<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7597</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:42:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7597</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-05-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/2730 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=3&amp;g=1998-05-12">Algemene bijstandswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=3&amp;g=1998-05-12">Algemene bijstandswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=3&amp;g=1998-05-12">Algemene bijstandswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1998, 114</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1998/174 met annotatie van A.E.L.T. Balkema</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7597">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7597</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:53:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2007-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7597 Centrale Raad van Beroep , 12-05-1998 / 97/2730 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7597:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beëindiging bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7597:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/2730 ABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[Appellante],</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de</para>
      <para>gemeente Korendijk, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante heeft mr C.K. Visser, advocaat te</para>
      <para>Oud-Beijerland, op de in het aanvullend beroepschrift</para>
      <para>aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een</para>
      <para>tussen partijen gewezen uitspraak van de president van de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 4 februari</para>
      <para>1997, reg. nr. AWB 97/3-2 en AWB 97/4-2, waarnaar hierbij</para>
      <para>wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 31 maart 1998,</para>
      <para>waar namens appellante is verschenen mr C.K. Visser,</para>
      <para>voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door J. Bueving, werkzaam bij de</para>
      <para>gemeente Korendijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet</para>
      <para>(ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet (Abw)</para>
      <para>en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet</para>
      <para>(Iw) in werking getreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting</para>
      <para>ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante ontving sedert 1982 een uitkering,</para>
      <para>aanvankelijk ingevolge de ABW en later ingevolge de</para>
      <para>Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW), in beide</para>
      <para>gevallen naar de norm voor een éénouder gezin.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Sedert haar echtscheiding in 1980 woont appellante samen</para>
      <para>met haar minderjarige zoon in bij haar broer.</para>
      <para>In het kader van de invoering van de Abw heeft gedaagde</para>
      <para>het recht van appellante op een uitkering opnieuw</para>
      <para>beoordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 2 juli 1996 is aan appellante een</para>
      <para>uitkering ingevolge de Abw toegekend vanaf 15 juli 1996</para>
      <para>tot 1 januari 1997. Met ingang van laatstgenoemde datum</para>
      <para>werd de uitkering beëindigd op de grond dat uit het</para>
      <para>onderzoek gebleken was dat appellante met haar broer een</para>
      <para>gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3</para>
      <para>van de Abw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij</para>
      <para>het bestreden besluit van 27 november 1996 ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president van de rechtbank heeft bij de aangevallen</para>
      <para>uitspraak van 4 februari 1997, met toepassing van artikel</para>
      <para>8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep</para>
      <para>tegen dit besluit ongegrond verklaard en het verzoek om</para>
      <para>een voorlopige voorziening afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is namens appellante - kort samengevat -</para>
      <para>aangevoerd dat ten onrechte geoordeeld is dat er sprake</para>
      <para>is van een gezamenlijke huishouding, omdat er reeds jaren</para>
      <para>een kostgangersrelatie bestaat tussen appellante en haar</para>
      <para>broer. Het bestaan van dit kostgangerschap was in bezwaar</para>
      <para>en beroep weliswaar niet met bescheiden aangetoond, maar</para>
      <para>zou dienen te worden afgeleid uit het geheel van feiten</para>
      <para>en omstandigheden en met name uit de, zowel in bezwaar</para>
      <para>als in beroep, gegeven mondelinge toelichting op de</para>
      <para>financiële gang van zaken. Appellante heeft een</para>
      <para>kostgangersovereenkomst overgelegd die weliswaar eerst is</para>
      <para>opgesteld na de aangevallen uitspraak, maar waarin de</para>
      <para>feitelijk reeds sedert 1982 bestaande situatie zou zijn</para>
      <para>vastgelegd. Tevens zijn bankafschriften overgelegd ten</para>
      <para>bewijze van het feit dat appellante regelmatig geld</para>
      <para>overmaakt naar de rekening van haar broer en betalingen</para>
      <para>doet voor de boodschappen en benzine.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de beëindiging van de uitkering ingevolge</para>
      <para>de Abw per 1 januari 1997 overweegt de Raad het</para>
      <para>volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge het bepaalde in art 3, eerste lid (met ingang</para>
      <para>van 1 januari 1998 het tweede lid), onder a, van de Abw</para>
      <para>wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de</para>
      <para>ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding</para>
      <para>voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste</para>
      <para>graad. Op grond van het tweede (thans derde) lid van dat</para>
      <para>artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien</para>
      <para>twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben</para>
      <para>en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel</para>
      <para>van het leveren van een bijdrage in de kosten van de</para>
      <para>huishouding dan wel anderszins.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw [TK,</para>
      <para>vergaderjaar 1993-1994, 22 545, nr. 18 p. 36 en EK,</para>
      <para>vergaderjaar 1994-1995, 22 545 en 22 614, nr. 75c p. 12</para>
      <para>en 13] blijkt dat uitdrukkelijk bedoeld is alleen voor</para>
      <para>bloedverwanten in de eerste graad een uitzondering te</para>
      <para>maken op de gelijkstelling met gehuwden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vast staat dat appellante en haar broer hun hoofdverblijf</para>
      <para>hebben in dezelfde woning.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de vraag of appellante en haar broer</para>
      <para>blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van</para>
      <para>het leveren van een bijdrage in de kosten van de</para>
      <para>huishouding dan wel anderszins, overweegt de Raad het</para>
      <para>volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante stelt dat er sprake is van een</para>
      <para>kostgangersrelatie met haar broer en dat zij hem</para>
      <para>maandelijks een commerciële vergoeding betaalt. Zij kookt</para>
      <para>slechts en gebruikt samen met haar broer de maaltijden.</para>
      <para>Daarnaast verricht zij nauwelijks huishoudelijk werk.</para>
      <para>Hiervoor heeft zij gezinshulp gedurende enkele uren per</para>
      <para>week. Voorzover er al sprake zou zijn van verzorging van</para>
      <para>haar broer, dan komt deze slechts incidenteel voor in</para>
      <para>geval van ziekte en vloeit deze hulp tijdens ziekte meer</para>
      <para>voort uit de broer-zus relatie dan uit het feit dat zij</para>
      <para>bij hem inwoont. In geval van ziekte van appellante wordt</para>
      <para>zij evenwel niet door haar broer verzorgd maar door haar</para>
      <para>minderjarige zoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn jurisprudentie heeft de Raad als uitgangspunt</para>
      <para>geformuleerd dat een ongehuwde, die inwoont bij een</para>
      <para>andere ongehuwde en deze, in meerdere of mindere mate,</para>
      <para>verzorgt, en die desondanks stelt aanspraak te hebben op</para>
      <para>een bijstandsuitkering naar het normbedrag voor een</para>
      <para>alleenstaande of een alleenstaande ouder, dient aan te</para>
      <para>tonen dat er sprake is van een zakelijke overeenkomst</para>
      <para>waarbij de wederzijdse rechten en plichten geregeld zijn.</para>
      <para>Tevens dient deze desgevraagd op voor het</para>
      <para>bijstandverlenend orgaan eenvoudig te controleren wijze,</para>
      <para>zoals door middel van bank- of giroafschriften aan te</para>
      <para>tonen dat hij regelmatig aan die ander op zakelijke basis</para>
      <para>een vergoeding betaalt voor de inwoning c.q. een</para>
      <para>vergoeding ontvangt voor de door of namens hem ten</para>
      <para>behoeve van de huishouding verrichte verzorgende taken.</para>
      <para>Verder is het uit een oogpunt van goede uitvoering van de</para>
      <para>Abw niet onredelijk dat een schriftelijk contract ter</para>
      <para>staving van de commerciële relatie wordt verlangd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij gebreke van een dergelijk contract en van</para>
      <para>controleerbare betaalgegevens kan in beginsel niet als</para>
      <para>vaststaand worden aangenomen dat er sprake is, en is</para>
      <para>geweest, van een zakelijke overeenkomst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarmee is niet gezegd dat het enkele ontbreken van een</para>
      <para>schriftelijke overeenkomst in deze zonder meer beslissend</para>
      <para>is, maar dit brengt appellante wel in een moeilijke</para>
      <para>bewijspositie. Het is in elk geval aan appellante om aan</para>
      <para>de hand van verifieerbare gegevens voldoende aannemelijk</para>
      <para>te maken dat op zakelijke basis tegen een als reëel aan</para>
      <para>te merken prijs onderdak verschaft wordt en verzorging</para>
      <para>geboden wordt. En dat geldt ook in situaties waarin al</para>
      <para>geruime tijd van inwoning sprake is of waarbij sprake is</para>
      <para>van een familieverhouding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat eerst onder de nieuwe Abw bloedverwanten in de tweede</para>
      <para>graad gelijkgesteld kunnen worden met gehuwden indien er</para>
      <para>sprake is van een gezamenlijk huishouding, ontslaat</para>
      <para>appellante niet van de verplichting om aan de hand van</para>
      <para>verifieerbare gegevens, die niet alleen dateren van na</para>
      <para>maar ook van voor de herbeoordeling op grond van de Abw,</para>
      <para>aan te tonen dat er sprake is van een relatie die</para>
      <para>gebaseerd is op zakelijke afspraken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad is appellante, door slechts</para>
      <para>gegevens over te leggen die alle dateren van na het</para>
      <para>besluit van 2 juli 1996, hier onvoldoende in geslaagd. De</para>
      <para>Raad laat dan nog daar welke betekenis die gegevens</para>
      <para>hebben, bezien tegen de achtergrond van de door</para>
      <para>appellante op 28 mei 1996 tegenover een van gedaagdes</para>
      <para>ambtenaren afgelegde verklaring.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak</para>
      <para>voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing</para>
      <para>te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover</para>
      <para>aangevochten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter, en</para>
      <para>mr Ch. de Vrey en mr J.M.A. van der Kolk-Severijns als</para>
      <para>leden, in tegenwoordigheid van A.H. Berends als griffier,</para>
      <para>en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.H. Berends.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>805</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>