<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7830</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:42:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7830</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-06-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/892 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=1a&amp;g=1998-06-02">Algemene bijstandswet 1a</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=1a&amp;g=1998-06-02">Algemene bijstandswet 1a</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1998, 230</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1998, 130</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7830">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7830</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:54:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2009-05-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7830 Centrale Raad van Beroep , 02-06-1998 / 97/892 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7830:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>In de gegeven omstandigheden is de mogelijkheid om voor de opleidingskosten een persoonlijke lening af te sluiten een voorliggende voorziening - beroep op gelijkheidsbeginsel faalt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7830:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/892 ABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
      <para>Amsterdam, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als gemachtigde van appellante heeft A.G. Ritsema te Amsterdam</para>
      <para>op de bij aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden hoger</para>
      <para>beroep ingesteld tegen de onder dagtekening 9 december 1996</para>
      <para>door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam tussen partijen</para>
      <para>gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desverzocht op</para>
      <para>28 januari 1998 nog enige stukken ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 10 april 1998 heeft appellante onder andere</para>
      <para>gereageerd op de inhoud van het verweerschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 21 april 1998, waar</para>
      <para>appellante, zoals aangekondigd, niet is verschenen. Gedaagde,</para>
      <para>daartoe ambtshalve opgeroepen, heeft zich doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr J.T.M. de Haan-Bergisch, werkzaam bij</para>
      <para>de gemeente Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW)</para>
      <para>ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de</para>
      <para>Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking</para>
      <para>getreden. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt</para>
      <para>beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende</para>
      <para>bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ontleent aan de stukken en het ter zitting verhandelde</para>
      <para>de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante, geboren in 1963, heeft van 1984 tot 1985 aan de</para>
      <para>Universiteit van Amsterdam filosofie gestudeerd. Aansluitend</para>
      <para>heeft zij aan dezelfde universiteit tot 1988</para>
      <para>communicatiewetenschappen gestudeerd en ten slotte heeft zij</para>
      <para>van 1989 tot 1990 in San Francisco (USA) de opleiding 'media</para>
      <para>arts' gevolgd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van 1 oktober 1992 tot 30 november 1994 heeft appellante bij X.</para>
      <para>gewerkt en vervolgens is zij van 7 december 1994 tot 13 januari</para>
      <para>1995 via Randstad Uitzendburo als administratief medewerkster</para>
      <para>werkzaam geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zake van haar per 1 december 1994 ingetreden werkloosheid</para>
      <para>is aan appellante door de voormalige Bedrijfsvereniging voor</para>
      <para>Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen (hierna: Detam) een</para>
      <para>uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Per 24 april 1995 is appellante bij Y. te Z. met de - inclusief</para>
      <para>stage- ongeveer één jaar durende opleiding</para>
      <para>Systeembouw/Systeemontwerp 4GL gestart. De aan deze cursus</para>
      <para>verbonden kosten bedragen f 13.500,--. In de tussen appellante</para>
      <para>en Y. gesloten scholingsovereenkomst is onder andere een 'No</para>
      <para>Cure No Pay-garantie'-bepaling opgenomen, inhoudende dat Y.,</para>
      <para>onder bepaalde voorwaarden, 80% van de opleidingskosten</para>
      <para>terugbetaalt indien binnen een bepaalde termijn geen baan is</para>
      <para>gevonden. Tevens blijkt uit die overeenkomst dat Y. met de</para>
      <para>ABN/AMRO-bank te Soest een regeling heeft getroffen op basis</para>
      <para>waarvan de cursisten de opleidingskosten bij die bank kunnen</para>
      <para>lenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek van appellante om de opleiding bij Y. met behoud</para>
      <para>van haar uitkering ingevolge de WW te mogen volgen, is door de</para>
      <para>Detam bij besluit van 2 mei 1995 gehonoreerd. Verstaan is dat</para>
      <para>de opleiding bij Y. noodzakelijk wordt geacht voor de</para>
      <para>wederinpassing in het arbeidsproces en dat de uitkering</para>
      <para>ingevolge de WW in principe zal worden voortgezet zolang de</para>
      <para>opleiding bij Y. duurt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 30 maart 1995 heeft appellante bij gedaagde een aanvraag</para>
      <para>ingediend om bijstand in de kosten van de opleiding bij Y. ten</para>
      <para>bedrage van f 13.500,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij primair besluit van 26 april 1995 heeft gedaagde die</para>
      <para>aanvraag afgewezen op de grond dat de opleiding in het geval</para>
      <para>van appellante niet noodzakelijk is te achten. Overwogen is dat</para>
      <para>appellante reeds over een opleiding op academisch niveau</para>
      <para>beschikt, terwijl de duur van haar werkloosheid geen aanleiding</para>
      <para>geeft te veronderstellen dat de opleiding noodzakelijk is om</para>
      <para>opnieuw tot de arbeidsmarkt toe te treden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde bij het bestreden besluit van</para>
      <para>22 december 1995 zijn afwijzende standpunt gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep</para>
      <para>tegen het bestreden besluit van 22 december 1995 ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft tegen die uitspraak hoger beroep doen</para>
      <para>instellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij zijn verweerschrift het volgende naar voren</para>
      <para>gebracht:</para>
      <para>"Aan de Algemene Bijstandswet (ABW) ligt het beginsel</para>
      <para>ten grondslag dat een ieder primair zelf</para>
      <para>verantwoordelijk is voor de voorziening in de</para>
      <para>noodzakelijke kosten van het bestaan. Ingevolge het</para>
      <para>bepaalde in artikel 1, eerste lid van de ABW wordt</para>
      <para>aan iedere Nederlander, die hier te lande in</para>
      <para>zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te</para>
      <para>geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in</para>
      <para>de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien,</para>
      <para>bijstand verleend. Kosten welke voortvloeien uit het</para>
      <para>volgen van een studie of opleiding die is</para>
      <para>aangevangen boven de leerplichtige leeftijd kunnen,</para>
      <para>behoudens in bijzondere omstandigheden, niet worden</para>
      <para>gerekend tot de noodzakelijke kosten van het bestaan</para>
      <para>als bedoeld in artikel 1 van de ABW en komen</para>
      <para>derhalve in het algemeen niet voor vergoeding in</para>
      <para>aanmerking. In artikel 1a lid 1 van de ABW is</para>
      <para>bepaald dat geen bijstand wordt verleend voorzover</para>
      <para>een beroep kan worden gedaan op een voorliggende</para>
      <para>voorziening die, gezien haar aard en haar doel,</para>
      <para>wordt geacht voor de betrokkene passend en</para>
      <para>toereikend te zijn. Krachtens het bepaalde in het</para>
      <para>vierde lid van artikel 1a ABW kunnen burgemeester en</para>
      <para>wethouders in afwijking van het bepaalde in het</para>
      <para>eerste lid, voor de aldaar bedoelde kosten bijstand</para>
      <para>verlenen, indien en zolang, gelet op alle</para>
      <para>omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen</para>
      <para>aanwezig zijn. Bij een aanvraag om bijstand in de</para>
      <para>kosten welke voortvloeien uit het volgen van een</para>
      <para>opleiding dient, gelet op het beleid van de Sociale</para>
      <para>Dienst Amsterdam, in elk geval te worden nagegaan of</para>
      <para>er een voorliggende voorziening is en of de te</para>
      <para>volgen opleiding arbeidsmarktrelevant is. Krachtens</para>
      <para>dit beleid geldt voor al het onderwijs of hoger</para>
      <para>beroepsonderwijs- (HBO) of wetenschappelijk</para>
      <para>onderwijsniveau (WO) dat het volgen ervan in</para>
      <para>principe niet is toegestaan met behoud van</para>
      <para>uitkering.</para>
      <para>Het uitgangspunt daarbij is dat er bij aanvang van</para>
      <para>onderwijs op HBO- of WO-niveau al sprake is van een</para>
      <para>zodanig onderwijsniveau, dat in zijn algemeenheid</para>
      <para>redelijke arbeidsmarktkansen bestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In casu kan worden gesteld dat de opleiding</para>
      <para>arbeidsmarktrelevant is, gelet op de</para>
      <para>noodzakelijkheidsverklaring van het Arbeidsbureau.</para>
      <para>De volgende vraag die voorligt is, of in casu sprake</para>
      <para>is van een voorliggende voorziening. Deze vraag</para>
      <para>dient bevestigend te worden beantwoord. Voor de</para>
      <para>cursisten van de door eiseres gevolgde opleiding bij</para>
      <para>Y. is de mogelijkheid gecreëerd een persoonlijke</para>
      <para>lening af te sluiten voor de cursuskosten, waarbij</para>
      <para>door het opleidingsinstituut een zogenaamde "no cure</para>
      <para>no pay garantie" is gegeven. Dat wil zeggen dat,</para>
      <para>indien een cursist er niet in mocht slagen na</para>
      <para>voltooiing van de opleiding een baan te vinden,</para>
      <para>onder bepaalde voorwaarden 80% van de cursuskosten</para>
      <para>worden geretourneerd. In de kosten kon voorzien</para>
      <para>worden door middel van een lening bij de ABN/AMRO</para>
      <para>bank. Van dringende redenen als bedoeld in artikel</para>
      <para>1a lid 4 ABW is ons niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het door eiseres aangevoerde</para>
      <para>argument dat de gemeente in strijd heeft gehandeld</para>
      <para>met het gelijkheidsbeginsel door aan andere</para>
      <para>cursisten onder dezelfde omstandigheden wel bijstand</para>
      <para>in de onderhavige kosten te verlenen, delen wij mee</para>
      <para>dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel volgens</para>
      <para>vaste jurisprudentie niet kan leiden tot een met de</para>
      <para>wet strijdige beslissing.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat uit het hiervoor aangehaalde</para>
      <para>verweerschrift en ook uit het ter zitting verhandelde blijkt</para>
      <para>dat gedaagde zich niet langer op het standpunt stelt dat de</para>
      <para>door appellante bij Y. gevolgde opleiding geen noodzakelijke</para>
      <para>opleiding is. Gedaagde wenst zijn weigering om appellante</para>
      <para>bijstand in de kosten van die opleiding te verlenen echter te</para>
      <para>handhaven en wel op grond van artikel 1a, eerste lid, van de</para>
      <para>ABW. Naar het oordeel van gedaagde is de mogelijkheid om bij</para>
      <para>de ABN/AMRO-bank te Soest voor de opleidingskosten een</para>
      <para>persoonlijke lening af te sluiten aan te merken als een</para>
      <para>voorliggende voorziening als in de zoëven vermelde bepaling</para>
      <para>bedoeld en wel in het bijzonder omdat Y. een 'No Cure No Pay-</para>
      <para>garantie heeft gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad heeft het volgende overwogen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de ABW wordt geen</para>
      <para>bijstand verleend voor zover een beroep kan worden gedaan op</para>
      <para>een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel,</para>
      <para>wordt geacht voor betrokkene toereikend en passend te zijn.</para>
      <para>Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1a</para>
      <para>van de ABW komt bij de beantwoording van de vraag of een</para>
      <para>bepaalde voorliggende voorziening als toereikend en passend</para>
      <para>kan worden aangemerkt niet alleen betekenis toe aan hetgeen</para>
      <para>naar maatschappelijk inzicht aanvaardbaar is maar ook aan de</para>
      <para>omstandigheden en mogelijkheden van het individuele geval.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad stelt gedaagde zich terecht op</para>
      <para>het standpunt dat in de gegeven omstandigheden de via het</para>
      <para>scholingsinstituut geboden mogelijkheid om voor de</para>
      <para>opleidingskosten een persoonlijke lening bij de ABN/AMRO-bank</para>
      <para>af te sluiten kan worden aangemerkt als een voorliggende</para>
      <para>voorziening in de zin van artikel 1a, eerste lid, van de ABW.</para>
      <para>Met de lening kunnen de aan de cursus</para>
      <para>Systeembouw/Systeemontwerp 4GL verbonden kosten immers</para>
      <para>volledig worden gefinancierd, terwijl op grond van de in de</para>
      <para>scholingsovereenkomst opgenomen 'No Cure No</para>
      <para>Pay-garantie'-bepaling de onderwerpelijke leningsmogelijkheid</para>
      <para>ook als een passende voorliggende voorziening is aan te</para>
      <para>merken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien niet is gebleken van zeer dringende redenen als</para>
      <para>bedoeld in artikel 1a, vierde lid, van de ABW op grond waarvan</para>
      <para>aan appellante, in afwijking van artikel 1a, eerste lid, van</para>
      <para>de ABW bijstand zou moeten worden verleend in de kosten van de</para>
      <para>onderwerpelijke opleiding, heeft gedaagde aan zijn weigering</para>
      <para>alsnog artikel 1a, eerste lid, van de ABW ten grondslag kunnen</para>
      <para>leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft in bezwaar, in beroep en in hoger beroep een</para>
      <para>beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. Zij heeft er op</para>
      <para>gewezen dat aan een aantal met name genoemde mede-cursisten</para>
      <para>door gedaagde wél bijstand is verleend in de kosten van de</para>
      <para>onderwerpelijke opleiding bij Y.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat gedaagde in verband met de uitputting</para>
      <para>van het budget van de Kaderregeling Scholing (KRS) voor 1995</para>
      <para>in zijn beleid een mogelijkheid heeft gecreëerd om onder</para>
      <para>bepaalde voorwaarden in de kosten van arbeidsmarkttoeleidende</para>
      <para>scholing, die vallen onder het regime van de KRS, bijzondere</para>
      <para>bijstand te verlenen. Hoewel zulks in het bestreden besluit</para>
      <para>niet is verwoord, ziet die mogelijkheid blijkens de door</para>
      <para>gedaagde in hoger beroep overgelegde informatiebrief van 3</para>
      <para>februari 1995 slechts op die gevallen waarin het wegvallen van</para>
      <para>de subsidiemogelijkheid via de KRS er toe zou leiden dat die</para>
      <para>scholing onmogelijk zou zijn.</para>
      <para>Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde aangegeven dat</para>
      <para>sedert maart 1995 de mogelijkheid van de persoonlijke lening</para>
      <para>bij de ABN/AMRO-bank is geopend en dat, gelet daarop, in het</para>
      <para>geval van appellante van een onmogelijkheid om de opleiding</para>
      <para>bij Y. te volgen geen sprake was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vervolgens vast dat van de door appellante</para>
      <para>genoemde gevallen er vier zijn die als vergelijkbaar kunnen</para>
      <para>worden bestempeld waarin toekenning van bijstand namens</para>
      <para>gedaagde heeft plaatsgevonden voor de kosten van de</para>
      <para>onderhavige opleiding. Uit de door appellante overgelegde</para>
      <para>gegevens kan slechts worden afgeleid dat in één van die</para>
      <para>gevallen toekenning heeft plaatsgevonden nadat de mogelijkheid</para>
      <para>van de persoonlijke lening bij ABN/AMRO-bank was geopend.</para>
      <para>Voorts in aanmerking nemend dat in het bestreden besluit is</para>
      <para>aangegeven dat, gelet op het beleid van de gemeente Amsterdam,</para>
      <para>bij een aanvraag om bijstand in de kosten van een studie in</para>
      <para>elk geval moet worden nagegaan of er een voorliggende</para>
      <para>voorziening is, houdt de Raad het ervoor dat de besluiten tot</para>
      <para>toekenning in de vier gevallen - voor zover deze genomen</para>
      <para>zouden zijn na openstelling van de kredietmogelijkheid -</para>
      <para>incidentele fouten betreffen, welke niet tot het oordeel</para>
      <para>kunnen leiden dat gedaagde op grond van het</para>
      <para>gelijkheidsbeginsel gehouden zou zijn om ook in het geval van</para>
      <para>appellante een foutieve beslissing te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad moet onder de geschetste</para>
      <para>omstandigheden het beroep van appellante op het</para>
      <para>gelijkheidsbeginsel falen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat bij de</para>
      <para>aangevallen uitspraak het beroep terecht ongegrond is</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan</para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr</para>
      <para>J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr P. Lourens als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van A.H. Berends als griffier en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 2 juni 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) G.A.J. van den Hurk.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.H. Berends.</para>
    <para />
    <para>HL306</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>