<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7934</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T19:57:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7934</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-11-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/12213 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=39&amp;g=1998-11-10">Algemene bijstandswet 39</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:16&amp;g=1998-11-10">Algemene wet bestuursrecht 4:16</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:19&amp;g=1998-11-10">Algemene wet bestuursrecht 4:19</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1999, 4</rdf:li>
          <rdf:li>Gst. 1999-7095, 11 met annotatie van W.P.F. de Bruijn</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/5</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7934">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7934</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:54:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7934 Centrale Raad van Beroep , 10-11-1998 / 97/12213 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7934:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7934:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/12213 ABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
      <para> Rotterdam, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr M.A.C. Vijn, werkzaam bij de Rechtskundige Dienst FNV, hoger beroep ingesteld tegen een</para>
      <para>door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam onder dagtekening 11 november 1997 tussen partijen gewezen</para>
      <para> uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gronden waarop dit hoger beroep berust, zijn namens</para>
      <para> appellant door mr H. Koelewijn, advocaat en procureur te</para>
      <para>Utrecht, aangevuld bij schrijven van 17 maart 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 oktober 1998, waar appellant in persoon is verschenen,</para>
      <para> bijgestaan door mr H. Koelewijn, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door</para>
      <para> mr M.J.B. van der Hoeven, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht</para>
      <para>(Awb), kan de Raad, indien de zaak spoedeisend is, bepalen dat</para>
      <para> deze versneld wordt behandeld. De Raad heeft het verzoek van appellant om de onderhavige zaak zodanig te behandelen</para>
      <para>gehonoreerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, geboren in 1959, ontvangt in aansluiting op een aan</para>
      <para> hem toegekende uitkering krachtens de Werkloosheidswet, sedert 1 juni 1996 een periodieke uitkering krachtens de Algemene</para>
      <para> bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 5 juni 1996 diende appellant een aanvraag in om bijzondere</para>
      <para> bijstand welke - naar de Raad op grond van de gedingstukken</para>
      <para> aanneemt - betrekking heeft op de kosten van enkele nog af te</para>
      <para> leggen examens in het kader van de door appellant reeds aangevangen en door hem zelf bekostigde opleiding</para>
      <para> Grootrijbewijs CCVB/ADR.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op verzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam is naar aanleiding van deze aanvraag door het Arbeidsbureau Rotterdam Zuid-Ooost op</para>
      <para> 2 juli 1996 een advies uitgebracht.</para>
      <para>Daarin is aangegeven dat de betreffende opleiding niet noodzakelijk is te achten voor duurzame inschakeling van</para>
      <para>appellant in het arbeidsproces.</para>
      <para>Het Arbeidsbureau heeft hierbij het volgende overwogen:</para>
      <para>"Bovengenoemde opleiding is niet relevant voor betr. Ten eerste is de vraag naar chauffeurs op dit moment gering. Ten</para>
      <para> tweede heeft cl. rugklachten waardoor inpasbaarheid binnen een</para>
      <para> dergelijke functie bemoeilijkt wordt. Op 1 juli jl. vond een</para>
      <para>diagnostiseringsgesprek met betr. plaats waaruit bleek dat cl. een dusdanige afstand tot de arbeidsmarkt heeft dat alleen</para>
      <para>scholing niet zal leiden tot arbeidsinpassing.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 9 augustus 1996 is de aanvraag van appellant</para>
      <para> van 5 juni 1996 afgewezen op de grond dat de betreffende</para>
      <para>opleiding blijkens evengenoemd advies van het Arbeidsbureau</para>
      <para> niet noodzakelijk is voor de inschakeling in het arbeidsproces.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een door appellant ingediend bezwaarschrift is ongegrond verklaard bij het bestreden besluit van 18 maart 1997. Hiertoe</para>
      <para>is door gedaagde onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"Er wordt niet voldaan aan de vereiste dat het arbeidsbureau</para>
      <para> dient te oordelen dat het volgen van de opleiding Groot</para>
      <para> Rijbewijs voor appellant arbeidsmarktrelevant is. In dat geval</para>
      <para> is in beginsel verlening van bijzondere bijstand in de kosten</para>
      <para>verbonden aan het behalen van het Groot Rijbewijs niet mogelijk. Wij zijn met sozawe van mening dat niet gebleken is</para>
      <para>van een aanleiding die noodzaakt tot afwijking van deze algemene regel.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van</para>
      <para> 11 november 1997 - kort samengevat - overwogen dat</para>
      <para> niet kan worden gezegd dat het door het Arbeidsbureau uitgebrachte advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen. De</para>
      <para> rechtbank is voorts van oordeel dat er, nu appellant op eigen initiatief en zonder vooraf overleg te plegen met het</para>
      <para> Arbeidsbureau een opleiding is gaan volgen die niet als arbeidsmarktrelevant is aangemerkt, geen grondslag is voor</para>
      <para> gedaagde om de daarmee gepaard gaande kosten te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt dienaangaande het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden</para>
      <para> verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te</para>
      <para> voorzien, recht op bijstand van overheidswege.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 39, eerste lid, van de Abw is bepaald dat,</para>
      <para> onverminderd hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht</para>
      <para> heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere</para>
      <para> omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en</para>
      <para> wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige</para>
      <para> draagkracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens het bestreden besluit is het oordeel van gedaagde dat het volgen van de opleiding Grootrijbewijs CCVB/ADR niet</para>
      <para>noodzakelijk is te achten voor de inschakeling van appellant in het arbeidsproces, met name gebaseerd op het hierboven</para>
      <para>genoemde advies van het Arbeidsbureau van 2 juli 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad merkt allereerst op, dat het gedaagde vrij stond om</para>
      <para> bij de voorbereiding van het bestreden besluit gebruik te</para>
      <para> maken van de bij het Arbeidsbureau bestaande expertise met betrekking tot de arbeidsmarkt.</para>
      <para>Dit laat evenwel onverlet, dat het op de weg van gedaagde lag om zich ervan te vergewissen dat het advies van het</para>
      <para>Arbeidsbureau voldoet aan de eisen die uit een oogpunt van zorgvuldigheid en motivering aan de besluitvorming zelf moeten</para>
      <para>worden gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals namens gedaagde ter zitting is erkend, kan op grond van</para>
      <para> de stukken, waarvan met name de van de zijde van appellant bij de rechtbank overgelegde gegevens met betrekking tot diverse</para>
      <para> vacatures bij het Arbeidsbureau, het niet nader onderbouwde</para>
      <para> advies van het Arbeidsbureau van</para>
      <para> 2 juli 1996 voorzover inhoudende dat de vraag naar chauffeurs</para>
      <para> ten tijde van belang gering was, niet als juist worden aanvaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts is van de zijde van gedaagde geen enkel medisch gegeven overgelegd, waarmee de conclusie van het Arbeidsbureau, dat</para>
      <para> appellant door rugklachten zou worden belemmerd om werk te vinden in het verlengde van zijn opleiding, nader wordt onderbouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt tenslotte vast, dat uit de gedingstukken evenmin</para>
      <para> blijkt, welke feiten en omstandigheden de door gedaagde</para>
      <para>overgenomen conclusie van het Arbeidsbureau dat appellant een</para>
      <para> dusdanige afstand tot de arbeidsmarkt heeft, dat alleen</para>
      <para>scholing niet zal leiden tot arbeidsinpassing, rechtvaardigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door gemachtigde van gedaagde ter zitting gegeven schets van het arbeidsverleden van appellant doet naar het oordeel</para>
      <para>van de Raad aan het vorenstaande niet af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het voorgaande is de Raad van oordeel dat gedaagde zich</para>
      <para> bij het nemen van het het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op het advies van het Arbeidsbureau van 2 juli 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hieruit vloeit voort, dat het bestreden besluit niet wordt</para>
      <para> gedragen door de daaraan ten grondslag liggende motivering.</para>
      <para> Dit besluit komt derhalve op grond van het bepaalde in artikel</para>
      <para> 4:16 (sedert 1 januari 1998 artikel 3:46), in verbinding met</para>
      <para>artikel 4:19 (sedert 1 januari 1998 artikel 3:49) van de Awb voor vernietiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde dient een nieuw besluit te nemen, met inachtneming</para>
      <para> van hetgeen hiervoor is overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft verzocht gedaagde onder toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van schade die appellant lijdt, bestaande uit de wettelijke rente over de</para>
      <para> niet verstrekte bijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het bestreden besluit wordt vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming</para>
      <para>ervan en dat gedaagde een nader besluit dient te nemen.</para>
      <para>Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over</para>
      <para> mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nadere besluit zal gaan luiden.</para>
      <para>Gedaagde zal bij het nemen van een nader besluit tevens</para>
      <para> aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen</para>
      <para>zijn om schade te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht tenslotte termen aanwezig om op grond van artikel</para>
      <para> 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze kosten worden in eerste aanleg begroot op</para>
      <para> f 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand en f 3,-- voor</para>
      <para> reiskosten en in hoger beroep op f 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand en f 31,50 voor reiskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Recht doende:</para>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt</para>
      <para> het bestreden besluit;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde een nader besluit zal nemen met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in</para>
      <para> eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.423,-- en in hoger</para>
      <para>beroep tot een bedrag groot f 1.451,50, te betalen door de gemeente Rotterdam aan de griffier van de Raad;</para>
      <para>Gelast de gemeente Rotterdam aan appellant het door hem</para>
      <para> betaalde griffierecht ad f 210,-- te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en</para>
      <para> mr J.M.A. van der Kolk-Severijns en</para>
      <para> mr Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het openbaar op</para>
      <para> 10 november 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para>(get.) I. de Hartog.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>411</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>