<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7959</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T17:11:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7959</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-11-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/355 AW t/m 97/382 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001947&amp;artikel=1&amp;g=1998-11-19">Ambtenarenwet 1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002170&amp;artikel=18&amp;g=1998-11-19">Beroepswet 18</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1999/8</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7959">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7959</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:54:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7959 Centrale Raad van Beroep , 19-11-1998 / 97/355 AW t/m 97/382 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7959:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Geschil over hoogte buitenlandtoelage. Betrokkenen kunnen als ambtenaar in de zin van de</para>
        <para> Ambtenarenwet 1929 worden aangemerkt. Beroep op gelijkheidsbeginsel treft geen doel.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7959:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/355 AW tot en met 97/382 AW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A. en 28 anderen, zoals vermeld op de aan deze uitspraak</para>
      <para>gehechte lijst, appellanten,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,</para>
      <para>gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellanten is op daartoe bij aanvullend beroepschrift</para>
      <para>(met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld</para>
      <para>tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht op 11</para>
      <para>december 1996, onder de nrs. 1994/1430 + 1432 t/m 1457 + 1739,</para>
      <para>ten aanzien van hen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt</para>
      <para>verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse</para>
      <para>Zaken (hierna: de Minister) is een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadien heeft de gemachtigde van appellanten bij schrijven van</para>
      <para>29 juli 1998 de Raad nog een aantal stukken doen toekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 8 oktober</para>
      <para>1998, waar de appellanten A. en J. in persoon zijn verschenen.</para>
      <para>Deze appellanten hebben zich laten bijstaan door mr H. Petten,</para>
      <para>advocaat te Den Haag, die eveneens is opgetreden namens alle</para>
      <para>andere, niet verschenen, appellanten. Gedaagde, die ingevolge</para>
      <para>het koninklijk besluit van 15 december 1997 (Stb. 1997, 807),</para>
      <para>houdende de overgang van de beheersverantwoordelijkheid over</para>
      <para>het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken</para>
      <para>van de Minister naar de Minister van Binnenlandse Zaken (thans</para>
      <para>geheten de Minister van Binnenlandse Zaken en</para>
      <para>Koninkrijksrelaties), alsmede de overgang van het Kabinet voor</para>
      <para>Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken naar het Ministerie</para>
      <para>van Binnenlandse Zaken (thans geheten het Ministerie van</para>
      <para>Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), met ingang van 1</para>
      <para>januari 1998 is belast met de beheersmatige aspecten van de</para>
      <para>coördinatie van aangelegenheden de Nederlandse Antillen en</para>
      <para>Aruba betreffende en met de beheersmatige aspecten van de zorg</para>
      <para>voor de aan de Nederlandse Antillen en Aruba te verlenen hulp</para>
      <para>en bijstand, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr Y.K.</para>
      <para>de Boer, advocaat te Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht</para>
      <para>(Awb) in werking getreden en zijn de Ambtenarenwet 1929</para>
      <para>- sindsdien geheten:  Ambtenarenwet - en de Beroepswet</para>
      <para>gewijzigd. De hieruit voortvloeiende wijziging van het</para>
      <para>procesrecht (ook) in ambtenarenzaken brengt mee dat op een</para>
      <para>hoger beroep dat is ingesteld na 31 december 1993, voor zover</para>
      <para>de Beroepswet niet anders aangeeft, hoofdstuk 8 van de Awb</para>
      <para>moet worden toegepast. De in het kader van evengenoemde</para>
      <para>wetswijzigingen gegeven regels van overgangsrecht brengen</para>
      <para>overigens mee dat ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in</para>
      <para>te stellen tegen besluiten die vóór 1 januari 1994 zijn</para>
      <para>bekendgemaakt, onderscheidenlijk hoger beroep in te stellen</para>
      <para>tegen uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het</para>
      <para>recht zoals dat gold vóór dat tijdstip van toepassing blijft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een</para>
      <para>uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en</para>
      <para>omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het kader van de technische samenwerking tussen Nederland</para>
      <para>enerzijds en de Nederlandse Antillen en Aruba anderzijds waren</para>
      <para>appellanten ten tijde hier van belang allen uitgezonden naar</para>
      <para>de Nederlandse Antillen dan wel Aruba. Voor de duur van de</para>
      <para>uitzending is hun door hun Nederlandse overheidswerkgever</para>
      <para>buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging verleend.</para>
      <para>Door middel van tot ieder van hen afzonderlijk gerichte</para>
      <para>besluiten van de Minister zijn zij vervolgens ter beschikking</para>
      <para>gesteld aan de regering van de Nederlandse Antillen dan wel</para>
      <para>Aruba. Bij deze besluiten heeft de Minister met toepassing van</para>
      <para>artikel 2 van de Regeling honorering deskundigen technische</para>
      <para>bijstand (hierna: de Regeling) tevens het voor appellanten</para>
      <para>gedurende de uitzending geldende honorarium vastgesteld.</para>
      <para>Daarnaast zijn bij deze besluiten met toepassing van artikel 3</para>
      <para>van de Regeling aan appellanten, voor zover zij daarvoor in</para>
      <para>aanmerking kwamen, een aantal toelagen toegekend, de</para>
      <para>zogenoemde buitenlandtoelagen. Deze buitenlandtoelagen zijn</para>
      <para>appellanten toegekend in verband met de hogere kosten van</para>
      <para>levensonderhoud op de Nederlandse Antillen en Aruba dan in</para>
      <para>Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de hoogte van de aan hen toegekende buitenlandtoelagen</para>
      <para>kunnen appellanten zich niet verenigen. Zij zijn van oordeel</para>
      <para>dat hun positie tijdens de uitzending te vergelijken is met de</para>
      <para>situatie van de eveneens naar de Nederlandse Antillen of Aruba</para>
      <para>uitgezonden ambtenaren van het voormalige Kabinet voor</para>
      <para>Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken (hierna: de</para>
      <para>KabNA-ambtenaren). Aangezien aan deze ambtenaren hogere</para>
      <para>buitenlandtoelagen werden (en worden) toegekend dan aan</para>
      <para>appellanten, hebben appellanten zich in afzonderlijke brieven</para>
      <para>tot de Minister gericht met het verzoek (met terugwerkende</para>
      <para>kracht) voor hen een soortgelijke regeling ter zake van de</para>
      <para>buitenlandtoelagen te treffen als die welke gold voor</para>
      <para>voormelde KabNA-ambtenaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de thans bestreden besluiten van 30 november 1993 heeft de</para>
      <para>Minister deze verzoeken afgewezen. Van een vergelijkbare</para>
      <para>situatie was naar het oordeel van deze minister geen sprake.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De namens appellanten tegen die bestreden besluiten ingestelde</para>
      <para>beroepen hebben geleid tot de in rubriek I vermelde uitspraak</para>
      <para>van de rechtbank te Utrecht, waarbij deze rechtbank deze</para>
      <para>beroepen ongegrond heeft verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet aanleiding allereerst de vraag te behandelen of</para>
      <para>appellanten als ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet</para>
      <para>(1929) kunnen worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Alvorens appellanten werden uitgezonden, waren zij allen</para>
      <para>werkzaam in ambtelijk dienstverband bij een Nederlandse</para>
      <para>overheidswerkgever. Voor de duur van de uitzending is hun door</para>
      <para>deze werkgever buitengewoon verlof zonder behoud van</para>
      <para>bezoldiging verleend en zijn zij door de Minister ter</para>
      <para>beschikking gesteld aan de regering van de Nederlandse</para>
      <para>Antillen respectievelijk Aruba. Voorts heeft de Minister voor</para>
      <para>de duur van de uitzending nader inhoud gegeven aan hun</para>
      <para>rechtspositie door voor appellanten met toepassing van de</para>
      <para>Regeling het honorarium vast te stellen en hen in aanmerking</para>
      <para>te brengen voor een aantal toelagen. Gezien dit samenstel van</para>
      <para>rechtsbetrekkingen is de Raad van oordeel dat de rechtbank</para>
      <para>- gezien het overgangsrecht zoals dat hierboven is omschreven</para>
      <para>diende de rechtbank deze vraag te beantwoorden aan de hand van</para>
      <para>het recht zoals dat gold voor 1 januari 1994 - terecht tot de</para>
      <para>conclusie is gekomen dat appellanten als ambtenaren in de zin</para>
      <para>van de Ambtenarenwet 1929 konden worden aangemerkt en dat zij</para>
      <para>als zodanig door de bestreden besluiten rechtstreeks in hun</para>
      <para>belangen zijn getroffen. Dit betekent naar het oordeel van de</para>
      <para>Raad dat appellanten tevens als ambtenaar in de zin van de</para>
      <para>Ambtenarenwet, zoals die per 1 januari 1994 in werking is</para>
      <para>getreden, belanghebbende zijn bij de bestreden besluiten en</para>
      <para>dat zij met toepassing van het bepaalde in artikel 18, eerste</para>
      <para>lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet in hun hoger beroep</para>
      <para>kunnen worden ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de vraag of gedaagde de verzoeken van</para>
      <para>appellanten terecht heeft afgewezen, overweegt de Raad het</para>
      <para>volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellanten hebben niet bestreden dat de aan hen toegekende</para>
      <para>buitenlandtoelagen in overeenstemming zijn met het bepaalde in</para>
      <para>de Regeling. Evenmin hebben zij verzocht om in individuele</para>
      <para>gevallen af te wijken van het bepaalde in deze Regeling. Zij</para>
      <para>hebben daarentegen verzocht hen in aanmerking te brengen voor</para>
      <para>een soortgelijke regeling als die welke gold voor de voormelde</para>
      <para>KabNA-ambtenaren. Daarbij hebben zij zich beroepen op het</para>
      <para>gelijkheidsbeginsel. De conclusie van de Minister dat er van</para>
      <para>gelijke gevallen geen sprake was, kan de Raad echter niet voor</para>
      <para>onjuist houden. In dit verband wijst de Raad in de eerste</para>
      <para>plaats op het verschil in (rechts)positie en status.</para>
      <para>Appellanten behoren tot een categorie van ambtenaren die</para>
      <para>gedurende hun uitzending in dienst treden van een Antilliaanse</para>
      <para>of Arubaanse overheidsinstantie en daarbij primair de belangen</para>
      <para>van de Nederlands-Antilliaanse dan wel Arubaanse autoriteiten</para>
      <para>behartigen. De KabNA-ambtenaren daarentegen treden tijdens hun</para>
      <para>uitzending niet in dienst van de Antilliaanse of Arubaanse</para>
      <para>overheid maar blijven in dienst van het vorenbedoelde kabinet</para>
      <para>en verrichten met name diplomatieke en representatieve taken.</para>
      <para>Voorts mag naar het oordeel van de Raad niet buiten</para>
      <para>beschouwing blijven dat de kosten die gemoeid zijn met de</para>
      <para>uitzending van appellanten, zoals het honorarium en de</para>
      <para>buitenlandtoelagen, ten laste van de begroting van (de</para>
      <para>Minister van) ontwikkelingssamenwerking komen, hetgeen</para>
      <para>verklaart dat voor de onderhavige toelagen van appellanten</para>
      <para>aansluiting is gezocht bij de toelagen zoals die worden</para>
      <para>toegekend aan degenen die in het kader van de</para>
      <para>ontwikkelingssamenwerking worden uitgezonden. Overigens wordt</para>
      <para>een deel van de kosten van appellanten, zoals</para>
      <para>reis-, verblijf- en transportkosten, betaald door de</para>
      <para>Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse overheid. Tevens vallen</para>
      <para>appellanten tijdens hun uitzending onder de</para>
      <para>ziektekostenregeling van de Nederlands-Antilliaanse dan wel</para>
      <para>Arubaanse overheid. De kosten van de KabNA-ambtenaren ten</para>
      <para>tijde van de uitzending komen daarentegen ten laste van de</para>
      <para>begroting van het vorenbedoelde voormalige kabinet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien de hierbovenomschreven verschillen tussen appellanten</para>
      <para>en de KabNA-ambtenaren is de Raad van oordeel dat de Minister</para>
      <para>op goede gronden het beroep van appellanten op het</para>
      <para>gelijkheidsbeginsel heeft verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook anderszins is de Raad niet gebleken dat de Minister met de</para>
      <para>afwijzing van de verzoeken van appellanten in strijd heeft</para>
      <para>gehandeld met geschreven of ongeschreven rechtsregels of met</para>
      <para>een algemeen rechtsbeginsel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraken van de Belastingkamer van het Gerechtshof te</para>
      <para>'s-Hertogenbosch en de Hoge Raad, waarop appellanten tijdens</para>
      <para>de onderhavige procedure een beroep hebben gedaan, leiden niet</para>
      <para>tot een andere conclusie. Deze uitspraken, waarin een geschil</para>
      <para>met betrekking tot de inkomstenbelasting aan de orde was en</para>
      <para>waarin de rechter het gemaakte onderscheid in</para>
      <para>arbeidsvoorwaarden tussen appellanten en de KabNA-ambtenaren</para>
      <para>met betrekking tot de buitenlandtoelagen als een gegeven heeft</para>
      <para>aanvaard en dat ook niet langs fiscale weg ongedaan heeft</para>
      <para>willen maken, zijn om die reden naar het oordeel van de Raad</para>
      <para>van geen betekenis voor het onderhavige geding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de Raad voorts niet is gebleken dat door de Minister bij</para>
      <para>appellanten rechtens te honoreren verwachtingen zijn gewekt,</para>
      <para>zoals door hen gesteld, is de Raad van oordeel dat de Minister</para>
      <para>op goede gronden heeft geweigerd de verzoeken van appellanten</para>
      <para>in te willigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor</para>
      <para>bevestiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan</para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr</para>
      <para>G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr J.H. van Kreveld als leden,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 19 november 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) W. van den Brink.</para>
    <para />
    <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>09.11</para>
      <para>Q</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>97/355 AW Roo6 92  A.</para>
      <para>97/356 AW R006 92  B.</para>
      <para>97/357 AW R006 92  C.</para>
      <para>97/358 AW R006 92  D.</para>
      <para>97/359 AW R006 92  E.</para>
      <para>9/7360 AW R006 92  F.</para>
      <para>97/361 AW R006 92  G.</para>
      <para>97/362 AW R006 92  H.</para>
      <para>97/363 AW R006 92  I.</para>
      <para>97/364 AW R006 92  J.</para>
      <para>97/365 AW R006 92  K.</para>
      <para>97/366 AW R006 92  L.</para>
      <para>97/367 AW R006 92  M.</para>
      <para>97/368 AW R006 92  N.</para>
      <para>97/369 AW R006 92  O.</para>
      <para>97/370 AW R006 92  P.</para>
      <para>97/371 AW R006 92  Q.</para>
      <para>97/372 AW R006 92  R.</para>
      <para>97/373 AW R006 92  S.</para>
      <para>97/374 AW R006 92  T.</para>
      <para>97/375 AW R006 92  U.</para>
      <para>97/376 AW R006 92  V.</para>
      <para>97/377 AW R006 92  W.</para>
      <para>97/378 AW R006 92  X.</para>
      <para>97/379 AW R006 92  Y.</para>
      <para>97/380 AW R006 92  Z.</para>
      <para>97/381 AW R006 92  AA.</para>
      <para>97/382 AW R006 92  BB.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>