<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7600</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T19:24:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7600</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-05-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/8643 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:2&amp;g=1998-05-07">Algemene wet bestuursrecht 1:2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1998, 306 met annotatie van H.Ph.J.A.M. Hennekens</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1998/119 met annotatie van C.P.J. Goorden</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1998/149</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7600">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7600</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:53:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7600 Centrale Raad van Beroep , 07-05-1998 / 95/8643 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7600:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Appellant (KNAW) is belanghebbende. Kosten uitkering voormalig medewerkster beïnvloeden direct</para>
        <para>financiële positie van KNAW. Derhalve heeft KNAW een rechtstreeks belang bij het toekenningsbesluit.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7600:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/8643 AW                                         Q</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen,</para>
      <para>appellante,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Minister van Binnenlandse Zaken, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden</para>
      <para>hoger beroep doen instellen tegen de door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 5 oktober 1995</para>
      <para>onder nr. AW 95/4559/27 gegeven uitspraak, waarnaar</para>
      <para>hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is, gevoegd met het bij de Raad onder nr.</para>
      <para>96/1916 AW geregistreerde geding, behandeld ter zitting</para>
      <para>van 20 maart 1997, waar namens appellante zijn verschenen</para>
      <para>mr Th.A. Velo en mr P.W.G. Claessen, beiden werkzaam bij</para>
      <para>appellante, en waar namens gedaagde is verschenen mr drs</para>
      <para>T.L. Kok, werkzaam bij de toenmalige Stichting USZO.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na schorsing van het onderzoek ter zitting hebben beide</para>
      <para>partijen aan de Raad nadere inlichtingen verschaft.</para>
      <para>A., wonende te B., heeft naar</para>
      <para>aanleiding van de uitnodiging van de Raad om als partij</para>
      <para>aan het geding deel te nemen, een schriftelijke reactie</para>
      <para>ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het geding is voortgezet ter zitting</para>
      <para>van 26 maart 1998, waar appellante zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr Velo voornoemd. Gedaagde en</para>
      <para>A. zijn - zoals tevoren aangekondigd - niet</para>
      <para>verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter</para>
      <para>zittingen gaat de Raad uit van de volgende voor dit</para>
      <para>geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft aan A. op haar verzoek met</para>
      <para>ingang van 1 december 1993 eervol ontslag verleend uit</para>
      <para>haar functie van medewerker acquisitie/catalogisering.</para>
      <para>Naar aanleiding van een door A. op 24</para>
      <para>januari 1994 aan gedaagde gerichte aanvraag om een</para>
      <para>ontslaguitkering heeft gedaagde bij beschikking van 19</para>
      <para>mei 1994 haar met ingang van 1 december 1993 een</para>
      <para>uitkering toegekend krachtens de Uitkeringsregeling 1966.</para>
      <para>Appellante heeft tegen die toekenningsbeschikking bezwaar</para>
      <para>gemaakt. Gedaagde heeft dit bezwaar bij besluit van 15</para>
      <para>maart 1995 niet-ontvankelijk verklaard. Het tegen dat</para>
      <para>besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak</para>
      <para>ongegrond verklaard, met welke beslissing appellante zich</para>
      <para>niet kan verenigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft tegen de jegens A. genomen</para>
      <para>toekenningsbeschikking bezwaar gemaakt omdat haars</para>
      <para>inziens ten onrechte een uitkering is toegekend, als</para>
      <para>gevolg van welke toekenning - mitsdien ook ten</para>
      <para>onrechte - op haar de daaraan verbonden financiële last</para>
      <para>wordt gelegd. Zij stelt aldus een rechtstreeks financieel</para>
      <para>belang te hebben bij die toekenningsbeschikking. Voorts</para>
      <para>heeft appellante de bevoegdheid van gedaagde betwist tot</para>
      <para>het nemen van het primaire besluit en het bestreden</para>
      <para>besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde, die van opvatting is het primaire besluit en</para>
      <para>het bestreden besluit bevoegd te hebben genomen, heeft</para>
      <para>aangevoerd dat, nu de toepasselijke bepalingen van de</para>
      <para>Uitkeringsregeling 1966 eraan in de weg staan dat de</para>
      <para>belangen waarin appellante beschermd wil worden deel</para>
      <para>uitmaken van de belangen die bij het in geding zijnde</para>
      <para>besluit moeten worden afgewogen, appellante geen</para>
      <para>belanghebbende in de zin van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb) is. Gedaagde is voorts van opvatting</para>
      <para>dat het door appellante gestelde financiële belang een</para>
      <para>afgeleid belang is omdat tussen dat belang en het</para>
      <para>toekenningsbesluit geen rechtstreeks causaal verband</para>
      <para>bestaat. Appellante is naar gedaagdes oordeel ook om die</para>
      <para>reden niet aan te merken als belanghebbende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad staat thans voor de vraag of het bestreden</para>
      <para>besluit in rechte stand kan houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hij stelt in dat verband allereerst vast dat gedaagde</para>
      <para>bevoegd was het bestreden besluit te nemen. Het in geding</para>
      <para>zijnde besluit heeft betrekking op de toekenning van een</para>
      <para>uitkering ingevolge de Uitkeringsregeling 1966. In</para>
      <para>artikel 7 van die regeling is bepaald dat gedaagde</para>
      <para>beslist over de toekenning van uitkering op schriftelijke</para>
      <para>aanvraag door de betrokkene. Het bepaalde in artikel II</para>
      <para>van het overgangsrecht van het BWOO kan hieraan niet</para>
      <para>afdoen, reeds omdat deze bepaling slechts betekenis heeft</para>
      <para>voor uitkeringsrechten vanaf 1 maart 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of</para>
      <para>appellante moet worden aangemerkt als belanghebbende (als</para>
      <para>bedoeld in artikel 1:2 van de Awb) bij de beschikking van</para>
      <para>19 mei 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt in dat verband dat de vraag of de</para>
      <para>belangen waarin appellante beschermd wil worden deel</para>
      <para>uitmaken van de belangen die bij het aan de orde zijnde</para>
      <para>besluit moeten worden afgewogen, geen rol speelt bij de</para>
      <para>beoordeling van de vraag of appellante belanghebbende is.</para>
      <para>De opvatting van gedaagde ter zake kan derhalve niet als</para>
      <para>juist worden aanvaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad</para>
      <para>aanvaardt dat op appellante de verplichting rust om de</para>
      <para>kosten van uitkeringen als de onderhavige, die worden</para>
      <para>toegekend aan haar voormalige medewerkers, aan gedaagde</para>
      <para>te betalen. Dit brengt mee dat de toekenning van de</para>
      <para>uitkering aan A. direct de financiële</para>
      <para>positie van appellante beïnvloedt. Aangezien voor de Raad</para>
      <para>voorts genoegzaam vaststaat dat de meergenoemde</para>
      <para>verplichting van appellante van publiekrechtelijke aard</para>
      <para>is, kan de Raad niet tot een ander oordeel komen dan dat</para>
      <para>appellante een rechtstreeks belang heeft bij het besluit</para>
      <para>van 19 mei 1994. Aan de omstandigheid dat terzake van de</para>
      <para>op appellante rustende uitkeringslasten nog een</para>
      <para>declaratie aan appellante wordt gezonden, ziet de Raad -</para>
      <para>anders dan de rechtbank - in casu geen doorslaggevende</para>
      <para>betekenis toekomen. Dit brengt mee dat de bij het</para>
      <para>bestreden besluit gegeven niet-ontvankelijkverklaring van</para>
      <para>appellantes bezwaar tegen het besluit van 19 mei 1994</para>
      <para>niet houdbaar is. De Raad zal dan ook - met</para>
      <para>gegrondverklaring van appellantes beroep - dit besluit</para>
      <para>vernietigen. Het vorenstaande brengt mee dat ook de</para>
      <para>aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien de Raad geen aanleiding ziet om toepassing te</para>
      <para>geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb,</para>
      <para>beslist hij als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep van appellante alsnog</para>
      <para>gegrond;</para>
      <para>Vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van het in deze</para>
      <para>uitspraak overwogene een nieuw besluit neemt op</para>
      <para>appellantes bezwaar;</para>
      <para>Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het</para>
      <para>door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde</para>
      <para>griffierecht ten bedrage van in totaal f. 1.000,-</para>
      <para>vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter,</para>
      <para>mr Ch. de Vrey en mr W.D.M. van Diepenbeek als leden in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr A.W.M. van Bommel als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 7 mei 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) H.A.A.G. Vermeulen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.W.M. van Bommel.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>14.04</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>