<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7707</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T17:33:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7707</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-07-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/5818 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1998, 400 met annotatie van H.Ph.J.A.M. Hennekens</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1998/149 met annotatie van H.P. Kallenbach</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7707">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7707</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:53:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7707 Centrale Raad van Beroep , 09-07-1998 / 97/5818 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7707:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Plaatsing in eigen functie (functievolger). Besluit weigering toekenning functie ontbeert toereikende motivering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7707:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/5818 AW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen</para>
      <para>op Zoom, appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden</para>
      <para>hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank</para>
      <para>te Breda op 9 juni 1997 onder de nrs. 97/1513 AW AN VV, 97/1781</para>
      <para>AW AN VV en 97/1783 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt</para>
      <para>verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht</para>
      <para>heeft de President van de Raad bij uitspraak van 8 augustus 1997,</para>
      <para>nrs. 97/6118 AW-VV en 97/6730 AW-VV, naar aanleiding van het</para>
      <para>daartoe strekkend verzoek van appellant de werking van de</para>
      <para>aangevallen uitspraak geregistreerd onder nummer 97/1783 AW</para>
      <para>geschorst en het verzoek van gedaagde appellant op te dragen hem</para>
      <para>met onmiddellijke ingang te werk te stellen in de functie van</para>
      <para>budgetbegeleider II afgewezen, zulks met een bepaling over</para>
      <para>griffierecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van appellant zijn nog enige stukken aan de Raad</para>
      <para>gezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 28 mei 1998, waar</para>
      <para>appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door drs W. de</para>
      <para>Schipper en M. Stroop, beiden werkzaam bij de gemeente Bergen op</para>
      <para>Zoom, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door</para>
      <para>mr R.G.A.M. Theunissen, advocaat te Eindhoven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak en de uitspraak</para>
      <para>van de President van de Raad van 8 augustus 1997 voor een</para>
      <para>uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde</para>
      <para>feiten volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde was bij de gemeente Bergen op Zoom werkzaam als</para>
      <para>budgetbegeleider bij de financiële unit Welzijn c.a. van de</para>
      <para>afdeling Financiën en Belastingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het kader van de plaatsing van het personeel van de gemeenten</para>
      <para>Bergen op Zoom en Halsteren bij de door de gemeentelijke</para>
      <para>herindeling per 1 januari 1997 gevormde nieuwe gemeente Bergen op</para>
      <para>Zoom is gedaagde bij besluit van 27 maart 1997 aangewezen als</para>
      <para>medewerker bureau comptabiliteit en bedrijfsadministratie bij het</para>
      <para>bureau Financiële administratie van de afdeling Financiën en</para>
      <para>Belastingen. Gedaagdes bezwaar tegen de in dat plaatsingsbesluit</para>
      <para>vervatte weigering hem overeenkomstig zijn eerste voorkeur te</para>
      <para>plaatsen in de nieuwe functie van budgetbegeleider II bij de</para>
      <para>financiële unit Welzijn van de afdeling Financiën en Belastingen</para>
      <para>is door appellant bij besluit van 4 juni 1997, in afwijking van</para>
      <para>het advies van de bezwarencommissie in ambtenarenzaken, ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is opgekomen tegen de uitspraak van de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank van 9 juni 1997 voor zover daarbij zijn</para>
      <para>besluit van 4 juni 1997 - onder gegrondverklaring van het</para>
      <para>daartegen ingestelde beroep - is vernietigd en hem is opgedragen</para>
      <para>een nieuw besluit te nemen. Hij heeft gevorderd die uitspraak te</para>
      <para>vernietigen dan wel in geval van bevestiging de rechtsgevolgen</para>
      <para>van het vernietigde besluit van 4 juni 1997 in stand te laten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het kader van de gemeentelijke herindeling per 1 januari 1997</para>
      <para>is plaatsing van ambtenaren in de nieuwe gemeente Bergen op Zoom</para>
      <para>geschied aan de hand van de door hen kenbaar gemaakte voorkeur</para>
      <para>voor functies en het begrip "functievolger". Van een</para>
      <para>functievolger is sprake wanneer uitgaande van de betrokken</para>
      <para>functiebeschrijvingen kan worden gezegd dat de functie waarop is</para>
      <para>gereflecteerd, grotendeels (meer dan 50%) overeenkomt met de</para>
      <para>voorheen vervulde functie. Een functievolger wordt zonder meer</para>
      <para>geplaatst in de functie waarop hij heeft gereflecteerd als hij de</para>
      <para>enige functievolger blijkt te zijn. Zijn er voor één functie meer</para>
      <para>functievolgers onder de reflectanten dan wordt op basis van</para>
      <para>objectieve criteria gekeken voor wie de functie het meest passend</para>
      <para>is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellants weigering gedaagde overeenkomstig diens eerste</para>
      <para>voorkeur te plaatsen in de functie van budgetbegeleider II berust</para>
      <para>op de overweging dat voor de functie van budgetbegeleider II drie</para>
      <para>reflectanten als functievolger zijn aangemerkt en dat de functie</para>
      <para>voor de heer C., voordien medewerker bureau Planning en</para>
      <para>Control bij het bureau Planning en Control van de afdeling</para>
      <para>Financiën en Belastingen, het meest passend is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft appellants besluit van 4 juni 1997 vanwege het</para>
      <para>ontbreken van een deugdelijke motivering niet in stand gelaten.</para>
      <para>Met gedaagde is zij van opvatting dat appellant ten onrechte</para>
      <para>ervan is uitgegaan dat C.  voor de functie van</para>
      <para>budgetbegeleider II als functievolger kon worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft appellant herhaald C. terecht als</para>
      <para>functievolger te hebben aangemerkt. Daarbij is opgemerkt dat de</para>
      <para>nieuwe functie van budgetbegeleider II in verband met de, met een</para>
      <para>beoogde decentralisatie samenhangende, verzwaring van de</para>
      <para>controlfunctie ten opzichte van de vroegere door gedaagde</para>
      <para>vervulde functie is gewijzigd en dat die functie om die reden van</para>
      <para>MBO-niveau naar HBO-niveau is gebracht. C. dient volgens</para>
      <para>appellant als functievolger te worden aangemerkt niet alleen</para>
      <para>gelet op de tot zijn vroegere functie van medewerker bureau</para>
      <para>Planning en Control behorende taak als budgetbegeleider van de</para>
      <para>financiële unit Archief, maar ook en met name gelet op het</para>
      <para>complementaire karakter van zijn werkzaamheden ten opzichte van</para>
      <para>de werkzaamheden van de vroegere budgetbegeleider.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien de hier als uitgangspunt te nemen functiebeschrijvingen</para>
      <para>heeft appellant ook de Raad niet kunnen overtuigen van de</para>
      <para>juistheid van zijn standpunt dat C. ten aanzien van de</para>
      <para>functie budgetbegeleider II als functievolger is te beschouwen.</para>
      <para>Evenmin als de rechtbank acht de Raad aangetoond of aannemelijk</para>
      <para>gemaakt dat meer dan 50% van de werkzaamheden die tot C.'s</para>
      <para>vroegere functie van medewerker bureau Control en Planning</para>
      <para>behoorde terugkeert in de functie budgetbegeleider II. Naast het</para>
      <para>tot de functie medewerker bureau Planning en Control behorende,</para>
      <para>5% van de werktijd van die functie in beslag nemende,</para>
      <para>taakonderdeel budgetbegeleider van de financiële unit Archief kan</para>
      <para>weliswaar worden gewezen op tot het taakonderdeel begroting, dat</para>
      <para>70% van de werktijd van die functie in beslag neemt, behorende</para>
      <para>werkzaamheden die een zekere overlap laten zien met werkzaamheden</para>
      <para>van de vroegere budgetbegeleider (wiens functie voor het</para>
      <para>overgrote gedeelte terugkomt in de functie budgetbegeleider II),</para>
      <para>maar de Raad is niet gebleken van een zodanige omvang van</para>
      <para>laatstbedoelde werkzaamheden dat op grond daarvan de conclusie</para>
      <para>gewettigd is dat meer dan de helft van de werkzaamheden van de</para>
      <para>medewerker bureau Planning en Control is terug te vinden in de</para>
      <para>functie budgetbegeleider II.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad komt dan ook evenals de rechtbank tot de conclusie dat</para>
      <para>C. ten onrechte als functievolger is aangemerkt en dat om die</para>
      <para>reden de gehandhaafde weigering om gedaagde de functie</para>
      <para>budgetbegeleider II toe te kennen een toereikende motivering</para>
      <para>ontbeert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover</para>
      <para>aangevochten, reeds op die grond voor bevestiging in aanmerking</para>
      <para>komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet onvoldoende grond om te voldoen aan het verzoek van</para>
      <para>appellant de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand</para>
      <para>te laten. Hij heeft daarbij met name laten wegen dat de</para>
      <para>vaststelling dat aan dat besluit een tot vernietiging leidend</para>
      <para>motiveringsgebrek kleeft niet alleen - anders dan appellant</para>
      <para>kennelijk meent - niet zonder meer met zich brengt dat C.</para>
      <para>zijn functie zou moeten worden ontnomen, maar ook dat zulks niet</para>
      <para>impliceert dat de aangevochten weigering niet alsnog van een wel</para>
      <para>toereikende motivering zou kunnen worden voorzien. Het ligt</para>
      <para>immers nu op de weg van appellant om, met inachtneming van de</para>
      <para>vaststelling dat C. ten onrechte als functievolger is</para>
      <para>gekwalificeerd, op basis van alle overige hier relevante gegevens</para>
      <para>opnieuw te bezien of gedaagde voor die door hem gewenste</para>
      <para>plaatsing in aanmerking had dienen te worden gebracht. Anders dan</para>
      <para>de rechtbank heeft aangegeven en van de zijde van gedaagde is</para>
      <para>gesteld, ziet de Raad in de omstandigheid dat degene die naast</para>
      <para>gedaagde en C. voor de functie budgetbegeleider II als</para>
      <para>functievolger is aangemerkt geen beroep heeft ingesteld tegen de</para>
      <para>in het besluit hem in een andere functie aan te wijzen vervatte</para>
      <para>weigering hem in de functie van budgetbegeleider II te plaatsen,</para>
      <para>voor appellant geen beletsel gelegen om ook de gegevens over die</para>
      <para>reflectant te betrekken in de beoordeling van de vraag of de</para>
      <para>functie budgetbegeleider II ten tijde hier van belang voor</para>
      <para>gedaagde al dan niet het meest passend was te achten. Voor een</para>
      <para>goed begrip tekent de Raad verder nog aan dat appellant bij</para>
      <para>evenbedoelde besluitvorming niet is gebonden aan de ten</para>
      <para>overvloede gegeven overwegingen van de rechtbank over de vraag of</para>
      <para>gedaagde al dan niet voldoet aan het voor de functie van</para>
      <para>budgetbegeleider II vereiste kennisniveau. De Raad laat daarbij</para>
      <para>overigens in het midden wat er zij van de relevantie en de</para>
      <para>juistheid van die overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mede in aanmerking genomen dat nog niet vast staat dat de</para>
      <para>weigering gedaagde in de door hem gewenste functie te plaatsen</para>
      <para>niet - alsnog - in stand zal kunnen blijven, ziet de Raad geen</para>
      <para>aanleiding te voldoen aan het verzoek van gedaagde om toepassing</para>
      <para>te geven aan artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het hiervoor overwogene acht de Raad termen aanwezig om</para>
      <para>appellant te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f</para>
      <para>710,-- aan kosten wegens aan gedaagde in  hoger beroep verleende</para>
      <para>rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een en ander overziende, komt de Raad tot de slotsom dat moet</para>
      <para>worden beslist als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, met</para>
      <para>uitzondering van de bepaling over het door gedaagde nieuw te</para>
      <para>nemen besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met</para>
      <para>inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een</para>
      <para>bedrag groot f 710,--, te betalen door de gemeente Bergen op</para>
      <para>Zoom;</para>
      <para>Bepaalt dat van de gemeente Bergen op Zoom een recht van f 630,-</para>
      <para>wordt geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr</para>
      <para>W.D.M. van Diepenbeek en mr T.L. de Vries als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 9 juli 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) W. van den Brink.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>16.06</para>
      <para>Q</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>