<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7595</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T02:01:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7595</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-04-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/6638 AKW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002368&amp;artikel=2&amp;g=1998-04-29">Algemene Kinderbijslagwet 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002368&amp;artikel=3&amp;g=1998-04-29">Algemene Kinderbijslagwet 3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1998/205</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1998/175 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7595">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7595</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:53:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-04-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7595 Centrale Raad van Beroep , 29-04-1998 / 96/6638 AKW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7595:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ingezetene; juridische binding; volgen tempo van besluitvorming Minister van Justitie; materieel gedoogde.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7595:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/6638 AKW</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Q.</para>
      <para>U I T S P R A A K</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>de Sociale Verzekeringsbank, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op bij beroepschrift d.d. 12 juli 1996 aangevoerde gronden is</para>
      <para>appellant in hoger beroep gekomen van een door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Alkmaar onder dagtekening</para>
      <para>20 mei 1996 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar</para>
      <para>hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven van 11 september 1996 is namens gedaagde door mr</para>
      <para>E.M. van Hemert, advocaat te Zaandam, verweer gevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Desgevraagd zijdens de Raad heeft appellant bij schrijven van</para>
      <para>10 februari 1998 nadere informatie verschaft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op</para>
      <para>19 maart 1998, waar appellant zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door W. van Dam, werkzaam bij het</para>
      <para>districtskantoor Alkmaar van appellant, en waar gedaagde zich</para>
      <para>heeft doen vertegenwoordigen door mr Van Hemert, voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden, op bezwaar genomen, besluit van 1 juni 1995</para>
      <para>heeft appellant besloten de aanvraag van gedaagde om</para>
      <para>kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (hierna:</para>
      <para>AKW) af te wijzen voor het tweede kwartaal van 1992 tot en met</para>
      <para>het tweede kwartaal van 1994 omdat gedaagde op de relevante</para>
      <para>peildata niet verzekerd was ingevolge de AKW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het volgende</para>
      <para>overwogen, waarbij gedaagde is aangeduid als eiseres en</para>
      <para>appellant als verweerder:</para>
      <para>"Het geding spitst zich in casu toe op de vraag of eiseres op</para>
      <para>de zogeheten peildata van de kwartalen hier in geding (1 april</para>
      <para>1992, 1 juli 1992, 1 oktober 1992, 1 januari 1993, 1 april</para>
      <para>1993, 1 juli 1993,</para>
      <para>1 oktober 1993, 1 januari 1994 en 1 april 1994) als ingezetene</para>
      <para>volgens de AKW kan worden beschouwd.</para>
      <para>De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.</para>
      <para>De vraag waar eiseres op evengenoemde peildata woonde, wordt</para>
      <para>voor de toepassing van de AKW ingevolge artikel 3, eerste lid,</para>
      <para>van die wet naar de omstandigheden beoordeeld.</para>
      <para>De Centrale Raad van Beroep hanteert het criterium dat ook in</para>
      <para>een geval als het onderhavige waarin een terugkeer naar het</para>
      <para>land van herkomst niet tot de mogelijkheden behoort, er pas</para>
      <para>geleidelijk een relevante duurzame band met Nederland bestaat</para>
      <para>die op een bepaald moment zo sterk is dat geconcludeerd kan</para>
      <para>worden tot wonen in de zin van artikel 3, eerste lid, van de</para>
      <para>AKW.</para>
      <para>Op evengenoemde data was eiseres (nog) niet in het bezit van</para>
      <para>een geldige verblijfsvergunning. Zij verkeerde toen nog in het</para>
      <para>ongewisse over haar verblijfstitel.</para>
      <para>Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>staat het ontbreken van een voorlopige of permanente</para>
      <para>verblijfsvergunning er niet bij voorbaat aan in de weg dat</para>
      <para>eiseres haar woonplaats in Nederland heeft. De overige</para>
      <para>omstandigheden van het geval (juridische/economische en/of</para>
      <para>sociale binding) kunnen alsnog tot de slotsom leiden dat</para>
      <para>eiseres op evenbedoelde peildata hier te lande woonde in de</para>
      <para>zin van artikel 3, eerste lid, van de AKW. Ook in een geval</para>
      <para>als het onderhavige waarin terugkeer naar het land van</para>
      <para>herkomst niet tot de reële mogelijkheden valt te rekenen en</para>
      <para>waarin betrokkene op een gegeven moment door de Nederlandse</para>
      <para>overheid een vergunning tot verblijf wordt verleend, ontstaat</para>
      <para>er pas geleidelijk, afhankelijk van de (juridische/economische</para>
      <para>en/of sociale) omstandigheden, een duurzame band met</para>
      <para>Nederland, die op een bepaald moment zo sterk is dat</para>
      <para>geconcludeerd kan worden tot wonen in Nederland in de zin van</para>
      <para>artikel 3, eerste lid, van de AKW.</para>
      <para>Blijkens de stukken heeft verweerder zich op het standpunt</para>
      <para>gesteld dat vóór 14 april 1994 van een voldoende economische</para>
      <para>binding van eiseres nog geen sprake was omdat eiseres en haar</para>
      <para>familie geheel afhankelijk waren van financiële ondersteuning</para>
      <para>in het kader van de ROA.</para>
      <para>Evenmin was, aldus verweerder, sprake van een voldoende</para>
      <para>sociale binding. Hetgeen eiseres ter zake naar voren heeft</para>
      <para>gebracht - in het bijzonder dat haar kinderen naar een</para>
      <para>Nederlandse school gingen, zwemles hadden en lid waren van een</para>
      <para>sportvereniging - acht verweerder niet voldoende om tot een</para>
      <para>andersluidend oordeel te komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu tenslotte tot 14 april 1994 ook een juridische binding in</para>
      <para>de vorm van een geldige verblijfstitel ontbrak, heeft</para>
      <para>verweerder geconcludeerd dat vóór het derde kwartaal van 1994</para>
      <para>ten aanzien van eiseres niet gesproken kon worden van zodanige</para>
      <para>persoonlijke banden van duurzame aard met Nederland, dat</para>
      <para>eiseres op grond daarvan reeds als ingezetene in de zin van</para>
      <para>artikel 3, eerste lid, van de AKW kon worden aangemerkt.</para>
      <para>Bij besluit van 14 april 1994 is aan eiseres een</para>
      <para>verblijfsvergunning zonder beperkingen verleend.</para>
      <para>Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder zich aan deze</para>
      <para>vergunningverlening geconformeerd. De datum waarop deze</para>
      <para>vergunning tot verblijf is verleend houdt verweerder als</para>
      <para>omslagpunt voor het moment van juridische binding aan.</para>
      <para>Vervolgens heeft verweerder eiseres eerst met ingang van het</para>
      <para>derde kwartaal van 1994 in aanmerking gebracht voor</para>
      <para>kinderbijslag.</para>
      <para>De rechtbank komt evenwel voor wat betreft de in geding zijnde</para>
      <para>peildata tot een ander oordeel dan verweerder en overweegt</para>
      <para>daartoe het volgende.</para>
      <para>Vast staat dat de Staatssecretaris van Justitie eiseres op 11</para>
      <para>januari 1992 een zogeheten gedoogdenaanbod heeft gedaan.</para>
      <para>Indien eiseres hierin zou hebben bewilligd, had dit in</para>
      <para>eiseresses geval vóór het tweede kwartaal van 1992 tot de</para>
      <para>gedoogdenstatus (de G-status) kunnen leiden. Ter zitting heeft</para>
      <para>verweerder desgevraagd naar voren gebracht dat ook in zo'n</para>
      <para>geval wordt aangenomen dat de band met Nederland geleidelijk</para>
      <para>ontstaat, dit in tegenstelling tot wanneer aan betrokkene een</para>
      <para>zogeheten C-status wordt verleend dan wel indien sprake zou</para>
      <para>zijn van toelating als vluchteling.</para>
      <para>De voormalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft</para>
      <para>evenwel in een groot aantal uitspraken</para>
      <para>- zo ook bijvoorbeeld in de uitspraak 4 september 1992, no.</para>
      <para>RO.90.3816 - geoordeeld dat de Staatssecretaris van Justitie</para>
      <para>bij de toepassing van de toen geldende gedoogdenregeling had</para>
      <para>miskend dat de feiten en omstandigheden die aanleiding vormden</para>
      <para>om aan betrokkenen een gedoogdenaanbod te doen - in zijn</para>
      <para>algemeenheid kwam dit hier op neer dat gedwongen terugzending</para>
      <para>een situatie zou doen ontstaan die een schending van artikel 3</para>
      <para>van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de</para>
      <para>mens en de fundamentele vrijheden zou kunnen vormen - eveneens</para>
      <para>een grond kunnen opleveren om het bestaan van klemmende</para>
      <para>redenen van humanitaire aard voor verlening van een vergunning</para>
      <para>tot verblijf aan te nemen (de C-status).</para>
      <para>Uit het gegeven dat aan eiseres bij besluit van</para>
      <para>14 april 1994 laatstgenoemde verblijfsvergunning is verleend</para>
      <para>met terugwerkende kracht tot het moment waarop aan haar het</para>
      <para>gedoogdenaanbod was gedaan, leidt de rechtbank af dat de</para>
      <para>Staatssecretaris van Justitie - vorenstaande jurisprudentie</para>
      <para>tot leidraad nemende - ten aanzien van eiseres tot de</para>
      <para>overtuiging is gekomen dat de feiten en omstandigheden zoals</para>
      <para>die zich ten aanzien van eiseres ten tijde van belang</para>
      <para>voordeden en die aanleiding gaven haar in aanmerking te</para>
      <para>brengen voor de G-status, eiseres eveneens aanspraak gaven op</para>
      <para>een C-status. Was aan haar destijds deze status ook verleend,</para>
      <para>dan zou aan eiseres - conform het door verweerder ter zitting</para>
      <para>toegelichte beleid - met ingang van het tweede kwartaal van</para>
      <para>1992 kinderbijslag zijn verleend, aangezien verweerder eiseres</para>
      <para>alsdan als ingezetene in de zin van artikel 3, eerste lid, van</para>
      <para>de AKW zou hebben aangemerkt.</para>
      <para>Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat in</para>
      <para>hetgeen hiervoor is overwogen voldoende concrete aanwijzingen</para>
      <para>zijn gelegen om in casu ervan te kunnen uitgaan dat eiseres -</para>
      <para>in weerwil van het gegeven dat eiseres eerst bij besluit van</para>
      <para>14 april 1994 zekerheid heeft verkregen over haar</para>
      <para>verblijfsrechtelijke status - reeds op de in geding zijnde</para>
      <para>peildata voldeed aan de voorwaarde van ingezetenschap.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn pleidooi in hoger beroep heeft de gemachtigde van</para>
      <para>appellant het volgende aangevoerd:</para>
      <para>"Naar de mening van de SVB ontbreekt over de periode van het</para>
      <para>2e kwartaal 1992 tot en met het 2e kwartaal 1994 eveneens de</para>
      <para>juridische binding met Nederland. Op het moment dat mevrouw</para>
      <para>A. op 14 april 1994 een vergunning tot verblijf ontving</para>
      <para>bestond voor haar pas de zekerheid dat ze in Nederland mocht</para>
      <para>blijven. Over de periode voor 14 april 1994 ontbreekt deze</para>
      <para>zekerheid.</para>
      <para>Dat de rechtbank op grond van uitspraken van de voormalige</para>
      <para>Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft besloten dat</para>
      <para>mevrouw A. vanaf het 2e kwartaal 1992 als ingezetene</para>
      <para>van Nederland ingevolge de AKW moet worden beschouwd leidt tot</para>
      <para>de volgende opmerking. Het is het niet aan de SVB om te</para>
      <para>beoordelen of iemand eerder een verblijfstitel toegekend had</para>
      <para>moeten worden dan daadwerkelijk is gebeurd. Voor dit laatste</para>
      <para>verwijst de SVB naar de uitspraak van uw Raad d.d. 16 november</para>
      <para>1994, KBW 1994/19.</para>
      <para>Door het ontbreken van voldoende economische en sociale</para>
      <para>binding heeft de SVB beslissend gewicht toegekend aan het</para>
      <para>ontbreken van de juridische binding in de vorm van een geldige</para>
      <para>verblijfstitel. Over de in het geding zijnde periode is geen</para>
      <para>sprake geweest van een sterke juridische binding, maar veeleer</para>
      <para>een toestand van onzekerheid. Doordat aan de toestand van</para>
      <para>onzekerheid op 14 april 1994, door het toekennen van een</para>
      <para>vergunning tot verblijf, een einde is gekomen kan mevrouw</para>
      <para>A. met ingang van het 3e kwartaal 1994 als ingezetene</para>
      <para>van de AKW worden aangemerkt.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in</para>
      <para>Nederland woont. De vraag, waar gedaagde woonde op de peildata</para>
      <para>voor de in geding zijnde kwartalen, te weten het tweede</para>
      <para>kwartaal van 1992 tot en met het tweede kwartaal van 1994,</para>
      <para>wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3,</para>
      <para>eerste lid, van die wet naar de omstandigheden beoordeeld.</para>
      <para>Naar vaste jurisprudentie van de Raad is daarbij in het</para>
      <para>bijzonder van belang in welke mate er sprake is van sociale,</para>
      <para>economische en juridische binding van de betrokken persoon met</para>
      <para>Nederland. Op het moment dat aan de hand van deze criteria kan</para>
      <para>worden vastgesteld dat het middelpunt van het maatschappelijk</para>
      <para>leven in Nederland is komen te liggen, mag worden aangenomen</para>
      <para>dat de betrokken persoon haar woonplaats in Nederland heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant hanteert als beleidsregel inzake de juridische</para>
      <para>binding dat onvoldoende juridische binding bestaat zolang niet</para>
      <para>op grond van een besluit van de Minister van Justitie</para>
      <para>ingevolge de Vreemdelingenwet, zoals de toelating als</para>
      <para>vluchteling, de verlening van een verblijfsvergunning of de</para>
      <para>verlening van een gedoogdenstatus, voldoende zekerheid bestaat</para>
      <para>dat een aanvrager van kinderbijslag in Nederland zal mogen</para>
      <para>blijven. Zodra echter deze zekerheid is verschaft middels een</para>
      <para>toelating als vluchteling of de verlening van een</para>
      <para>verblijfsvergunning, neemt appellant de datum van (het bekend</para>
      <para>worden van) het besluit van de Minister van Justitie als</para>
      <para>omslagpunt voor het aannemen van juridische binding aan. Wordt</para>
      <para>deze zekerheid verschaft middels de verlening van een</para>
      <para>gedoogdenstatus, dan neemt appellant aan dat nog niet meteen</para>
      <para>op de datum van (het bekend worden van) dat besluit sprake is</para>
      <para>van ingezetenschap.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens gedaagde maakt appellant zich met deze beleidsregel</para>
      <para>- ten onrechte - afhankelijk van de tijdigheid van de</para>
      <para>besluitvorming van de Minister van Justitie in</para>
      <para>vreemdelingenzaken. In het onderhavige geval heeft de Minister</para>
      <para>van Justitie op 14 april 1994 besloten om aan gedaagde en haar</para>
      <para>drie kinderen - die op 7 maart 1991 in Nederland zijn</para>
      <para>aangekomen - met ingang van 11 januari 1992 een vergunning tot</para>
      <para>verblijf zonder beperking te verlenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uit de in het</para>
      <para>besluit van 14 april 1994 opgenomen terugwerkende kracht van</para>
      <para>de verlening van de verblijfsvergunning tot 11 januari 1992 -</para>
      <para>de datum waarop aan gedaagde een gedoogdenaanbod is gedaan -</para>
      <para>afgeleid dat de Minister van Justitie aan gedaagde op 11</para>
      <para>januari 1992 een zogeheten C-status had moeten verlenen, en</para>
      <para>derhalve een vergunning tot verblijf zonder beperking. Dan zou</para>
      <para>aan gedaagde conform de door appellant gevolgde beleidsregel</para>
      <para>met ingang van het tweede kwartaal van 1992 kinderbijslag zijn</para>
      <para>toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant maakt zich naar het oordeel van de Raad bij de</para>
      <para>beoordeling van de juridische binding van aanvragers van</para>
      <para>kinderbijslag door de gehanteerde beleidsregel inderdaad</para>
      <para>enigszins afhankelijk van de duur van de behandeling van</para>
      <para>aanvragen in vreemdelingrechtelijke zaken door de Minister van</para>
      <para>Justitie. De Raad acht het - gezien de jaarverslagen van de</para>
      <para>Nationale ombudsman - een feit van algemene bekendheid dat</para>
      <para>veel klachten bestaan over de lange behandelingsduur van</para>
      <para>aanvragen op dit terrein. Gezien de wisselvalligheid in en de</para>
      <para>onzekerheid over de snelheid van besluitvorming door de</para>
      <para>Minister van Justitie kan de door appellant gevolgde wijze van</para>
      <para>beoordeling van de juridische binding naar het oordeel van de</para>
      <para>Raad leiden tot een uit een oogpunt van rechtsgelijkheid en</para>
      <para>rechtszekerheid minder wenselijk resultaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn uitspraak van 16 november 1994, in de zaak KBW</para>
      <para>1994/19, gepubliceerd in Documentatieorgaan Sociale</para>
      <para>Verzekering 1995, p. 104-105, heeft de Raad echter overwogen</para>
      <para>dat de eis te ver gaat dat appellant de vraag moet</para>
      <para>beantwoorden of de Minister van Justitie aan de betrokken</para>
      <para>aanvrager van kinderbijslag op een eerdere datum een</para>
      <para>verblijfstitel had moeten toekennen, en - bij een bevestigend</para>
      <para>antwoord - het moment van juridische binding op een eerder</para>
      <para>tijdstip moet bepalen dan dat van (het bekend worden van) het</para>
      <para>besluit tot verlening van de verblijfstitel. Het voldoen aan</para>
      <para>deze eis zou leiden tot een te ver gaande doorkruising van de</para>
      <para>bevoegdheidsverdeling tussen de Minister van Justitie en</para>
      <para>appellant, nog daargelaten de praktische problemen die zich</para>
      <para>bij het dan voor appellant noodzakelijke onderzoek zouden</para>
      <para>voordoen. Zo zou in casu appellant moeten onderzoeken of het</para>
      <para>onrechtmatig is geweest dat de Minister van Justitie het op 14</para>
      <para>april 1994 genomen besluit eerst op die datum ingevolge</para>
      <para>daartoe strekkende jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak</para>
      <para>van de Raad van State en na ampel beraad heeft genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is gezien het voorgaande van oordeel dat de door</para>
      <para>appellant gehanteerde beleidsregel dat pas sprake is van</para>
      <para>juridische binding, indien voldoende zekerheid zijdens de</para>
      <para>Minister van Justitie is verschaft dat de betrokkene in</para>
      <para>Nederland zal mogen blijven, niet onrechtmatig is. Dat</para>
      <para>appellant daarnaast de beleidsregel hanteert om geen rekening</para>
      <para>te houden met een eventueel met terugwerkende kracht verlenen</para>
      <para>van een verblijfstitel, acht de Raad evenzeer niet</para>
      <para>onrechtmatig, aangezien een verlening met terugwerkende kracht</para>
      <para>de onzekerheid over een verder in Nederland mogen verblijven</para>
      <para>tot het moment van (het bekend worden van) het besluit tot</para>
      <para>verlening van de verblijfstitel onverlet laat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in</para>
      <para>aanmerking. Daarmee staat echter nog niet vast dat het</para>
      <para>inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde verblijft sinds 7 maart 1991 in Nederland. Op</para>
      <para>11 januari 1992 is haar door de Minister van Justitie een</para>
      <para>zogeheten gedoogdenstatus (G-status) aangeboden. Zij is op dit</para>
      <para>aanbod niet ingegaan omdat zij dan haar aanvraag tot toelating</para>
      <para>als vluchteling diende in te trekken. Zulks laat naar het</para>
      <para>oordeel van de Raad echter onverlet dat kennelijk ook de</para>
      <para>Minister van Justitie op dat moment een terugkeer van gedaagde</para>
      <para>naar Iran niet opportuun achtte, en gedaagde op dat moment de</para>
      <para>status van materieel gedoogde heeft bereikt. Daarmee ontstond</para>
      <para>- ook volgens de beleidsregel van appellant inzake gedoogden</para>
      <para>die de Raad evenmin voor onrechtmatig houdt - een begin van</para>
      <para>juridische binding als bijdrage tot het aannemen van</para>
      <para>ingezetenschap.</para>
      <para>Verder is vanaf het moment in december 1991 dat gedaagde met</para>
      <para>haar kinderen de beschikking kreeg over een zogeheten</para>
      <para>ROA-woning, sprake geweest van een voortschrijdende</para>
      <para>inburgering, via het schoolbezoek van de kinderen en de</para>
      <para>actieve deelname van de kinderen aan voetbal-, zwem-, judo- en</para>
      <para>balletactiviteiten, en via het door gedaagde volgen van les in</para>
      <para>de Nederlandse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 7 september 1994, in</para>
      <para>de zaak KBW 1994/11, gepubliceerd in RSV 1995/245, en van 15</para>
      <para>januari 1998, in de zaak 97/216 AKW, gepubliceerd in USZ 1998,</para>
      <para>78, is de Raad op grond van de hiervoor vermelde feiten en</para>
      <para>omstandigheden en de duur van het verblijf van gedaagde in</para>
      <para>Nederland van oordeel dat in maart 1993 het middelpunt van het</para>
      <para>maatschappelijk leven van gedaagde in Nederland is komen te</para>
      <para>liggen.</para>
      <para>Gedaagde had derhalve op de peildatum 1 april 1993 woonplaats</para>
      <para>hier te lande in de zin van artikel 3, eerste lid, van de AKW,</para>
      <para>hetgeen ertoe leidt dat ook het bestreden besluit in zoverre</para>
      <para>voor vernietiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant zal derhalve met inachtneming van het hiervoor</para>
      <para>overwogene een nieuw besluit over de toe te kennen</para>
      <para>kinderbijslag moeten nemen, evenals een besluit over de</para>
      <para>wettelijke rente over de nabetaling, te berekenen conform de</para>
      <para>vaste jurisprudentie van de Raad, met als ingangsdatum 1</para>
      <para>februari 1995, zijnde de eerste dag van de maand volgende op</para>
      <para>die waarin het primaire besluit is bekendgemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat appellant het door gedaagde in</para>
      <para>eerste aanleg gestorte griffierecht dient te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts acht de Raad termen aanwezig om appellant op grond van</para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen</para>
      <para>in de proceskosten van gedaagde voor beroepsmatig verleende</para>
      <para>rechtsbijstand, in eerste aanleg begroot op f 1.420,-- en in</para>
      <para>hoger beroep op f 1.420,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Mitsdien dient te worden beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat appellant een nieuw besluit neemt met in</para>
      <para>achtneming van het hiervoor overwogene;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde, begroot</para>
      <para>op f 2.840,-- in totaal, te betalen aan de griffier van de</para>
      <para>Raad;</para>
      <para>Bepaalt dat appellant het door gedaagde in eerste aanleg</para>
      <para>gestorte recht van f 50,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter en</para>
      <para>mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr L.J.A. Damen als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van B.A. Beenen als griffier, en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 29 april 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) B.A. Beenen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge</para>
      <para>de Algemene Kinderbijslagwet kan ieder der partijen beroep in</para>
      <para>cassatie instellen, maar alleen terzake van schending of</para>
      <para>verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der</para>
      <para>artikelen 1, tweede en derde lid, 2, 3 en 6 van die wet.</para>
      <para>Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit</para>
      <para>afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift</para>
      <para>in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>HL2404</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>