<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8030</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:25:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8030</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-12-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/3863 WVG</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=2&amp;g=1998-12-30">Wet voorzieningen gehandicapten 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=2&amp;g=1998-12-30">Wet voorzieningen gehandicapten 2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/60</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8030">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8030</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:55:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-03-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8030 Centrale Raad van Beroep , 30-12-1998 / 98/3863 WVG</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8030:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing verzoek woningaanpassing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8030:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/3863 WVG</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente</para>
      <para>Bladel, appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de erven van A, gedaagden.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 4 maart 1997 heeft appellant mededeling gedaan</para>
      <para>van een besluit op de namens A (nader te noemen betrokkene),</para>
      <para>geboren op .......... 1974 en overleden op ......... 1998,</para>
      <para>gedane aanvraag om hem ingevolge de Wet voorzieningen</para>
      <para>gehandicapten (WVG) en de op die wet gebaseerde Verordening</para>
      <para>Voorzieningen Gehandicapten gemeente Bladel 1996 (nader te</para>
      <para>noemen de Verordening) in aanmerking te brengen voor vergoeding</para>
      <para>van kosten van aanpassing van de woning van zijn ouders.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft de bezwaren van betrokkene tegen dat besluit</para>
      <para>bij het bestreden besluit van 2 juni 1997 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president van de Arrondissementsrechtbank te</para>
      <para>'s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 10 maart 1998 (de</para>
      <para>aangevallen uitspraak) naar aanleiding van een namens</para>
      <para>betrokkene in het kader van zijn beroep tegen het bestreden</para>
      <para>besluit gedaan verzoek om een voorlopige voorziening, dat</para>
      <para>beroep onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:86 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond verklaard, het</para>
      <para>bestreden besluit vernietigd, appellant opgedragen om een nieuw</para>
      <para>besluit te nemen en voorts het verzoek om een voorlopige</para>
      <para>voorziening afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is van die uitspraak, voor zover deze de toepassing</para>
      <para>van artikel 8:86 van de Awb betreft, op daartoe aangevoerde</para>
      <para>gronden in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens betrokkene heeft mr J.D. van Vlastuin, advocaat te</para>
      <para>Utrecht, bij schrijven van 28 september 1998 van verweer gediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27</para>
      <para>november 1998, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen</para>
      <para>door A. Borne, werkzaam bij de gemeente Bladel, alsmede drs</para>
      <para>W.J.M. Peters, werkzaam bij de Vereniging van Nederlandse</para>
      <para>Gemeenten en waar namens gedaagden is verschenen mr Van</para>
      <para>Vlastuin voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 6 januari 1997 is namens betrokkene, die destijds in</para>
      <para>comateuze toestand verbleef in een op grond van artikel 8 van</para>
      <para>de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) erkende</para>
      <para>instelling, de aanvraag gedaan om - met het oog op het</para>
      <para>regelmatig in het weekend kunnen bezoeken van zijn ouderlijk</para>
      <para>huis - in aanmerking te komen voor vergoeding van de kosten van</para>
      <para>aanbouw van een slaapkamer aan de woonkamer van die woning.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mede op basis van een door Zorgvoorzieningen Nederland N.V.</para>
      <para>uitgebracht advies is bij besluit van 5 maart 1997 die aanvraag</para>
      <para>afgewezen, maar is wel een tegemoetkoming toegekend in de</para>
      <para>kosten van het verbreden van een tweetal deuren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is door</para>
      <para>appellant bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
      <para>Daartoe is verwezen naar artikel 2.6, tweede tot en met vijfde</para>
      <para>lid, van de Verordening en de toelichting daarbij, waarover in</para>
      <para>dat besluit het volgende wordt overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"De zorgplicht die gemeenten met betrekking tot de</para>
      <para>dienstverlening van de woonvoorzieningen hebben, beperkt zich</para>
      <para>tot het hoofdverblijf van de gehandicapte. In principe is een</para>
      <para>financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing dus alleen</para>
      <para>mogelijk indien de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in de</para>
      <para>woning waaraan de voorzieningen worden getroffen.</para>
      <para>Een uitzondering kan gemaakt worden als de gehandicapte zijn</para>
      <para>hoofdverblijf heeft in een AWBZ-inrichting en regelmatig een</para>
      <para>bepaalde woning bezoekt. Het is dan mogelijk dat eenmalig een</para>
      <para>financiële tegemoetkoming wordt verstrekt ten behoeve van het</para>
      <para>aanpassen van één woonruimte waar de gehandicapte vaak</para>
      <para>verblijft, uiteraard met toestemming van de eigenaar van die</para>
      <para>woonruimte. De financiële tegemoetkoming beperkt zich slechts</para>
      <para>tot het bezoekbaar maken van de woning omdat de gehandicapte</para>
      <para>daar slechts geringe tijd verblijft. Uit</para>
      <para>doelmatigheidsoverwegingen is het daarom redelijk dat er geen</para>
      <para>volledige maar een gedeeltelijke aanpassing van de woning</para>
      <para>plaatsvindt. Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt in</para>
      <para>deze verordening verstaan dat de gehandicapte de woonruimte, de</para>
      <para>woonkamer en één toilet kan bereiken/ gebruiken.</para>
      <para>Op basis van het vorenstaande is de financiële tegemoetkoming</para>
      <para>beperkt tot het verbreden van de toegangsdeur achterom alsmede</para>
      <para>die tussen de keuken en de woonkamer.</para>
      <para>Omdat Johan geen gebruik maakt van het toilet ten gevolge van</para>
      <para>incontinentie, is aanpassing van het toilet niet aan de orde."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts is in het bestreden besluit onder meer gesteld dat er</para>
      <para>geen reden wordt gezien om de hardheidsclausule van de</para>
      <para>Verordening toe te passen, daar volgens appellants beleid</para>
      <para>daarvoor ten aanzien van gevallen waarop voormelde artikelleden</para>
      <para>van de Verordening zien, slechts aanleiding bestaat in zeer</para>
      <para>bijzondere situaties, waarin met een beperkte verdergaande</para>
      <para>medewerking kan worden volstaan. Een dergelijke situatie acht</para>
      <para>appellant niet aanwezig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president van de rechtbank heeft de in hoger beroep</para>
      <para>aangevochten vernietiging van het bestreden besluit in</para>
      <para>hoofdzaak gebaseerd op het oordeel dat vast staat dat</para>
      <para>betrokkene wegens volledige incontinentie iedere 2 à 3 uur</para>
      <para>verschoond moest worden, dat dit slechts kon gebeuren terwijl</para>
      <para>hij op een (hoog/laag) bed lag en dat aannemelijk is dat de</para>
      <para>woonkamer van de ouderlijke woning niet geschikt is voor de</para>
      <para>daarvoor benodigde handelingen. Voorts in aanmerking nemend dat</para>
      <para>het bezoeken van de ouderlijke woning voor betrokkene van groot</para>
      <para>belang was, is de president tot de slotsom gekomen dat zonder</para>
      <para>het aanbouwen van een aparte kamer voor betrokkene een reëel</para>
      <para>bezoek aan het ouderlijk huis niet mogelijk was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep zijn van de kant van appellant de achtergronden</para>
      <para>van de toegepaste bepalingen uiteengezet. Hetgeen zijnerzijds</para>
      <para>voorts is betoogd komt erop neer dat een aanbouw van de</para>
      <para>woonkamer buiten het bezoekbaar maken van de woning valt en dat</para>
      <para>er geen sprake was van een uitzonderingssituatie waarin de</para>
      <para>hardheidsclausule zou kunnen worden toegepast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de kant van gedaagden is in hoger beroep vooral het belang</para>
      <para>van betrokkene bij het bezoeken van de ouderlijke woning en de</para>
      <para>onhoudbare omstandigheden waarin dat diende plaats te vinden</para>
      <para>benadrukt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad moet in dit geding de vraag beantwoorden of het</para>
      <para>bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. De Raad</para>
      <para>overweegt daaromtrent als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat het tweede tot en met vijfde lid van</para>
      <para>artikel 2.6 van de Verordening een zeer beperkte strekking</para>
      <para>hebben, namelijk om ten behoeve van gehandicapten, die</para>
      <para>verblijven in een AWBZ-instelling en voor wie derhalve</para>
      <para>krachtens artikel 2, tweede lid, van de WVG de in het eerste</para>
      <para>lid van die bepaling omschreven zorgplicht niet geldt,</para>
      <para>desondanks de mogelijkheid te bieden een tegemoetkoming te</para>
      <para>verlenen in de kosten van het bezoekbaar maken van één</para>
      <para>woonruimte en dat nog uitsluitend in die zin dat de woonkamer</para>
      <para>en één toilet kunnen worden bereikt en gebruikt. Nu niet is</para>
      <para>betwist en ook voor de Raad vaststaat dat de woonkamer van de</para>
      <para>ouderlijke woning van betrokkene voor hem toegankelijk was en</para>
      <para>dat hij daar gedurende enige tijd kon verblijven en nu voorts</para>
      <para>het gebruik van een toilet voor betrokkene niet aan de orde</para>
      <para>was, moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit niet</para>
      <para>in strijd is met genoemd onderdeel van de Verordening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betreffende de weigering van appellant om gebruik te maken van</para>
      <para>de hardheidsclausule van de Verordening verwijst de Raad in de</para>
      <para>eerste plaats naar hetgeen hij omtrent een soortgelijk geval</para>
      <para>heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 juni 1998 (USZ</para>
      <para>1998/224). De Raad voegt daaraan toe dat appellant zelf</para>
      <para>blijkens de motivering van het bestreden besluit toch enige</para>
      <para>ruimte aanwezig heeft geacht om in dit soort kwesties de</para>
      <para>hardheidsclausule toe te passen, namelijk als er in zeer</para>
      <para>bijzondere gevallen met een beperkte verdergaande</para>
      <para>tegemoetkoming zou kunnen worden volstaan. Nu de kosten van de</para>
      <para>gewenste woningaanpassing blijkens de zijdens gedaagden</para>
      <para>overgelegde offerte bijna f 40.000,- zouden hebben bedragen,</para>
      <para>vermag de Raad reeds daarom niet in te zien dat vergoeding</para>
      <para>daarvan als een beperkte verdergaande medewerking als</para>
      <para>vorenbedoeld zou kunnen worden aangemerkt. In het</para>
      <para>vorenoverwogene ligt tevens besloten dat hetgeen zijdens</para>
      <para>gedaagden is aangevoerd, hoezeer dat ook duidt op het bestaan</para>
      <para>van voor het ouderlijke gezin van betrokkene uiterst belastende</para>
      <para>omstandigheden, niet tot het oordeel kan leiden dat appellant</para>
      <para>in casu toepassing aan de hardheidsclausule van de Verordening</para>
      <para>had behoren te geven. Ook in zoverre kan het bestreden besluit</para>
      <para>derhalve de rechterlijke toets doorstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak,</para>
      <para>voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt</para>
      <para>en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
      <para>het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt mitsdien als volgt.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I 't Hooft als voorzitter en mr D.J.</para>
      <para>van der Vos en mr Th.M. Schelfhout als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als</para>
      <para>griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 december 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para>(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>LK/BvW/RH</para>
      <para>2912</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>