<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8043</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T19:16:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8043</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-12-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/4335 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=18&amp;g=1998-12-22">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1999, 82</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/49 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8043">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8043</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2008-09-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8043 Centrale Raad van Beroep , 22-12-1998 / 95/4335 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8043:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Maatmanarbeid; geschiktheid voor maatmanarbeid, rekening houden met niet-verzekerde arbeid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8043:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/4335 AAW/WAO</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats</para>
      <para>van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is</para>
      <para>het Lisv in de plaats getreden van de Grafische</para>
      <para>Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens</para>
      <para>verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is mr M.M.W.C. Slots-Schrijen, werkzaam bij de</para>
      <para>FNV Rechtskundige Dienst, op bij beroepschrift aangegeven gronden</para>
      <para>in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank te Maastricht</para>
      <para>onder dagtekening 16 mei 1995 tussen partijen gegeven uitspraak,</para>
      <para>waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 21 augustus 1995 heeft mr M.J. Klinkert, advocaat</para>
      <para>te Utrecht, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.</para>
      <para>Mr Klinkert heeft de gronden van het hoger beroep aangevuld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en daarbij nadere</para>
      <para>stukken overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 5 november 1996 heeft N.J.G. Kessels, bedrijfsarts</para>
      <para>RBB-Abp/USZO, desgevraagd informatie omtrent appellant verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Desgevraagd heeft de neuroloog dr J.J. Korten onder dagtekening</para>
      <para>15 januari 1997 van verslag en advies gediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 15 december 1997 heeft mr Klinkert de Raad bericht niet meer</para>
      <para>als gemachtigde van appellant op te treden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft een vraag beantwoord en een nader stuk in geding</para>
      <para>gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr P.H.H.J. Krijnen te Klimmen heeft als opvolgend gemachtigde</para>
      <para>van appellant appellants standpunt nader toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 mei 1998,</para>
      <para>waar appellant niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft</para>
      <para>doen vertegenwoordigen door mr H.J. Huntjens, werkzaam bij Gak</para>
      <para>Nederland B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is</para>
      <para>gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband</para>
      <para>waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens hebben partijen desgevraagd toestemming gegeven de</para>
      <para>behandeling van het geding ter zitting van de Raad achterwege te</para>
      <para>laten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant was in een voltijdse betrekking werkzaam bij het X.</para>
      <para>(X.) en verrichtte daarnaast gedurende twee uren per avond/nacht</para>
      <para>werkzaamheden op de expeditie van het Y. (Y.), toen hij op 24</para>
      <para>oktober 1988 zijn werkzaamheden in verband met rugklachten moest</para>
      <para>staken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit van 7 juni 1994 heeft gedaagde</para>
      <para>geweigerd aan appellant uitkeringen ingevolge de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder</para>
      <para>overweging dat appellant na afloop van de zogeheten wachttijd op</para>
      <para>5 november 1989 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden.</para>
      <para>De Raad overweegt daaromtrent het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant was voor het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>werkzaam in een combinatie van een buiten de WAO-verzekering</para>
      <para>vallende functie (bij het X.) met een functie waarvoor wel</para>
      <para>zodanige verzekering bestaat (zijn werkzaamheden bij het Y.). In</para>
      <para>een dergelijk geval dient, volgens vaste jurisprudentie, voor de</para>
      <para>toepassing van de WAO voor de bepaling van de maatman en het</para>
      <para>maatmaninkomen niet te worden uitgegaan van de combinatie van</para>
      <para>functies, maar uitsluitend van de functie waarvoor een</para>
      <para>WAO-verzekering bestaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zowel gedaagde als de rechtbank hebben derhalve voor de</para>
      <para>toepassing van de WAO terecht appellants werkzaamheden bij het</para>
      <para>Y. als zijn maatmanarbeid aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft voor de beoordeling van appellants aanspraken</para>
      <para>ingevolge de WAO ten onrechte overwogen dat appellant de</para>
      <para>wachttijd niet heeft volgemaakt, nu hij na 9 juli 1989 hersteld</para>
      <para>is verklaard voor zijn werkzaamheden bij het Y. De rechtbank ziet</para>
      <para>er daarbij aan voorbij dat het ontvangen van ziekengeld geen</para>
      <para>voorwaarde is voor het volbrengen van de wachttijd en dat de</para>
      <para>wachttijd ook kan worden volgemaakt door samentelling van</para>
      <para>perioden van arbeidsongeschiktheid, zoals bedoeld in het tweede</para>
      <para>lid van artikel 19 van de WAO.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad wijst er voorts op dat gedaagde er in het bestreden</para>
      <para>besluit zelf van uit gaat dat appellant de wachttijd heeft</para>
      <para>vervuld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de weigering van WAO door gedaagde ligt ten grondslag dat</para>
      <para>appellant op de in geding zijnde datum geschikt was om zijn</para>
      <para>maatmanarbeid te verrichten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad acht dit uitgangspunt van gedaagde juist.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens vaste jurisprudentie van de Raad rechtvaardigt</para>
      <para>geschiktheid voor de maatmanarbeid in beginsel de</para>
      <para>vooronderstelling dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>tenzij hervatting in de oude functie niet mogelijk is en zich in</para>
      <para>het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen welke de</para>
      <para>juistheid van die vooronderstelling aantasten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rapportage die de neuroloog Korten op 15 januari 1997 op</para>
      <para>verzoek van de Raad omtrent appellant heeft uitgebracht, biedt</para>
      <para>de Raad voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat</para>
      <para>appellant op de in geding zijnde datum, rekening houdend met de</para>
      <para>werkzaamheden bij het X. gedurende 6 uren per dag die hij op dat</para>
      <para>moment uitoefende, zijn eigen werk bij het Y. kon verrichten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van een uitzondering op de regel dat geschiktheid voor de</para>
      <para>maatmanarbeid met zich meebrengt dat geen sprake is van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid, is in het onderhavige geval geen sprake.</para>
      <para>Weliswaar was die arbeid voor appellant niet beschikbaar doordat</para>
      <para>hij per 1 oktober 1989 ontslag had genomen, maar dezelfde functie</para>
      <para>was nog op de arbeidsmarkt aanwijsbaar, namelijk appellants oude</para>
      <para>functie bij het Y.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu op de in geding zijnde datum bij appellant geen sprake was van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, komt de Raad tot het</para>
      <para>oordeel dat gedaagde appellant terecht een uitkering ingevolge</para>
      <para>die wet heeft geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden</para>
      <para>bevestigd voorzover daarbij de weigering van een uitkering</para>
      <para>ingevolge de WAO in stand is gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de beoordeling van de aanspraken van appellant ingevolge de</para>
      <para>AAW dient als maatmanarbeid te worden aangemerkt de combinatie</para>
      <para>van functies die appellant vóór het intreden van zijn</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid vervulde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zijn het erover eens dat appellant op de in geding</para>
      <para>zijnde datum niet in staat was die maatmanarbeid in zijn volle</para>
      <para>omvang te verrichten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De weigering van een AAW-uitkering bij het bestreden besluit</para>
      <para>berust op de grond dat appellant op de in geding zijnde datum in</para>
      <para>staat was de door hem op die datum feitelijk gedurende zes uren</para>
      <para>per dag bij het X. verrichte werkzaamheden te combineren met zijn</para>
      <para>arbeid bij het Y.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In een geval als het onderhavige, waarin het erom gaat de mate</para>
      <para>van arbeidsongeschiktheid vast te stellen van een verzekerde die</para>
      <para>niet geschikt wordt geacht zijn maatgevende werkzaamheden ten</para>
      <para>volle te verrichten, werd ten tijde hier van belang door de</para>
      <para>bedrijfsverenigingen één van beide, in 's Raads jurisprudentie</para>
      <para>aanvaarde, hierna kort weergegeven methoden gehanteerd ter</para>
      <para>bepaling van de resterende verdiencapaciteit van betrokkene:</para>
      <para>- of deze werd bepaald op hetgeen betrokkene met de door hem</para>
      <para>verrichte werkzaamheden feitelijk verdiende (indien althans die</para>
      <para>verdiensten een juiste afspiegeling van zijn resterende</para>
      <para>verdiencapaciteit vormden);</para>
      <para>- of deze werd bepaald op hetgeen de betrokkene theoretisch met</para>
      <para>passende functies in loondienst kan verdienen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat gedaagde in het geval van appellant - en</para>
      <para>zulks naar het oordeel van de Raad ten onrechte - niet één van</para>
      <para>deze beide methoden, maar een soort mengvorm daarvan heeft</para>
      <para>toegepast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, was appellant sedert 1</para>
      <para>oktober 1989 niet meer in dienst bij het Y., zodat voor hem op</para>
      <para>de datum in geding, 5 november 1989, niet de mogelijkheid bestond</para>
      <para>om zijn eigen werk als medewerker op de expeditie bij dit bedrijf</para>
      <para>te hervatten. Nu appellant deze voor hem passend geachte</para>
      <para>werkzaamheden naast zijn feitelijk gedurende zes uren per dag bij</para>
      <para>het X. verrichte werkzaamheden niet kon gaan vervullen - en</para>
      <para>derhalve ter bepaling van zijn resterende verdiencapaciteit niet</para>
      <para>kon worden uitgegaan van door hem feitelijk bij het Y. genoten</para>
      <para>inkomsten - had gedaagde volgens de hierboven als tweede gegeven</para>
      <para>regel appellants resterende verdiencapaciteit dienen vast te</para>
      <para>stellen aan de hand van hetgeen hij in een voldoende aantal</para>
      <para>concrete (combinaties van) passende functies op de datum in</para>
      <para>geding nog kon verdienen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door gedaagde gevolgde methode, die erop neerkomt dat de</para>
      <para>schatting is gebaseerd op slechts één combinatie van passende</para>
      <para>functies, biedt in het licht van 's Raads jurisprudentie een</para>
      <para>ontoereikende basis voor de bepaling van de mate van appellants</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid, in verband waarmee de weigering van een</para>
      <para>AAW-uitkering aan appellant als onvoldoende gemotiveerd dient te</para>
      <para>worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande vloeit voort dat de weigering van</para>
      <para>AAW-uitkering bij het bestreden besluit moet worden vernietigd,</para>
      <para>evenals de aangevallen uitspraak voorzover daarbij dat deel van</para>
      <para>het bestreden besluit in stand is gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde dient ter zake van appellants aanspraken ingevolge de</para>
      <para>AAW op de datum in geding een nader besluit te nemen met</para>
      <para>inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de</para>
      <para>proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze</para>
      <para>kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand</para>
      <para>in eerste aanleg en f 710,- voor verleende rechtsbijstand in</para>
      <para>hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde</para>
      <para>in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de</para>
      <para>Raad ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste</para>
      <para>aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde</para>
      <para>dient te worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij de</para>
      <para>weigering van een uitkering ingevolge de AAW in stand is gelaten,</para>
      <para>alsmede het bestreden besluit in zoverre;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde met betrekking tot appellants aanspraken</para>
      <para>ingevolge de AAW een nader besluit zal nemen met inachtneming van</para>
      <para>deze uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste</para>
      <para>aanleg tot een bedrag groot f 1.420,- en in hoger beroep tot een</para>
      <para>bedrag groot f 710,- ;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van</para>
      <para>f 200,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en mr M.M. van</para>
      <para>der Kade en mr R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>B.C. Rog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22</para>
      <para>december 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) K.J.S. Spaas.</para>
    <para />
    <para>(get.) B.C. Rog.</para>
    <para />
    <para>IS</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>