
      <para>van 3 september 1996 van zijn besluit van 10 januari 1996</para>
      <para>teruggekomen, waarbij is besloten om de verhoging van de</para>
      <para>uitkering alsnog te laten ingaan op 5 augustus 1982.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak beslist als</para>
      <para>aangegeven in rubriek I.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is tegen die uitspraak in hoger beroep gekomen.</para>
      <para>Onder verwijzing naar de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek</para>
      <para>stelt appellant zich op het standpunt dat de wettelijke rente</para>
      <para>pas verschuldigd kan zijn na schriftelijke aanmaning. Nu pas</para>
      <para>op 13 mei 1996 een aanmaning heeft plaatsgevonden, bestaat</para>
      <para>volgens appellant pas vanaf 1 juni 1996 een gehoudenheid om</para>
      <para>rente te vergoeden.</para>
      <para>Namens gedaagde is in het verweerschrift betoogd dat het</para>
      <para>besluit van 10 januari 1996 de onrechtmatige beschikking is</para>
      <para>welke schade ten gevolge heeft en niet de beslissing van 26</para>
      <para>augustus 1982, aangezien laatstgenoemde beslissing geen</para>
      <para>verzoek om toepassing van artikel 13 van de AAW betrof en</para>
      <para>daartegen destijds ook geen beroep is ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad oordeelt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is er, gelet op de door haar gehanteerde datum</para>
      <para>vanaf welke de wettelijk rente wordt berekend, van uitgegaan</para>
      <para>dat appellant bij zijn besluit van 3 september 1996 is</para>
      <para>teruggekomen van zijn beslissing van 26 augustus 1982 en aldus</para>
      <para>de onrechtmatigheid van die beslissing heeft erkend. Appellant</para>
      <para>is het, blijkens hetgeen zijnerzijds in hoger beroep is</para>
      <para>aangevoerd, in zoverre wel met de rechtbank eens, doch komt op</para>
      <para>basis van voornoemd overgangsrecht tot een andere conclusie</para>
      <para>betreffende de ingangsdatum van de wettelijke rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan zich met de, door zowel de rechtbank als appellant</para>
      <para>gehuldigde zienswijze als zojuist omschreven, niet verenigen,</para>
      <para>waartoe hij in de eerste plaats heeft doen wegen dat in het</para>
      <para>besluit van 3 september 1996 uitdrukkelijk is aangegeven dat</para>
      <para>dit een herziening van het besluit van 10 januari 1996</para>
      <para>inhoudt. Naar het oordeel van de Raad ligt het in casu niet in</para>
      <para>de rede om het besluit van 3 september 1996 tevens te</para>
      <para>beschouwen als een terugkomen van de beslissing van 26</para>
      <para>augustus 1982. Uit de voorhanden gegevens kan namelijk niet</para>
      <para>worden afgeleid dat reeds in het kader van het nemen van die</para>
      <para>beslissing de mogelijkheid van verhoging van de uitkering</para>
      <para>wegens hulpbehoevendheid vanwege gedaagde aan de orde is</para>
      <para>gesteld en evenmin dat zulks destijds anderszins een punt van</para>
      <para>overweging is geweest of had moeten zijn. De Raad voegt</para>
      <para>daaraan toe dat ook uit de voorlegger, die aan het besluit van</para>
      <para>3 september 1996 ten grondslag ligt, niet is op te maken dat</para>
      <para>dat besluit ertoe strekte terug te komen van de beslissing van</para>
      <para>26 augustus 1982. Uit die voorlegger komt namelijk naar voren</para>
      <para>dat voor de uiteindelijke vaststelling van de ingangsdatum van</para>
      <para>de verhoging van de uitkering doorslaggevend is geweest dat</para>
      <para>appellant nader van mening is dat als gevolg van de frequente</para>
      <para>contacten, die vanaf 1982 in verband met diverse</para>
      <para>voorzieningenaanvragen hebben plaatsgevonden tussen</para>
      <para>medewerkers van de voormalige Gemeenschappelijke Medische</para>
      <para>Dienst en gedaagde, al (op een niet nader gepreciseerd</para>
      <para>tijdstip) vóór de aanvraag van 30 januari 1995 had kunnen</para>
      <para>worden onderkend dat er bij gedaagde sprake was van de voor de</para>
      <para>toepassing van artikel 13 van de AAW vereiste situatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aangevallen</para>
      <para>uitspraak wat betreft de datum vanaf welke appellant</para>
      <para>wettelijke rente is verschuldigd, niet in stand kan worden</para>
      <para>gelaten. Evenzeer volgt daaruit de onjuistheid van appellants</para>
      <para>standpunt dat de wettelijke rente, gelet op het bepaalde in de</para>
      <para>Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek, dient te worden vergoed</para>
      <para>vanaf een redelijke termijn na de schriftelijke aanmaning van</para>
      <para>13 mei 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de datum vanaf welke de wettelijke rente wel</para>
      <para>dient te worden vergoed stelt de Raad in de eerste plaats vast</para>
      <para>dat aan het besluit van 3 september 1996 valt te ontlenen dat</para>
      <para>appellant erkent dat zijn besluit van</para>
      <para>10 januari 1996 op het punt van de ingangsdatum van de</para>
      <para>verhoging als onrechtmatig is te beschouwen. Voorts overweegt</para>
      <para>de Raad dat appellant, gelet op het Besluit Beslistermijnen</para>
      <para>sociale zekerheid, zoals dat luidde ten tijde van de</para>
      <para>onderwerpelijke aanvraag (30 januari 1995), had moeten</para>
      <para>beslissen binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag. De</para>
      <para>Raad is derhalve van oordeel dat de wettelijke rente over de</para>
      <para>achterstallige verhoging van de uitkering is verschuldigd</para>
      <para>vanaf 1 juni 1995, zijnde de eerste dag na de maand in welke</para>
      <para>op gedaagdes aanvraag had moeten zijn beslist. Beslissende als</para>
      <para>de rechtbank had behoren te doen zal de Raad de ingangsdatum</para>
      <para>van de wettelijke rente dienovereenkomstig vaststellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel</para>
      <para>8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te</para>
      <para>veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep.</para>
      <para>Deze kosten worden begroot op f 710,-- aan kosten van</para>
      <para>rechtsbijstand. Andere op grond van dat artikel te vergoeden</para>
      <para>kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet</para>
      <para>gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt mitsdien als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
      <para>Recht doende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de</para>
      <para>datum vanaf welke appellant wettelijke rente is verschuldigd,</para>
      <para>is vastgesteld op 1 september 1982;</para>
      <para>Bepaalt de bedoelde datum op 1 juni 1995;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger</para>
      <para>beroep tot een bedrag groot f 710,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van</para>
      <para>mr F.W. Houtman als griffier en uitgesproken in het openbaar</para>
      <para>op 30 juli 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) Th.M. Schelfhout.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) F.W. Houtman.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>0608</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>