<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7978</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T00:36:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7978</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-12-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/4970 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=16&amp;g=1998-12-08">Werkloosheidswet 16</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=16&amp;g=1998-12-08">Werkloosheidswet 16</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1999, 62</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/30</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7978">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7978</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:54:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-03-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7978 Centrale Raad van Beroep , 08-12-1998 / 97/4970 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7978:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vast loon per 4 weken; dan voor ADV-dagen geen recht op loon, tenzij duidelijk anders afgesproken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7978:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/4970 WW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de</para>
      <para>plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige</para>
      <para>geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel</para>
      <para>en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder appellant</para>
      <para>tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden</para>
      <para>in hoger beroep gekomen van een door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Utrecht onder dagtekening 8 april</para>
      <para>1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt</para>
      <para>verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr A. Nijhuis, advocaat te Utrecht, een</para>
      <para>verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 oktober</para>
      <para>1998, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr</para>
      <para>A.I. van der Kris, werkzaam bij Gak Nederland bv, en waar</para>
      <para>gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr B. de</para>
      <para>Ruiter, kantoorgenote van mr Nijhuis, voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde</para>
      <para>geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet</para>
      <para>(WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten</para>
      <para>tijde als hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 31 oktober 1995 heeft appellant de aan gedaagde</para>
      <para>toegekende WW-uitkering met ingang van 16 oktober 1995</para>
      <para>beëindigd, omdat gedaagde in de week van 16 oktober 1995 tot en</para>
      <para>met 22 oktober 1995 in zodanige mate als zelfstandige heeft</para>
      <para>gewerkt, dat hij zijn werknemerschap geheel heeft verloren.</para>
      <para>Appellant heeft het daartegen ingediende bezwaar bij zijn</para>
      <para>besluit van 5 maart 1996 ongegrond verklaard. Daarbij heeft</para>
      <para>appellant voormelde beslissing van 31 oktober 1995 gehandhaafd,</para>
      <para>terwijl appellant gedaagde voorts per 16 oktober 1995 niet</para>
      <para>langer werkloos heeft geacht. Appellant is er daarbij van</para>
      <para>uitgegaan dat het gemiddeld aantal arbeidsuren van gedaagde,</para>
      <para>als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WW, ten gevolge</para>
      <para>van de voor gedaagde geldende arbeidsduurverkorting van 13</para>
      <para>dagen per jaar geen 40 maar 38 bedroeg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, onder</para>
      <para>toewijzing van griffierecht en proceskosten.</para>
      <para>De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen,</para>
      <para>waarbij appellant als verweerder is aangeduid en gedaagde als</para>
      <para>eiser:</para>
      <para>"Bij besluit van 18 december 1986 heeft de Sociale</para>
      <para>Verzekeringsraad (SVR) Regels gegeven, als bedoeld</para>
      <para>in artikel 16, lid 4 WW (zoals dat luidde per</para>
      <para>1 januari 1987).</para>
      <para>Nu het recht op uitkering van eiser voor 1 augustus</para>
      <para>1994 is ontstaan, is genoemd Besluit hier van</para>
      <para>toepassing gebleven, gelet op artikel II van het</para>
      <para>Besluit van de SVR van 19 mei 1994 tot wijziging van</para>
      <para>genoemde Regels. Volgens deze Regels kunnen voor de</para>
      <para>berekening van het aantal arbeidsuren uren waarin</para>
      <para>geen arbeid is verricht worden gelijk gesteld met</para>
      <para>arbeidsuren, en uren waarin arbeid is verricht,</para>
      <para>buiten beschouwing worden gelaten. Volgens artikel</para>
      <para>1., lid 1 onder a. van de Regels worden voor de</para>
      <para>berekening van het aantal arbeidsuren uren waarover</para>
      <para>de werknemer zonder te werken loon heeft ontvangen</para>
      <para>gelijkgesteld met arbeidsuren.</para>
      <para>De rechtbank constateert dat eiser blijkens de</para>
      <para>overgelegde loonstroken gedurende de volle periode</para>
      <para>van 26 weken voorafgaand aan 1 maart 1994 van zijn</para>
      <para>werkgever loon heeft ontvangen op basis van een</para>
      <para>40-urige werkweek. Volgens eerdergenoemd</para>
      <para>urenoverzicht heeft eiser in die periode 40 uur niet</para>
      <para>gewerkt in verband met ADV en heeft hij 24 uur</para>
      <para>onbetaald verlof gehad. Eiser heeft beaamd dat hij</para>
      <para>die uren niet heeft gewerkt. Uit de loonstroken</para>
      <para>blijkt echter niet dat er loon is ingehouden over</para>
      <para>die uren. Ter zitting heeft eiser verklaard dat de</para>
      <para>ADV-uren niet op de loonstroken verschijnen omdat de</para>
      <para>werkgever heeft gekozen voor een andere wijze van</para>
      <para>administreren.</para>
      <para>Uit bovenstaande gegevens trekt de rechtbank de</para>
      <para>conclusie dat er in eisers geval slechts op papier</para>
      <para>sprake was van een 40-urige werkweek waarvan 38 uur</para>
      <para>werd betaald en 2 uur door middel van 13 ADV-dagen</para>
      <para>per jaar werden gecompenseerd.</para>
      <para>Naar uit de loonstroken blijkt, was er in de</para>
      <para>praktijk sprake van 40 betaalde uren per werkweek.</para>
      <para>Uit het urenoverzicht blijkt dat eiser in de</para>
      <para>praktijk vrijwel steeds 40 uur per week werkte. Nu</para>
      <para>eiser constant over 40 uur per week loon ontving,</para>
      <para>ook over uren waarop hij niet heeft gewerkt, dienen</para>
      <para>de uren waarover hij zonder te werken loon heeft</para>
      <para>ontvangen, naar het oordeel van de rechtbank met</para>
      <para>toepassing van artikel 1., lid 1. onder a. van</para>
      <para>eerdergenoemde Regels gelijkgesteld te worden met</para>
      <para>arbeidsuren.</para>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat evenals in het geval</para>
      <para>dat is behandeld in de uitspraak van de Centrale</para>
      <para>Raad van Beroep van 30 november 1995, gepubliceerd</para>
      <para>in RSV 1996/80, artikel 3 van de Regels, zoals dat</para>
      <para>luidde tot 1 augustus 1994, niet derogeert aan</para>
      <para>eerdergenoemde bepaling, en verwijst ook overigens</para>
      <para>naar de overwegingen van de Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>in die uitspraak.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft in zijn aanvullend beroepschrift onder meer</para>
      <para>het volgende aangevoerd:</para>
      <para>"Ondergetekende is van mening dat er geen enkele</para>
      <para>reden is om de ADV-uren van de heer A voor de</para>
      <para>berekening van het GAA met arbeidsuren gelijk te</para>
      <para>stellen.</para>
      <para>Ondergetekende wijst daartoe allereerst op de</para>
      <para>arbeidsovereenkomst van de heer A d.d. 1 maart 1993.</para>
      <para>In deze arbeidsovereenkomst wordt gesproken van een</para>
      <para>vijfdaagse werkweek van 40 uur, waarbij dagelijks</para>
      <para>van 8.00 tot 16.30 uur gewerkt wordt, met een</para>
      <para>lunchpauze van 12.00 tot 12.30 uur en van 13</para>
      <para>ADV-dagen per jaar. Ondergetekende meent dit aldus</para>
      <para>te kunnen opvatten dat de heer A in weken waarin</para>
      <para>géén ADV-dagen zaten 40 uur diende te werken, doch</para>
      <para>dat de heer A over een jaar bezien, rekening houdend</para>
      <para>met de 13 ADV-dagen gemiddeld slechts 38 uur hoefde</para>
      <para>te werken.</para>
      <para>Immers, 13 ADV-dagen per jaar wil zeggen gemiddeld 1</para>
      <para>ADV-dag per 4 weken, dus gemiddeld 2 ADV-uur per</para>
      <para>week.</para>
      <para>Ondergetekende is van mening dat het tussen de heer</para>
      <para>A en C overeengekomen loon niet anders kan worden</para>
      <para>gezien dan als een beloning voor (gemiddeld) 38 uur</para>
      <para>per week werken. Ondergetekende ziet - anders dan de</para>
      <para>Rechtbank - geen enkele reden om het overeengekomen</para>
      <para>loon deels toe te rekenen aan (gemiddeld) 38</para>
      <para>arbeidsuren en (gemiddeld) 2 niet gewerkte uren per</para>
      <para>week.</para>
      <para>Ondergetekende ziet zich in zijn standpunt voorts</para>
      <para>bevestigd door de van toepassing verklaarde CAO voor</para>
      <para>de Metaalnijverheid. Die CAO kent, zoals uit de</para>
      <para>bijlage bij dit aanvullend beroepschrift blijkt,</para>
      <para>sinds per 1 oktober 1984 een ADV van 5% is</para>
      <para>doorgevoerd, een normale wekelijkse arbeidsduur van</para>
      <para>gemiddeld 38 uur, waarvan ook bij toepassing van de</para>
      <para>salaristabellen wordt uitgegaan.</para>
      <para>Ondergetekende is gezien het voorgaande van mening</para>
      <para>dat het door de Rechtbank gehanteerde artikel 1, lid</para>
      <para>1, sub a van het Besluit hier niet van toepassing</para>
      <para>is.</para>
      <para>Naar de mening van ondergetekende is hier slechts de</para>
      <para>toepassing van artikel 3 van het Besluit aan de</para>
      <para>orde, op grond waarvan de ADV-dagen geacht worden</para>
      <para>gelijkelijk te zijn verspreid over een jaar.</para>
      <para>Ondergetekende vermag niet in te zien op welke wijze</para>
      <para>uit de door de heer A overgelegde loonstrookjes aan</para>
      <para>het voorgaande zou kunnen afdoen.</para>
      <para>Kennelijk heeft C, om hem moverende redenen waarnaar</para>
      <para>ondergetekende slechts kan gissen, de ADV in het</para>
      <para>geheel niet in de loonstrookjes verwerkt; werkgever</para>
      <para>heeft in het "kopje" van de loonstrookjes 160</para>
      <para>arbeidsuren vermeld en onder de noemer "gewerkte</para>
      <para>dagen" de opgenomen ADV-dagen kennelijk ook</para>
      <para>meegeteld. Ter illustratie wijst ondergetekende in</para>
      <para>dit verband op het loonstrookje over de periode van</para>
      <para>6 december 1993 t/m 31 december 1995 waarop 18,5</para>
      <para>gewerkte dagen en 1,5 ziektedag prijken, terwijl de</para>
      <para>heer A volgens het overzicht van C d.d. 10 januari</para>
      <para>1996 in die periode 5 ADV-dagen heeft opgenomen.</para>
      <para>Ondergetekende is van mening dat aan deze</para>
      <para>administratief-technische verwerking geen gevolgen</para>
      <para>verbonden zijn en dat in dit geval doorslaggevend is</para>
      <para>wat partijen, in het licht van de door hen van</para>
      <para>toepassing verklaarde CAO bezien, geacht kunnen</para>
      <para>worden te zijn overeengekomen.</para>
      <para>Ondergetekende ziet, in tegenstelling tot de</para>
      <para>Rechtbank, geen parallel tussen de situatie waarover</para>
      <para>uw Raad zich in de hierboven genoemde uitspraak</para>
      <para>gepubliceerd in RSV 1996/80 heeft uitgelaten en de</para>
      <para>situatie van de heer A. In genoemde uitspraak ging</para>
      <para>het om verletdagen waarover, zo gaf de toepasselijke</para>
      <para>CAO expliciet aan, het salaris moest worden</para>
      <para>doorbetaald. In de onderhavige zaak gaat het om</para>
      <para>ADV-dagen waaromtrent iets dergelijks in de</para>
      <para>toepasselijke CAO niet is bepaald. Integendeel; uit</para>
      <para>de CAO valt juist af te leiden dat over slechts</para>
      <para>(gemiddeld) 38 uur per week loon verschuldigd is en</para>
      <para>dus niet over de (gemiddeld) 2 uur ADV.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad onderschrijft het standpunt van appellant, waarbij zij</para>
      <para>opgemerkt dat het door de rechtbank genoemde Besluit van de</para>
      <para>Sociale Verzekeringsraad sedert 1 januari 1995 heeft te gelden</para>
      <para>als een Besluit van het Tijdelijk instituut voor coördinatie</para>
      <para>en afstemming. De Raad acht in het bijzonder van belang dat</para>
      <para>zogeheten ADV-dagen in beginsel de strekking hebben dat de</para>
      <para>arbeidsduur wordt verkort. Dit betekent dat het tussen</para>
      <para>gedaagde en zijn werkgever voor een periode van vier weken</para>
      <para>overeengekomen loon van f 6.000,-- niet anders gezien kan</para>
      <para>worden dan als een vergoeding voor vier keer de normale,</para>
      <para>afgesproken arbeidstijd, van 40 uur, minus een evenredig</para>
      <para>gedeelte van de in de arbeidsovereenkomst overeengekomen 13</para>
      <para>ADV-dagen per jaar.</para>
      <para>Nu niet is gebleken dat partijen uitdrukkelijk van deze</para>
      <para>afspraak hebben willen afwijken is de Raad, anders dan de</para>
      <para>rechtbank, van oordeel, dat de wijze waarop de werkgever van</para>
      <para>gedaagde zijn loonadministratie heeft gevoerd niet kan leiden</para>
      <para>tot de conclusie dat gedaagde voor zijn ADV-dagen geacht moet</para>
      <para>worden loon te hebben ontvangen. Ook de door gedaagde</para>
      <para>aangevoerde omstandigheid dat hij de ADV-dagen niet vrij kon</para>
      <para>opnemen, maar dat deze door de werkgever werden aangewezen</para>
      <para>leidt de Raad niet tot een ander oordeel, nu daarmee immers</para>
      <para>niet wordt afgedaan aan het uitgangspunt dat de ADV-dagen</para>
      <para>bedoeld zijn als verkorting van de normale arbeidstijd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde over ADV-dagen geen</para>
      <para>loon heeft ontvangen, zodat appellant terecht met toepassing</para>
      <para>van artikel 3 van voornoemd Besluit de ADV-dagen gelijkelijk</para>
      <para>over het jaar verspreid heeft geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat ervan</para>
      <para>uit, dat de aldus toegepaste bepalingen ertoe leiden dat</para>
      <para>gedaagde per 16 oktober 1995 geen recht meer heeft op een</para>
      <para>WW-uitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft aangevoerd dat appellant onzorgvuldig heeft</para>
      <para>gehandeld, omdat appellant hem indertijd niet had meegedeeld</para>
      <para>wat de omvang was van zijn gemiddeld aantal arbeidsuren.</para>
      <para>Indien hem dat tijdig was meegedeeld, zou gedaagde, aldus zijn</para>
      <para>verklaring, zijn werkzaamheden als zelfstandige over een</para>
      <para>langere periode hebben gespreid, zodat het in dat geval niet</para>
      <para>tot een gehele beëindiging van het recht op uitkering zou zijn</para>
      <para>gekomen, maar zijn uitkering voor een gering gedeelte zou zijn</para>
      <para>voortgezet. Gedaagde vordert daarom dat appellant hem uit</para>
      <para>overwegingen van zorgvuldigheid nog een gedeeltelijke</para>
      <para>WW-uitkering verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals de Raad reeds herhaaldelijk tot uitdrukking heeft</para>
      <para>gebracht zijn er bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte</para>
      <para>toepassing van een wettelijk voorschrift van</para>
      <para>dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het</para>
      <para>ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht</para>
      <para>meer kan zijn.</para>
      <para>Appellant heeft toegegeven dat het zorgvuldiger zou zijn</para>
      <para>geweest indien in de toekenningsbeslissing gedaagdes gemiddeld</para>
      <para>aantal arbeidsuren was vermeld. Deze onzorgvuldigheid is</para>
      <para>evenwel niet van dien aard dat gesproken zou moeten worden van</para>
      <para>een bijzonder geval, als vorenbedoeld, reeds omdat het veeleer</para>
      <para>op de weg van gedaagde lag om bij appellant exact te</para>
      <para>informeren naar de precieze gevolgen van het werken als</para>
      <para>zelfstandige voor zijn recht op WW-uitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat bij het bestreden besluit</para>
      <para>terecht de beëindiging van gedaagdes uitkering per 16 oktober</para>
      <para>1995 is gehandhaafd. Ten onrechte is dat besluit door de</para>
      <para>rechtbank vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak niet in</para>
      <para>stand kan blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
      <para>het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en mr Ch. de</para>
      <para>Vrey en mr J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>A.H. Berends als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8</para>
      <para>december 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para>(get.) A.H. Berends.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>RH</para>
      <para>0412</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>