<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7932</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:24:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7932</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-10-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/8906 AKW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002368&amp;artikel=2&amp;g=1998-10-29">Algemene Kinderbijslagwet 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002368&amp;artikel=3&amp;g=1998-10-29">Algemene Kinderbijslagwet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002368&amp;artikel=6&amp;g=1998-10-29">Algemene Kinderbijslagwet 6</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1998/314 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7932">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7932</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:54:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-04-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7932 Centrale Raad van Beroep , 29-10-1998 / 97/8906 AKW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7932:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Recht op kinderbijslag, ingezetenschap, verblijfstatus, gedoogdenstatus en juridische binding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7932:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/8906 AKW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>de Sociale Verzekeringsbank, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij (op bezwaar genomen) besluit van 15 maart 1996 heeft</para>
      <para>appellant aan gedaagde medegedeeld dat gedaagde op de</para>
      <para>zogeheten peildata van de kwartalen te rekenen vanaf</para>
      <para>1 januari 1993 tot 1 april 1995 in het kader van de Algemene</para>
      <para>Kinderbijslagwet (hierna: AKW) niet als ingezetene van</para>
      <para>Nederland kan worden aangemerkt, zodat zij in die periode niet</para>
      <para>verzekerd is geweest voor de AKW en om die reden over die</para>
      <para>periode geen recht op uitkering ingevolge de AKW heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Utrecht heeft bij uitspraak van</para>
      <para>10 september 1997 het namens gedaagde tegen dit besluit</para>
      <para>ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft, op bij aanvullend beroepschrift d.d.</para>
      <para>4 december 1997 aangegeven gronden, hoger beroep ingesteld</para>
      <para>tegen deze uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op</para>
      <para>17 september 1998, waar voor appellant is verschenen mr S.H.</para>
      <para>Peper, werkzaam bij appellant. Gedaagde heeft zich bij die</para>
      <para>gelegenheid doen vertegenwoordigen door</para>
      <para>mr A.J. de Hamer, advocaat te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoek om aanhouding van de behandeling</para>
      <para>Ter zitting van de Raad heeft gedaagdes gemachtigde verzocht</para>
      <para>de behandeling van de zaak aan te houden en op een later</para>
      <para>tijdstip voort te zetten. Daartoe heeft gedaagdes gemachtigde</para>
      <para>aangevoerd dat hij juist voor de aanvang van de zitting op de</para>
      <para>hoogte is gebracht van de behandeling ter zitting en dat hij</para>
      <para>om die reden geen kontakt heeft kunnen hebben met zijn cliënte</para>
      <para>en derhalve niet nogmaals de zaak met haar heeft kunnen</para>
      <para>doorspreken. Tevens heeft gedaagdes gemachtigde gewezen op het</para>
      <para>belang van gedaagdes aanwezigheid ter zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Omtrent dit verzoek overweegt de Raad het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 20 augustus 1998 heeft de Raad de kennisgeving</para>
      <para>van de zitting van 17 september 1998 aangetekend verzonden</para>
      <para>naar het kantooradres van gedaagdes gemachtigde.</para>
      <para>Blijkens de door de PTT geretourneerde envelop is dit poststuk</para>
      <para>op 24 augustus 1998 vergeefs op het</para>
      <para>(kantoor)adres van gedaagdes gemachtigde aangeboden, met</para>
      <para>achterlating van een bericht. Op 3 september 1998 is</para>
      <para>vervolgens een duplicaat van dit bericht op het kantooradres</para>
      <para>van gedaagdes gemachtigde bezorgd.</para>
      <para>Op 15 september 1998 was het poststuk (nog steeds) niet</para>
      <para>afgehaald, waarna het stuk is geretourneerd naar de Raad,</para>
      <para>alwaar het stuk op 16 september 1998 is ingekomen.</para>
      <para>Uit deze gegevens kan worden opgemaakt dat het stuk op juiste</para>
      <para>wijze en op het juiste adres is aangeboden. De omstandigheid</para>
      <para>dat gedaagdes gemachtigde het stuk niet in ontvangst heeft</para>
      <para>genomen, dient derhalve voor risico van gedaagde komen.</para>
      <para>De Raad ziet derhalve in de gang van zaken met betrekking tot</para>
      <para>de kennisgeving van de zitting geen aanleiding de behandeling</para>
      <para>van de zaak aan te houden en acht daartoe in verband met</para>
      <para>hetgeen omtrent de inhoud van het geschil naar voren is</para>
      <para>gebracht, evenmin grond aanwezig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingezetenschap</para>
      <para>Aan de aangevallen uitspraak, waarin gedaagde wordt aangeduid</para>
      <para>als eiseres en appellant wordt aangeduid als verweerder,</para>
      <para>ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:</para>
      <para>"Eiseres is op 6 januari 1993 met drie van haar</para>
      <para>kinderen vanuit Somalië in Nederland aangekomen. Haar</para>
      <para>echtgenoot verblijft in Kenia en twee andere kinderen wonen</para>
      <para>bij een tante in Somalië.</para>
      <para>Op 13 januari 1993 heeft eiseres een asielaanvraag ingediend</para>
      <para>bij het Ministerie van Justitie.</para>
      <para>Bij beschikking van 12 maart 1993 heeft de Staatssecretaris</para>
      <para>van Justitie de aanvragen van eiseres om toelating als</para>
      <para>vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf</para>
      <para>van 13 januari 1993 niet ingewilligd.</para>
      <para>Namens eiseres is daartegen bij brief van 13 april 1993 een</para>
      <para>herzieningsverzoek ingediend.</para>
      <para>Naar aanleiding hiervan heeft de Staatssecretaris bij brief</para>
      <para>van 11 juni 1993 medegedeeld dat eiseres in aanmerking komt</para>
      <para>voor een formele verklaring van niet-verwijderbaarheid (een</para>
      <para>zogenaamde gedoogdenverklaring) omdat, gelet op de</para>
      <para>(mensenrechten) situatie in het land van herkomst, zich ten</para>
      <para>aanzien van haar een situatie voordoet die schending van</para>
      <para>artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens</para>
      <para>zou kunnen opleveren indien zij gedwongen naar dat land wordt</para>
      <para>teruggezonden.</para>
      <para>Echter deze verklaring kan slechts worden afgegeven nadat</para>
      <para>eiseres alle procedures over de door haar ingediende verzoeken</para>
      <para>om toelating als vluchteling dan wel een vergunning tot</para>
      <para>verblijf heeft ingetrokken. Indien eiseres onder die</para>
      <para>voorwaarde gebruik wenste te maken van de mogelijkheid een</para>
      <para>gedoogdenverklaring te verkrijgen kon zij zich vervoegen bij</para>
      <para>het hoofd van de politie van haar woonplaats om de benodigde</para>
      <para>formaliteiten af te wikkelen, aldus de brief van 11 juni 1993.</para>
      <para>Niet gesteld of gebleken is dat eiseres van die mogelijkheid</para>
      <para>gebruik heeft gemaakt.</para>
      <para>De jurisprudentie van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van</para>
      <para>State met betrekking tot de door verweerder gehanteerde</para>
      <para>redengeving voor het (wel) verstrekken van een</para>
      <para>gedoogdenverklaring maar het weigeren van een vergunning tot</para>
      <para>verblijf waarin de Afdeling stelt dat deze redengeving</para>
      <para>ontoereikend is, is aanleiding geweest voor de in nr. 8 van</para>
      <para>1994 van de Nieuwsbrief Asiel- en Vluchtelingenrecht opgenomen</para>
      <para>personeelsmededeling d.d. 21 juli 1994 gericht aan alle</para>
      <para>medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)</para>
      <para>die kort samengevat inhield dat een betrokkene in een situatie</para>
      <para>als eiseres die voor 1 januari 1994 een aanvraag heeft</para>
      <para>ingediend, tot Nederland wordt toegelaten op basis van een</para>
      <para>vergunning tot verblijf zonder beperking te rekenen vanaf</para>
      <para>datum verzoek.</para>
      <para>In die mededeling is ook aangegeven hoe de beschikking met</para>
      <para>betrekking tot de vergunning tot verblijf dient te worden</para>
      <para>gemotiveerd, te weten als volgt:</para>
      <para>"Het asielverzoek is ingediend op "/Vast staat dat betrokkene</para>
      <para>als asielzoeker voor 1 januari 1994 als asielzoeker bekend</para>
      <para>was. Mitsdien voordat de wijzigingen van de Vreemdelingenwet</para>
      <para>per 1 januari 1994 in werking waren getreden. Indien</para>
      <para>onmiddellijk zou zijn beslist op de aanvraag, zou betrokkene,</para>
      <para>nu niet van contraindicaties is gebleken, in aanmerking zijn</para>
      <para>gekomen voor "gedoogdaanbod". Met inachtneming van de</para>
      <para>uitspraken van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State</para>
      <para>en het feit dat de daaruit voortvloeiende wijziging van de</para>
      <para>Vreemdelingenwet inzake de voorwaardelijke vergunning tot</para>
      <para>verblijf geen terugwerkende kracht heeft, wordt betrokkene tot</para>
      <para>Nederland toegelaten op basis van een vergunning tot verblijf</para>
      <para>zonder beperking te rekenen vanaf datum verzoek."</para>
      <para>Als uitvloeisel van de jurisprudentie van de Afdeling</para>
      <para>Rechtspraak van de Raad van State heeft de Staatssecretaris</para>
      <para>van Justitie in zijn beschikking van 13 januari 1995 eiseres</para>
      <para>met ingang van 13 januari 1993 een vergunning tot verblijf</para>
      <para>verleend zonder beperking (geldig tot en met 13 januari 1994,</para>
      <para>onder gelijktijdige verlenging van de geldigheidsduur tot</para>
      <para>januari 1996). Haar herzieningsverzoek om als vluchteling te</para>
      <para>worden toegelaten is daarbij afgewezen.</para>
      <para>Met betrekking tot de overige omstandigheden geldt het</para>
      <para>volgende.</para>
      <para>Na een eerste opvang in een asielzoekerscentrum in Helmond</para>
      <para>heeft eiseres op 30 juni 1991 een ROA-woning in Utrecht</para>
      <para>betrokken. Vanaf die datum ontving zij ook een ROA-uitkering</para>
      <para>en staat zij ingeschreven bij de afdeling Bevolking van de</para>
      <para>gemeente Utrecht.</para>
      <para>Sedert 1 juni 1995 ontvangt eiseres een RWW-uitkering en vanaf</para>
      <para>juli 1995 is de ROA-woning als huurwoning aan haar toegewezen.</para>
      <para>Op 13 april 1995 heeft eiseres voor haar drie kinderen</para>
      <para>kinderbijslag aangevraagd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad voegt hieraan nog toe dat gedaagdes drie kinderen</para>
      <para>vrijwel direct na aankomst in Nederland naar Nederlandse</para>
      <para>scholen zijn gegaan en dat gedaagde zelf in november 1993 een</para>
      <para>aanvang heeft gemaakt met een cursus Nederlands.</para>
      <para>De rechtbank heeft overwogen dat, uitgaande van de mededeling</para>
      <para>van 21 juli 1994 van de zijde van de Staatssecretaris van</para>
      <para>Justitie, in samenhang met de overige relevante</para>
      <para>omstandigheden, gedaagde met ingang van het vierde kwartaal</para>
      <para>van 1994 als ingezetene aan te merken valt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft in hoger beroep hiertegen aangevoerd dat</para>
      <para>volgens de jurisprudentie van de Raad voor de bepaling van</para>
      <para>juridische binding bepalend is de datum van de beslissing die</para>
      <para>aan de betrokkene wordt uitgereikt, zodat eerst in het tweede</para>
      <para>kwartaal van 1995 een zodanige juridische band met Nederland</para>
      <para>is ontstaan dat die, te zamen met de overige relevante</para>
      <para>factoren, tot het aannemen van ingezetenschap dient te leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in</para>
      <para>Nederland woont. De vraag, waar gedaagde op de peildata van de</para>
      <para>in geding zijnde kwartalen, te weten het vierde kwartaal van</para>
      <para>1994 en het eerste kwartaal van 1995, woonde, wordt voor de</para>
      <para>toepassing van de AKW ingevolge artikel 3, eerste lid, van die</para>
      <para>wet naar de omstandigheden beoordeeld. Naar vaste</para>
      <para>jurisprudentie van de Raad is daarbij in het bijzonder van</para>
      <para>belang in welke mate er sprake is van sociale, economische en</para>
      <para>juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Op</para>
      <para>het moment dat aan de hand van deze criteria kan worden</para>
      <para>vastgesteld dat het middelpunt van het maatschappelijk leven</para>
      <para>in Nederland is komen te liggen, mag worden aangenomen dat de</para>
      <para>betrokken persoon woonplaats in Nederland heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn uitspraak van 29 april 1998, nr 96/6942 AKW,</para>
      <para>gepubliceerd in USZ 1998/175, heeft de Raad overwogen dat de</para>
      <para>door appellant gehanteerde beleidsregel dat pas sprake is van</para>
      <para>juridische binding, indien voldoende zekerheid zijdens de</para>
      <para>Minister van Justitie is verschaft dat de betrokkene in</para>
      <para>Nederland zal mogen blijven, niet onrechtmatig is. Voorts</para>
      <para>heeft de Raad in deze uitspraak geoordeeld dat de beleidsregel</para>
      <para>van appellant om geen rekening te houden met een eventueel met</para>
      <para>terugwerkende kracht verlenen van een verblijfstitel, evenmin</para>
      <para>onrechtmatig is, aangezien de onzekerheid tot het bekend</para>
      <para>worden van dat besluit, is blijven bestaan.</para>
      <para>De Raad is van oordeel dat de toepassing van deze beleidsregel</para>
      <para>in een geval als het onderhavige, waarin uit een interne</para>
      <para>mededeling van de zijde van de Staatssecretaris van Justitie</para>
      <para>zou kunnen worden afgeleid dat iemand in aanmerking zou kunnen</para>
      <para>komen voor een verblijfsvergunning, evenmin onrechtmatig is,</para>
      <para>omdat -ondanks de mededeling van de Staatssecretaris- eerst op</para>
      <para>het moment van de verlening van de verblijfsvergunning een</para>
      <para>definitief einde komt aan de onzekerheid over het verder mogen</para>
      <para>verblijven in Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de omstandigheid dat gedaagde op 11 juni 1993 een</para>
      <para>gedoogdenstatus onder voorwaarden aangeboden heeft gekregen</para>
      <para>(die zij overigens niet heeft aanvaard), waarmee  een nog</para>
      <para>zwakke juridische binding met Nederland is bewerkstelligd, en</para>
      <para>de overige hierboven vermelde feiten en omstandigheden, komt</para>
      <para>de Raad tot de slotsom dat appellant gedaagde terecht niet</para>
      <para>eerder dan met ingang van het tweede kwartaal van 1995 als</para>
      <para>ingezetene heeft aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging</para>
      <para>in aanmerking komt en het inleidend beroep alsnog ongegrond</para>
      <para>dient te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als</para>
      <para>voorzitter en mr B.J. van der Net en mr H.C. Cusell als leden,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van B. Goos als griffier en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 29 oktober 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) B. Goos.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge</para>
      <para>de Algemene Kinderbijslagwet kan ieder der partijen beroep in</para>
      <para>cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of</para>
      <para>verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der</para>
      <para>artikelen 1, tweede lid, 2, 3 en 6 van die wet.</para>
      <para>Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit</para>
      <para>afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum, een</para>
      <para>beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in</para>
      <para>te zenden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>3010</para>
      <para>Q</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>