<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7954</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T17:35:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7954</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AK6496</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-11-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/2501 AW + 97/2522 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:2&amp;g=1998-11-05">Algemene wet bestuursrecht 3:2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:8&amp;g=1998-11-05">Algemene wet bestuursrecht 4:8</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:72&amp;g=1998-11-05">Algemene wet bestuursrecht 8:72</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1998/191</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7954">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7954</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:54:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-07-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7954 Centrale Raad van Beroep , 05-11-1998 / 97/2501 AW + 97/2522 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7954:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beoordeling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7954:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/2501 AW en 97/2522 AW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para>A te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen</para>
      <para>aan den Rijn, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift</para>
      <para>aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 30 januari 1997</para>
      <para>onder de nummers AWB 95/10793 en 95/11102 AW gegeven uitspraak,</para>
      <para>waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn behandeld ter zitting van 24 september 1998,</para>
      <para>waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr D.</para>
      <para>Mulders, verbonden aan Van Kleef &amp; Partners B.V. te Boskoop, en</para>
      <para>waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door ing. C.H.</para>
      <para>Heesen en J.W.M. van Dam, beiden werkzaam bij de gemeente Alphen</para>
      <para>aan den Rijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is in het kader van een reorganisatie ingaande 1</para>
      <para>januari 1992 geplaatst in de functie van medewerker</para>
      <para>leerplichtzaken (later genoemd ambtenaar leerplichtzaken) bij de</para>
      <para>afdeling onderwijs van gedaagdes gemeente. Voordien was hij bij</para>
      <para>die gemeente werkzaam als bijstandsmaatschappelijk werker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 27 september 1995 heeft gedaagde appellants</para>
      <para>bezwaren tegen het besluit van 13 maart 1995 om appellant</para>
      <para>tijdelijk tot een nader te bepalen datum andere, niet bij zijn</para>
      <para>functie van ambtenaar leerplichtzaken behorende, werkzaamheden</para>
      <para>bij de afdeling sociale zaken op te dragen, ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 28 september 1995 heeft gedaagde overeenkomstig</para>
      <para>het advies van de commissie personeelszaken de ten aanzien van</para>
      <para>appellant over het tijdvak van 1 januari 1994 tot 1 december 1994</para>
      <para>vastgestelde beoordeling, na daartegen gemaakt bezwaar,</para>
      <para>gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de namens appellant tegen de besluiten van 27</para>
      <para>en 28 september 1995 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van hetgeen door en namens appellant in hoger</para>
      <para>beroep is aangevoerd, overweegt de Raad het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Ten aanzien van het besluit van 27 september 1995</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij zijn besluit van 27 september 1995 met</para>
      <para>toepassing van artikel 15:1:10, tweede lid, aanhef en onder a,</para>
      <para>van de inmiddels in werking getreden Arbeidsvoorwaardenregeling</para>
      <para>Alphen aan den Rijn, het besluit van de directeur uitvoerende</para>
      <para>diensten om appellant tijdelijk tot een nader te bepalen datum</para>
      <para>andere dan de tot zijn functie van ambtenaar leerplichtzaken</para>
      <para>behorende werkzaamheden op te dragen, in stand gelaten. Aan die</para>
      <para>beslissing lag de overweging ten grondslag dat uit de procedure</para>
      <para>over de beoordeling van appellant over 1994 naar voren was</para>
      <para>gekomen dat appellant zijn functie niet naar behoren vervuld had.</para>
      <para>Dit, gevoegd bij klachten van externe instanties over appellants</para>
      <para>functioneren, dwong, aldus gedaagde, ertoe om met het oog op het</para>
      <para>hoge afbreukrisico, de achterstanden en de voortgang van de</para>
      <para>werkzaamheden appellant tijdelijk te ontheffen van zijn functie</para>
      <para>van ambtenaar leerplichtzaken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is primair aangevoerd dat bij het nemen van het</para>
      <para>besluit van 13 maart 1995 artikel 4:8 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb) is geschonden. Verder is appellant van</para>
      <para>opvatting dat gedaagde ten onrechte dienstbelang voor de</para>
      <para>verplaatsing aanwezig heeft geoordeeld. Volgens appellant is</para>
      <para>voorts in strijd gehandeld met artikel 3:2 van de Awb. Appellant</para>
      <para>heeft verder kanttekeningen geplaatst bij de aan het</para>
      <para>verplaatsingsbesluit ten grondslag gelegde motivering en de</para>
      <para>passendheid van de tijdelijke werkzaamheden betwist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vooropgesteld wordt dat de Raad de rechtbank niet kan volgen in</para>
      <para>haar opvatting dat in het onderhavige geval artikel 4:8 van de</para>
      <para>Awb toepassing zou missen. Hij heeft tevens moeten vaststellen</para>
      <para>dat waar appellant door de directeur uitvoerende diensten niet is</para>
      <para>gehoord alvorens deze het besluit van 13 maart 1995 heeft genomen</para>
      <para>en hij niet ervan overtuigd is kunnen raken dat zich in casu een</para>
      <para>omstandigheid voordeed als bedoeld in artikel 4:11 van de Awb,</para>
      <para>appellant ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld zijn</para>
      <para>zienswijze naar voren te brengen. Tegen de achtergrond van het</para>
      <para>gegeven dat artikel 4:8 van de Awb het oog heeft op bevordering</para>
      <para>van een juiste vaststelling van relevante feiten en</para>
      <para>omstandigheden en in deze fase van de besluitvorming de</para>
      <para>rechtsbescherming niet voorop staat, ziet de Raad in evenbedoelde</para>
      <para>schending echter onvoldoende grond gelegen voor vernietiging van</para>
      <para>het besluit van 27 september 1995. Hij heeft daarbij tevens in</para>
      <para>aanmerking genomen dat vóórdat het besluit van 13 maart 1995 is</para>
      <para>genomen met appellant overleg is gepleegd over diens functioneren</para>
      <para>en appellant voorts zijn zienswijze in administratief beroep naar</para>
      <para>voren heeft kunnen brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het door appellant betwiste oordeel van</para>
      <para>gedaagde dat het dienstbelang vereiste dat aan appellant</para>
      <para>tijdelijk andere werkzaamheden werden opgedragen, overweegt de</para>
      <para>Raad dat uit de gedingstukken onmiskenbaar blijkt dat appellants</para>
      <para>functioneren door zijn chef zowel kwalitatief als kwantitatief</para>
      <para>als slecht is beoordeeld. Voorts acht de Raad genoegzaam</para>
      <para>vaststaan dat appellants chef door leidinggevenden van diverse</para>
      <para>scholen is benaderd met klachten over appellants functioneren en</para>
      <para>dat aan deze zelfs te kennen is gegeven dat men appellant</para>
      <para>eigenlijk geen zaken van ongeoorloofd schoolverzuim meer in</para>
      <para>handen wilde stellen. Tegen die achtergrond en gegeven de</para>
      <para>omstandigheid dat het hier ging om een verantwoordelijke,</para>
      <para>zelfstandig uit te oefenen functie met een groot afbreukrisico</para>
      <para>kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat voldoende</para>
      <para>dienstbelang om appellant tijdelijk andere werkzaamheden op te</para>
      <para>dragen ontbrak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de juistheid van appellants stelling dat bij de</para>
      <para>voorbereiding van het betrokken besluit de nodige kennis over de</para>
      <para>relevante feiten en de af te wegen belangen niet dan wel</para>
      <para>onvoldoende zouden zijn vergaard, heeft de Raad onvoldoende</para>
      <para>aanknopingspunten kunnen vinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is voorts van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de</para>
      <para>werkzaamheden waarmee appellant is belast, te weten werkzaamheden</para>
      <para>die in het verlengde lagen van de door hem vóór 1 januari 1992</para>
      <para>verrichte werkzaamheden, hem in redelijkheid niet konden worden</para>
      <para>opgedragen. De Raad acht onvoldoende gebleken dat sprake zou zijn</para>
      <para>van een zodanige animositeit tussen appellant en de chef sociale</para>
      <para>zaken dat de werkzaamheden op de afdeling sociale zaken voor hem</para>
      <para>deswege niet passend zouden kunnen worden geacht. Aan de</para>
      <para>conclusie dat sprake was van passende werkzaamheden ziet de Raad</para>
      <para>evenmin afdoen de door appellant naar voren gebrachte</para>
      <para>omstandigheid dat hij zich de inmiddels totstandgekomen nieuwe</para>
      <para>wetgeving eigen diende te maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van</para>
      <para>appellant tegen de ongegrondverklaring van zijn beroep tegen het</para>
      <para>besluit van 27 september 1998 niet kan slagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van het besluit van 28 september 1995</para>
      <para>Het besluit van 28 september 1995 betreft de ongegrondverklaring</para>
      <para>van de bezwaren van appellant tegen de over hem over het tijdvak</para>
      <para>van 1 januari 1994 tot 1 december 1994 vastgestelde beoordeling.</para>
      <para>Die beoordeling laat een onvoldoende functioneren zien zowel</para>
      <para>kwantitatief als kwalitatief.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft in hoger beroep - kort gezegd - naar voren</para>
      <para>gebracht dat bij het opmaken van de beoordeling onvoldoende</para>
      <para>rekening is gehouden met externe factoren en voorts dat ter</para>
      <para>ondersteuning van de negatieve waarderingen in de beoordeling</para>
      <para>onvoldoende concrete feiten en omstandigheden zijn aangedragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van de beoordeling</para>
      <para>overweegt de Raad dat die, volgens zijn vaste jurisprudentie, is</para>
      <para>beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op</para>
      <para>onvoldoende gronden berust. Naar de Raad reeds eerder heeft</para>
      <para>uitgemaakt moet in gevallen van negatieve oordelen als</para>
      <para>uitgangspunt gelden dat het op de weg van het betrokken</para>
      <para>bestuursorgaan ligt in rechte genoegzaam aan te tonen dat die</para>
      <para>waardering niet op onvoldoende gronden berust. In overeenstemming</para>
      <para>met evenbedoelde jurisprudentie merkt de Raad voorts nog op, dat</para>
      <para>niet beslissend is of elk feit dat ter adstructie van een</para>
      <para>waardering boven elke twijfel verheven is en dat zelfs niet van</para>
      <para>doorslaggevend belang is of bepaalde feiten onjuist blijken te</para>
      <para>zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Het gaat erom of in het</para>
      <para>totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de</para>
      <para>gegeven waarderingen de evenbedoelde toetsing kunnen doorstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad merkt in de eerste plaats op dat appellant hem niet ervan</para>
      <para>heeft kunnen overtuigen dat bij de onderhavige beoordeling</para>
      <para>onvoldoende rekening zou zijn gehouden met externe factoren. Met</para>
      <para>name heeft hij onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden om de</para>
      <para>stellingname van gedaagde, dat bij de beoordeling zowel rekening</para>
      <para>is gehouden met de omstandigheid dat appellant vanaf februari</para>
      <para>1994 op minder uren werkzaam was vanwege ouderschapsverlof als</para>
      <para>ook het gegeven dat hij vanaf 6 september 1994 zijn functie</para>
      <para>wegens ziekte niet meer heeft uitgeoefend, voor onjuist te</para>
      <para>houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de in de beoordeling neergelegde waarderingen</para>
      <para>overweegt de Raad vooreerst dat hij onvoldoende aanleiding heeft</para>
      <para>gevonden te twijfelen aan de juistheid van het door gedaagde</para>
      <para>ingenomen standpunt dat een met het betrokken terrein niet bekend</para>
      <para>zijnde ambtenaar, zoals appellant, na twee jaar kon en mocht</para>
      <para>worden beoordeeld tegen de achtergrond van de voor een normale</para>
      <para>functievervulling geldende eisen. Reeds om die reden ziet de Raad</para>
      <para>aan appellants grief dat onvoldoende rekening is gehouden met</para>
      <para>- het beeld over appellants functioneren dat opkomt uit - de ten</para>
      <para>aanzien van appellant over 1993 opgemaakte beoordeling, waarbij</para>
      <para>nog is uitgegaan van een nog niet voldoende ingewerkte</para>
      <para>functionaris, niet die betekenis toekomen die appellant daaraan</para>
      <para>toegekend wenst te zien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan appellant is de Raad voorts van oordeel dat van de</para>
      <para>zijde van gedaagde in de beschikbare gedingstukken genoegzaam</para>
      <para>aannemelijk is gemaakt dat appellants functievervulling vanaf 1</para>
      <para>januari 1994 zowel kwantitatief als kwalitatief een onvoldoende</para>
      <para>beeld te zien gaf. Ten aanzien van de in dat verband naar voren</para>
      <para>gebrachte externe klachten tekent hij daarbij aan dat hij, gelet</para>
      <para>op hetgeen appellant dienaangaande naar voren heeft gebracht,</para>
      <para>niet de overtuiging heeft verkregen dat die klachten in essentie</para>
      <para>voldoende feitelijke grondslag zouden ontberen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van evenbedoelde gegevens staat voor de Raad genoegzaam</para>
      <para>vast dat appellants kennis van de meer algemene vormgeving van</para>
      <para>het werkgebied leerplichtzaken te kort schoot. Dat de scheiding</para>
      <para>tussen beleid en uitvoering in relevante mate aan</para>
      <para>kennisvermeerdering in de weg stond, acht de Raad onvoldoende</para>
      <para>gebleken. Voor de Raad is ook voldoende aannemelijk dat appellant</para>
      <para>de aan zijn functie verbonden zelfstandigheid niet adequaat vorm</para>
      <para>heeft gegeven door onvoldoende actief gebruik te maken van de aan</para>
      <para>zijn functie verbonden bevoegdheden en onvoldoende in te springen</para>
      <para>op nieuwe ontwikkelingen. Dat appellant in zijn contacten een</para>
      <para>zekere onverschilligheid aan de dag legde, ziet de Raad in de</para>
      <para>gedingstukken eveneens bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad deelt evenwel de opvatting van appellant dat hoewel</para>
      <para>appellants kennis van de meer algemene vormgeving van het</para>
      <para>werkgebied tekort schoot en op zich zelf de waardering</para>
      <para>'onvoldoende' zou rechtvaardigen, het tussen partijen vaststaande</para>
      <para>gegeven dat hij in 1994 er blijk van heeft gegeven over voldoende</para>
      <para>kennis te beschikken van de normale gevalsbehandeling ertoe dient</para>
      <para>te leiden dat de waardering voor het totale bestanddeel kennis</para>
      <para>dient te worden gewijzigd in 'matig'. Hieruit volgt dat de</para>
      <para>bestreden beoordeling in zoverre niet in stand kan worden</para>
      <para>gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aanmerking genomen dat de hiervoor bedoelde aanpassing van de</para>
      <para>waardering van het bestanddeel kennis het totaalbeeld van het</para>
      <para>functioneren van appellant naar het oordeel van de Raad niet</para>
      <para>wijzigt, zal de Raad de beoordeling met toepassing van artikel</para>
      <para>8:72, vierde lid, van de Awb aldus wijzigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het voorgaande ziet de Raad voldoende aanleiding om gedaagde</para>
      <para>te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 1.420,-- aan</para>
      <para>kosten wegens aan appellant in eerste aanleg verleende</para>
      <para>rechtsbijstand en een bedrag groot f 1.420,-- aan kosten wegens</para>
      <para>aan appellant in hoger beroep verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Al het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat moet worden</para>
      <para>beslist als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Recht doende:</para>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep</para>
      <para>van appellant tegen het besluit van 28 september 1995 ongegrond</para>
      <para>is verklaard;</para>
      <para>Verklaart het beroep van appellant tegen het besluit van 28</para>
      <para>september 1995 alsnog gegrond;</para>
      <para>Vernietigt het besluit van 28 september 1995 voor zover de</para>
      <para>handhaving van de beoordeling betrekking heeft op de waardering</para>
      <para>van het bestanddeel 'kennis' met een 'A';</para>
      <para>Stelt de waardering van het bestanddeel 'kennis' vast op 'B';</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste</para>
      <para>aanleg tot een bedrag groot f 1.420,-- en in hoger beroep tot een</para>
      <para>bedrag groot f 1.420,--, te betalen door de gemeente Alphen aan</para>
      <para>den Rijn;</para>
      <para>Bepaalt dat de gemeente Alphen aan den Rijn aan appellant het</para>
      <para>door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde</para>
      <para>griffierecht van in totaal f 500,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr</para>
      <para>W.D.M. van Diepenbeek en mr H.J. Simon als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 5 november 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) H.A.A.G. Vermeulen.</para>
    <para />
    <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
    <para />
    <para />
    <para>HD</para>
    <para />
    <para>Q</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>